Je bekijkt nu Duiffies, duiffies, kom maar bij Gerritje.

Duiffies, duiffies, kom maar bij Gerritje.

De postduif, renpaard van de kleine man, was in het centrum van Noordwijkerhout lange tijd de koning van het luchtruim. Overal woonden duivenmelkers, soms huis aan huis. Zelfs op de Bavo waren een paar paviljoenen waarvan de broeders met de patienten duiven hielden, en niet zonder succes. Als er aan de zuidelijke horizon een stipje verscheen dat naar beneden dook, was het maar de vraag op wiens hok de duif zou neerstrijken. De spanning was dan om te snijden. Natuurlijk gunden de melkers elkaar altijd het beste, want haat en nijd kende dit gezellige volkje niet…..

Twee Bavo-paviljoenen in een vluchtuitslag uit 1957

In 2017 is de duivensport volkomen terecht op de nationale lijst van immaterieel erfgoed geplaatst en dat is maar goed ook want er zijn genoeg bedreigingen die een einde kunnen maken aan deze prachtige volkshobby. Naast de vooroordelen van dierenbeschermers van het type dat ’s-morgens een musje met een zeer pootje redt maar ’s-avonds liefst lamskoteletjes op het bord ziet, is dat vooral de blokkendoosarchitectuur waarmee tegenwoordig woonwijken worden gebouwd. Nergens ruimte meer om een duivenvillaatje te bouwen. En niet te vergeten: het grote geld dat de sport heeft ontdekt en zoals zo vaak ook nu verpest. Topduiven die voor meer dan een miljoen euro naar China verhuizen vormen nog een uitzondering maar lang zal dat niet meer duren. Met een modale portemonnee kan je niet mee in die gekte.

Dat alles neemt niet weg dat de postduif misschien wel het best verzorgde huisdier van ons land is, want er wordt veel tijd gestoken in het optimaal prepareren van deze intelligente vogel voor het leveren van een topprestatie. Het is een aparte wetenschap geworden. En verzorgen is iets anders dan verwennen, het lot van de meeste katten en honden. Daar is nog geen enkel dier beter van geworden, alleen de dierenarts wrijft in de handen. En om ook nog maar eens een stevig vooroordeel te weerleggen: een goed verzorgde duif heeft lol in zijn aandeel in de sport. Wie dat niet begrijpt moet eens een vlucht duiven volgen als zij een trainingsrondje maken of van een wedstrijd uit Frankrijk terugkomen. Het plezier spat er van af. Zij jagen elkaar op, vliegen kop over kop, maken slim gebruik van de windvlagen, van de luwte van gebouwen, houden kaarsrechte vluchtlijnen aan. Een postduif is een vliegend wonder van een paar ons vlees en veren dat urenlang snelheden kan aanhouden tot ruim boven de 100 kilometer per uur. Een dier dat op een snelweg minutenlang gebruik maakt van de slipstream van auto’s, laverend tussen het verkeer, op enkele meters boven de weg.  Je moet het gezien hebben om het te geloven, geen vogel die dat de postduif nadoet.

Oprichting postduivenvereniging de Duinklievers, 1949, eerste tentoonstelling

In Noordwijkerhout kwam de sport pas na de Tweede Wereldoorlog tot bloei, maar postduiven werden al veel langer als liefhebberij gehouden, met Belgie als bakermat. Postduivenvereniging de Duinklievers werd in 1949 opgericht, direct al met 26 leden. Met ook enkele paviljoens op de Bavo als lid, waar veel Limburgse broeders woonden, die de duivensport maar al te goed kenden uit hun geboorteplaatsen. Aanvankelijk waren de aantallen duiven die gehouden werden beperkt, de Tweede Wereldoorlog had haar tol geeist en de duivenstand was bijna uitgeroeid. Maar her en der wisten de melkers wat duiven bij elkaar te scharrelen en ontstond geleidelijke groei. Die hield aan tot in de jaren tachtig waarbij er voor de Duinklievers topjaren waren waarin wel eens meer dan duizend jonge duiven per vlucht werden “ingekorfd”.

Zo’n 20 jaar lang werd in de winter gedurende drie dagen in de grote zaal van Van der Geest een duivententoonstelling gehouden, die veel publiek trok. Hoewel midden in de winter gehouden waren de aanwezigen “zomers dorstig”, tot genoegen van zaaleigenaar Frans die het rommelig zaagsel uit de kooitjes dan ook graag voor lief nam. Met een verkoop van jonge duiven werd de verenigingskas gespekt. De Duinklievers vormen één van de weinige, zoniet de enige vereniging in Noordwijkerhout die zich altijd onafhankelijk van het subsidie-infuus van de overheid ontwikkeld heeft. Met een eigen gebouw, tegenwoordig aan de Wagenmakerswerf.

