Je bekijkt nu Jeugdherinneringen        DNB
Boshuizerkade, VVSB AA

Jeugdherinneringen DNB

Als een slang gleed hij langs de zijlijn, de bal als gelijmd aan zijn voet. Zijn bewegingen waren groots, onnavolgbaar. Niemand zou hem tegenhouden, wat hem restte was een vlammend schot in de linkerbovenhoek. Eitje. Zijn Arena veerde als één man op, hield de adem in. De bal suisde met de mooiste boog ooit geschoten richting doel.

Helaas, te hoog. In plaats van de linkerbovenhoek uit zijn dromen vloog de bal over de straat. Dwars door de ruit van kapper Idole. De pruik, die aan een touwtje in het raam hing, wiegde heen en weer in de wind, schudde nee. Nee, dit was foute boel. Verbijsterd keken de jonge gladiatoren uit de Arena naar de zwarte pruik. Einde van het partijtje van die dag.

Midden in het dorp lag het plein van de oude hervormde school, omgeven door een fraai ijzeren hekwerk, dat ooit diende om de wereld aan te geven dat hier discipline en rust heersten en verstand groeide. Nu vormde het hek een stadion voor de voetbaltalenten die op dit plein langzaam rijpten. Nooit was er een generatie voetballers met zoveel talent. Cruyff, Keizer en Van Hanegem waren idolen, die al snel in vergetelheid zouden wegzinken als de voetballers van het schoolplein volwassen kerels zouden zijn.

De bal was nog van plastic en je was rijk als je er eentje had. Met de voetbalschoenen ging je ook gewoon naar school, gaten in de zolen, kapotte of kale neuzen. Je had maar één paar. Er was nog geen huiswerk, dus elk vrij uur werd er gevoetbald. Direct na school en in de zomer na het avondeten. De ploegen werden niet gekozen, maar vormden zich op natuurlijke wijze, naar gelijke sterkte. Soms werd er gepoot, een vreemd ritueel waarbij twee jongens op elkaar af kwamen door voet achter voet te plaatsen. Paste je voet niet meer tussen de overgebleven ruimte, dan had je verloren en mocht je niet als eerste kiezen welke strijdmakkers je had voor het partijtje.

Door het hek verdwenen er weinig ballen op straat en werden de spelers gescheiden van de dikke rijen enthousiaste toeschouwers. Niet overal was er hek. De familie Van der Slot woonde direct aan het plein. Zij zaten achter hun zijraam eersteklas om de weergaloze acties van de giganten te kunnen volgen. En dat zonder ooit maar één kaartje te hebben gekocht. Tijdens het avondeten zullen de twee bejaarden in hun skybox zich regelmatig verslikt hebben in een broodje als de bal weer eens met een knal op hun ruit belandde. Zij werden zulke grote fans, dat zij de enkele bal die per abuis in hun tuin belandde, spontaan achterover drukten. Als souvenir, zullen we maar denken. Stelletje hooligans. Jammer dat zij nooit om een handtekening vroegen.

“het voetbalstadion”, de oude dorpsschool

Het talent van deze weergaloze generatie voetballers moest wel leiden tot aansprekende prestaties. Was het niet bij de plaatselijke voetbalclub, dan maar in het schoolelftal. De zesde klas van meester Prins was dat jaar een topklas. Niet alleen scoorde zij in de Citotoets supersterk – zei meester niet dat zij de beste klas van het land waren – ook voetballend kwamen zij ver. In het Bollenstreektoernooi in Noordwijk werden alle tegenstanders vermorzeld door de ploeg waarin voorin met de bal gegoocheld werd en onverschrokken verdedigers de Berlijnse muur tot schuttinkje degradeerden. In Katwijk werd de volgende ronde gespeeld, waar de arme paapse ploeg na een 2-0-overwinning door de christelijke toeschouwers werd bekogeld. De onsportieve zwartekousers hadden zeker opdracht van boven gekregen, God hield blijkbaar niet van goed voetbal. Of niet van Papen. In Alphen sneuvelde de ploeg in het provincietoernooi, een foutje. Het spel was bedroevend, voor overmoedigheid werd zwaar betaald.