De duiven die vanaf begin jaren vijftig aan de Havenstraat 35 woonden hadden iets bijzonders. Zij kwamen namelijk altijd terug. En dat kon niet elke duivenmelker zeggen. Rampvluchten, waarbij een deel van de duiven de weg naar huis niet meer terug kon vinden en liefdevol door de natuur werden opgenomen, kenden wij, de duivenmelkers Duivenvoorden niet. Op één of andere miraculeuze wijze vonden onze racekippen, die helaas regelmatig aan een structurele vormcrisis leden, altijd weer hun hok terug. Soms duurde het maanden, maar toch, “there’s no place like home”, moeten onze gevederde vrienden gedacht hebben.

En die enkele sukkel, die het presteerde om in midden Italië terecht te komen was vast verleid door een donkergevederde Italiaanse schone en daardoor van het padje afgeraakt. Het is ook goed mogelijk dat het ingebouwd kompas van deze doffer als gevolg van inteelt de nodige kuren vertoonde en zijn noorden opeens het zuiden aangaf. Vader Gerard geloofde immers – bij gebrek aan voldoende tijd voor zijn hobbby – in de “vrije” liefde. Dat wil zeggen: duivenpaartjes werden niet door hem geselecteerd volgens de erfelijkheidswetten van Mendel, maar de natuur mocht zijn gang gaan, waardoor de liefde volop binnen de eigen duivenfamilie bedreven werd. En net als bij de farao’s van Egypte, die met zus, moeder of dochter het bed deelden kon dat uiteindelijk niet goed gaan, leidde het tot enige degeneratieve afwijkingen, om het maar in mooie en dure woorden uit te drukken.

Het duivenlokaal van postduivenvereniging de Duinklievers was 25 jaar lang gevestigd in onze schuur, zodat er in het weekend altijd volop aanloop was. Inkorven, klokken zetten, het kon allemaal. Pa dankte zijn plek in het bestuur van het vereniging dan ook waarschijnlijk aan zijn status van lokaaleigenaar. Een bestuur dat overigens voor de helft bestond uit familieleden. Een paar keer per jaar was er vergadering, waar onze pa gewassen, geschoren en zowaar eens niet in klompen maar in trouwschoenen gestoken, acte de presence gaf. Voor de paar oefenvluchtjes, die aan het begin van het seizoen werden gehouden, werd onze vrachtwagen ingezet, zodat chauffeur en neef Arres van Gijlswijk in die tijd ook als wedstrijdcommissaris fungeerde en het denkbeeldige startschot loste. Hij liet immers de duiven los in Scheveningen of Delft, een kippeneindje voor de duiven, slechts bedoeld om in het ritme te komen.

Familiehobby

Duivenmelken was min of meer een gezinshobby; wij hadden tot aan de jaren tachtig duiven. Aanvankelijk stond het hok op de loods. Het was beslist geen paleisje, dus werd er begin jaren zestig voor de oude kleine stal een vergunning voor een opbouw aangevraagd, waarin de blauwbanders en krassies gehuisvest zouden gaan worden. Het werd een voor die tijd modern hok, voor een groot deel door pa zelf in elkaar getimmerd, dus uitblinkend in robuustheid en functionaliteit. Met gejutte planken van het strand. Die waren niet allemaal even recht, dus her en der een kiertje om niet te perfectionistisch over te komen. Een spontaan ontstane wijze van verluchting zullen we maar denken. Daarnaast nog enkele fraaie details, zoals een glazen deur. En een slimme verhoging die door het hele hok liep, zodat je daarop staande nog net door de uitvliegramen over het dak kon kijken.

Deze verhoging bood overigens kansen aan een ander huisdier van vader Gerard om hier een eigen paleis te bouwen. Toen het opbouwtje later weggebroken werd bleek hoezeer de familie muis het hier naar de zin gehad moet hebben, want er kwam een grote hoeveelheid skeletjes tevoorschijn. Vele generaties moeten hier gewoond hebben en ’s-nachts zullen zij flink rondgespookt hebben in het hok, waardoor onze gevleugelde toppers natuurlijk niet toekwamen aan hun broodnodige nachtrust, met alle gevolgen voor hun prestaties in het weekend. Achteraf begrijpen we het allemaal. Het zij hen vergeven, de schuld ligt bij de familie Muis.

Bijzonder detail, dat nu wel verklapt kan worden, was de aanwezigheid van een geheim hok. Alleen ingewijden wisten dit hokje te vinden, verborgen in een hoek achter een smalle deur, die natuurlijk in geen enkel opzicht op een deur leek. In dit geheime hok werden de kweekduiven ondergebracht, uit het zicht van concurrenten en criminelen. Althans, dat is ons wijsgemaakt, want de wisselende prestaties van onze kleppers zullen slechts beperkte aantrekkingskracht hebben uitgeoefend op ongewenst  volk.

Hoogtijdagen voor G.A. Duivenvoorden in 1964

Niettemin, er waren goede jaren en topdagen geweest. Naast bewijs in de vorm van uitslagen die bewaard gebleven zijn, spreken vooral de legendes tot de verbeelding. Over onze gevederde vrienden circuleerden verhalen van heldendaden die wij in onze jeugdige onschuld natuurlijk wel voor waar moesten aannemen. Want wie wil er niet in helden geloven? De Griekse mythen, tragedies en drama’s  steken echter maar pover af bij de verhalen die duivenmelkers elkaar vertellen. Uit dikke duimen werden de meest fantastische gebeurtenissen bij elkaar gelogen gezogen. De verhalen rond de HOL-61-320261 namen mythische proporties aan. Dit ringnummer zat om de poot van ons “Roodbontje”,  in alle opzichten een bijzonder beestje. Zo was daar de bijzondere kleur van deze duif, waarin de hele regenboog leek samen te komen. Rood, wit, parelmoer, groen, paars, zwart; het beestje had elke kleur, waar de meeste duiven het met vooral saai grijs en zwart moesten doen.

Zijn prestaties waren van uitzonderlijk gehalte, maar dan in zowel positief als negatief opzicht. Bij menige vlucht leek ons Roodbontje ver voor de andere duiven op het thuishonk te arriveren. Daar aangekomen viel onze lieveling echter met geen mogelijkheid naar binnen te lokken, om daar verlost te worden van de waardevolle gummiring, noodzakelijk finishbewijs. Deze bloed-onder-de-nagels-vandaan-halende eigenschap van onze treuzelaar in de regenboogkleuren van de wereldkampioen leidde natuurlijk tot grote frustraties bij zijn supporters en heeft heel wat poulecentjes gekost, want op zo’n duif durfde onze pa nog wel een guldentje te vergokken.

Ook gaat het verhaal nog altijd rond dat onze topper een eigen vluchtlijn had, die langs de kust liep, het beest kwam immers altijd “van zee”. Dit was op een gegeven moment algemeen bekend. Het leidde er zelfs toe, dat Harm Dijkstra, een melker die aan de Zeestraat met zijn schoonvader Cees van den Berg (mijnheer Sloothaak voor de intimi) duiven hield, de komst van onze roodbonte treuzelkampioen per telefoon aankondigde: “hij komt eraan, hij is net langs gevlogen”. Althans, zo is het ons verteld en wij wilden dat natuurlijk maar al te graag geloven.

De “Roodbonte” in zijn regenboogkleuren van de wereldkampioen, HOL 61-320261

Het “Roodbontje” heeft nog lang van zijn pensioen mogen genieten, werd zelfs 18 jaar oud en is op een ereplaats begraven. Als er een duivenhemel is dan zit de treuzelaar ongetwijfeld aan de rechterhand van de Opperduif.

De weinige wedstrijduitslagen die bewaard zijn gebleven laten wisselende prestaties zien. Er waren mooie resultaten van onze vliegende brigade, die voor een aanzienlijk deel bestond uit “blauwbanders” met grote hersenvormige neusdoppen, dus niet zo gestroomlijnd als de hedendaagse wedstrijdduif. Maar er waren ook de nodige mindere dagen. Na afloop van éen van de vluchten waarop Gerard Heeremenis “ernaast zat” vroeg een collegamelker medelevend hoe het toch kon dat zijn duiven die dag te laat thuis waren gekomen. Waarop onze vader verzuchtte: “De mijne zijn bij de Franse grens opgehouden, zij hadden niet de juiste pompieren bij zich”.

Bij gebrek aan natuurlijke vijanden behalve kater Belletje en poes Minous is het zaak voor de duivenmelker om aan het einde van het vluchtseizoen de taken van Moeder Natuur waar te nemen en het principe van natuurlijke selectie toe te passen. Alleen de sterksten mogen door. Duiven met een “tegenvallende prestatiecurve” verhuisden dus aan het einde van het vluchtseizoen naar poelier Frans de Krul of Jaap de Paai, want aan opvreters hadden we natuurlijk niets. Ze zullen vast goed gesmaakt hebben, onze afgetrainde soepers.

Duivenklok uithalen

In de tijd dat de duivenvereniging een eigen gebouw kreeg was ik al aardig door de duivenbacil besmet geraakt. Zo wordt dat genoemd als je de liefde en respect voor deze prachtige vogel voor altijd bij je draagt. Al zeer jong mocht ik na de vlucht helpen bij het “klok uithalen”. Hierbij wordt de duivenklok opengemaakt om de afgedrukte aankomsttijden en gummiringetjes op een uitslagformulier te noteren. Voorzitter Harm Dijkstra die razensnel was in het aflezen van de tijden probeerde mij, het jongetje met het steeds roder wordende hoofd, op te jagen om  te zien of ik hem wel bij kon houden bij het opschrijven. Ja, dat had ie gedacht!