De gemeentebestuurders moeten niettemin het talent gezien hebben en besloten tot aanleg van een grasveld op het braakliggend Guldemond-terrein. Met heuse doelpalen. De grassprieten hadden er geen leven en sneuvelden al snel onder de zware bezetting van de velden.Voetbalclub VVSB was niet langer voldoende voor de talenten, die hun neus optrokken voor wedstrijden zoals tegen Kagia, dat voetbalde op weiland waar de koeien voor de wedstrijd uit gehaald werden en de stal als kleedkamer fungeerde. Een sliding op dit veld liep extra gesmeerd.

Als alternatief werd het Guldemondterrein daarom de thuisbasis van  nieuwe voetbalteams zoals HJA, Het Jonge Ajax. En natuurlijk niet te vergeten DNB. De Noordwijkerhoutse Boys was een club die wel vier keer opnieuw werd opgericht door haar jeugdige bestuurders, wiens eerste daad het vaststellen van contributie leek te moeten zijn. Er werd nagedacht over clubkleuren, de aanschaf van een bal lag voor de hand. Na een kwartier vergaderen werden de eerste trainingen gehouden. Ballen doe je tenslotte met je voeten, van veel praten word je een bal.

De ledenlijst en het kasoverzicht werden bijgehouden in een schoolschrift, op een omgekeerde aardappelkist. Je moet tenslotte eenvoudig beginnen. De incasso van de contributie was echter wat lastiger voor de bobo’s in wording, want de sigarendoos die als kas dienst deed bleef akelig leeg. Bij gebrek aan baten werd de club dan maar opgeheven, om niet lang daarna weer uit haar as te herrijzen.

Wat te doen tijdens de zomerstop? Het gras moest tenslotte ook een kans krijgen om zich te herstellen. Onze talenten pakten daarom de fiets om nog even de Tour de France te rijden. Uiteraard in een aangepaste versie, op het locale parcours dat langs de Sancta naar de duinen voerde. In een klein peloton werd richting de ontzagwekkende bulten in het landschap gekoerst. Bij de beklimming van de Vinkentop, een col van de buitencategorie, sloeg het peloton snel uit elkaar. Spieren kraakten, of waren het misschien de roestige fietskettingen? Het zweet gutste van de bezwete, van inspanning uit elkaar knallende koppen, waarin visoenen van Tourmalet en Alpe d’Huez om voorrang streden. Zoetemelk en Mercx, zij werden op grote achterstand gereden in het hoofd van de dromende zwoeger.

Uiteindelijk won niet het talent met de sterkste benen maar de bofkont die zo rijk was dat hij over een fiets met versnellingen beschikte. Vaak was dat een schriel mannetje, dat om nimmer achterhaalde redenen Droppie genoemd werd. De rest kwam op grote achterstand binnen en troostte zich met de droom dat zij ooit die overwinning zouden behalen, de wedstrijd zouden beheersen, het publiek zouden verbazen.

’s-Winters, als de voetbalvelden bevroren waren werd er geschaatst. Soms op rolschaats, want op de sloot lag niet altijd ijs. En dus moest er, om Ard en Keessie in droomgedachten te kunnen verslaan, een fictieve ijsbaan aangelegd worden met stenen die de bochten aangaven. Daar werden rondjes gereden van 6 seconden en dat met 1 rolschaats, bij gebrek aan geld voor een tweede exemplaar. Stevig aan de voeten gesjord met strotouwtjes. Op één schaats door de bocht is een kunst op zich; niettemin verpletterende rondetijden.

De talenten, zij waren helden in hun droom, gedreven door hoop. Toen zij volwassen werden waren zij het heldendom ontgroeid, vergeten. En verdwenen hun dromen voor altijd in het zwarte gat van de werkelijkheid, waar alles samenkomt en niets overblijft. Miskende talenten. Jammer dat geschiedenis met feiten en niet met dromen geschreven wordt.

Zijn bewegingen waren groots, onnavolgbaar. Niemand zou hem tegenhouden, wat hem restte was een vlammend schot in de linker-bovenhoek. In zijn dromen ging de bal er altijd in.

Stiekem droomt hij nog wel eens.

Geef een antwoord