Dankzij de duiven kwam je nog eens ergens, op tentoonstellingen en in de inkorflokalen van andere verenigingen. Zelfs in het chique Krasnapolsky hotel, pal tegenover de minder bedeelde duiven of “vliegende ratten” op de Dam zoals zij door de Amsterdammers worden genoemd. In het dorp aan het IJ werden in de jaren zestig nationale tentoonstellingen gehouden, waar pa ooit een inzending had. Het zal in 1967 geweest zijn, het jaar van de “Nationale” Ruffec. Dit is een Franse plaats, van waaruit elke jaar een nationale wedstrijd werd gehouden. In de regel waren het dan de duivenliefhebbers uit de zuidelijke provincies die voordeel hadden, maar dat jaar was alles anders. Op onnavolgbare wijze had pa met zijn gerimpelde arme-donder-hoofd een paar duiven weten los te praten bij Piet van Wissen uit Voorschoten, getrouwd met zijn nicht Annie van der Klugt. Hieronder de “97”, die in 1967 ingeschreven werd voor de nationale wedstrijd uit Ruffec.

In het duivenlokaal, in casu onze schuur, was het die zaterdagmiddag druk want er werd ingekorfd voor de vlucht op zondag. Pa zat lekker binnen, maar werd gewaarschuwd dat er een duif was “gevallen” op zijn hok. Dat kon natuurlijk niet, veel te vroeg. Maar hij ging toch maar even kijken. Terwijl hij de trap opliep die via het inkorflokaal naar de daarboven gelegen hokken leidde, vroeg men hem lacherig wat hij ging doen. “Ik heb er één”, antwoordde hij. Dat kon natuurlijk niet volgens de collega’s, zo vroeg. Toen echter de duivenklok getoond werd met de geregistreerde aankomsttijd, stormde het lokaal in recordtijd leeg. De melkers, die doorgaans de lichamelijke prestaties aan hun duiven overlieten, bleken over onvermoede atletische vermogens te beschikken. Er werden nieuwe Noordwijkerhoutse looprecords gevestigd, want als de “grote G.A. (Gerard Anthonius, 1.88 mtr)” er ééntje had, kon het niet anders of  bij hen thuis moest het hok dan wel vol zitten. De “97” was snel, heel snel. Geen enkele Nederlandse duif was die dag sneller. En dus scoorden wij een nummer 1. Met een leuke prijs in de vorm van de bruine klok, die vanaf dat jaar de schoorsteen zou sieren. En nog een poulebedrag van 300 gulden, waarmee een kookketel voor de narcissen werd gekocht.

Als kind beleefde je het mee, zij het dat dit voor de jongsten onder ons nauwelijks bewust was. Maar herinneringen en beelden zijn blijven hangen of worden spontaan opgeroepen. Zo hield pa zijn sportliteratuur bij via het blad van de Nederlandse Postduivenhouders  Organisatie, maar had daarnaast nog een Belgisch blad: “Duifke Lacht”. De teksten uit dit blad kwamen simpel over en wekten inderdaad op je lachspieren, maar het in groen uitgevoerde blad had in elke uitgave weer die intrigerende boodschap in een klein zwart kader. “Duvel, Moortgat”, meer stond er niet. “Duvel, Moortgat”. Wat kon deze duvelse boodschap betekenen? Het leek wel een code en het heeft vele jaren geduurd voordat mij duidelijk werd dat het hier om een advertentie ging van een biermerk. Het was de enige advertentie die ooit in het blad heeft gestaan. Bij een eerste slok Duvel van de brouwerij in Moortgat denk ik als liefhebber van het Belgische bier nog altijd met een glimlach terug aan die geheimzinnige boodschap uit Duifke Lacht.

Een jaar na de Ruffec-overwinning was er weer een nationale vlucht, dit keer voor jonge duiven vanaf Orleans, gelegen op ruim 500 hemelsbrede kilometers, met vele tienduizenden concurrenten voor onze jonkies. Het was juli, volle zomer, bollentijd. In het schuurtje werden nog bollen gepeld, er was de geur van juten zakken en pelafval. Draadbakken met bollen langs de muur, de vrachtauto in de slop. Meestal de periode waarin onze kleppers op hun best waren. Die lome zomerdag met haar eigen geuren waren de verwachtingen dan ook hoog gespannen. Twee jonge duiven, kort na elkaar thuisgekomen, veel vroeger dan verwacht. Het werd zeker geen nationale nummer 1 die dag, maar zij zaten er kort op. De zomers uit mijn jeugd lijken als het ware samen te komen in het beeld, de geuren en de opwinding van die dag. Met dank aan de duiffies van Gerritje.

Jan Duivenvoorden, oktober 2021

Geef een antwoord