Je bekijkt nu Jacobus Dirkszoon Duijvenvoorden 1763 – 1834
De Keukendel op de hoek Zeestraat-Schulpweg; woning Jacob Duijvenvoorden

Jacobus Dirkszoon Duijvenvoorden 1763 – 1834

Voorvader Jacob Duijvenvoorden leefde in een bijzondere periode van de geschiedenis van ons land. Vandaar eerst een korte schets van die periode.

Historisch perspectief.

Net als zijn vader Dirk heeft Jacobus Dirkszoon Duijvenvoorden de komst van de Fransen meegemaakt en is hij korte tijd burger in het Franse keizerrijk . In 1813 vertrekken de Fransen weer en keren de Oranjes terug na hun vlucht naar Engeland. Willem de eerste wordt tot koning uitgeroepen, “Belgie” wordt onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden maar zal zich vlak voor de dood van Jacobus losmaken en onafhankelijk worden. Er komt een eerste Grondwet (1814).

Jacobus is tijdens zijn leven dus burger binnen verschillende staatsvormen: Republiek der zeven Verenigde Provinciën, Bataafse Republiek, Koninkrijk Holland en het Koninkrijk der Nederlanden, deze laatste met en zonder een Belgisch deel. Het zal hem vermoedelijk een worst geweest zijn in het kleine dorp, dat sinds mensenheugenis nauwelijks veranderd was. Een dorp dat ook niet meer dan 700 inwoners telde. Met een beperkt aantal huizen, gecentreerd rond de kerk en de boerderijen verspreid over de omgeving. De dorpskern wordt vertaald naar onze tijd begrensd door de ring Hoogstraat, Viaductweg, Victoriberg, begin van de Herenweg en Schoolstraat. Alles op een goede steenworp afstand van de Witte Kerk dus! De grens van het ambacht Noordwijkerhout is in de 21e eeuw op een enkel detail na ook niet veel anders dan vijf eeuwen eerder. Zichtbare verandering is het verval van de burcht Boekhorst, de bouwval wordt eind 18e eeuw verkocht en in de daarop volgende jaren worden de restanten afgebroken.

Het kadaster legt in 1813 het centrum van Noordwijkerhout op kaart vast. Er staan niet meer dan een 40 huizen, hetgeen in de eeuwen ervoor niet anders was. Pas na 1830 zal de groei van het dorp inzetten. Jacob Duijvenvoorden woonde dus zijn hele leven in een dunbevolkt dorp met veel binnenduin.

Jacob werd op 4 februari 1763 geboren als zevende kind van Dirck Gerritszoon Duijvenvoorden en Marijtje van der Hans. Hij groeit op in een groot gezin want na hem worden nog vier kinderen geboren. Hij is pas zes jaar oud als zijn moeder overlijdt. Zijn vader hertrouwt met Marijtje van Eeningen; uit dat huwelijk volgen nog zes kinderen.

Nog voordat hij de liefde en het huwelijksgeluk vindt maakt Jacob het overlijden van twee “grote broers” mee. Pieter en Gerard sterven kort na elkaar in 1782 en 1783, slechts 24 en 21 jaar oud. In dezelfde periode verkeert het gezin in een benarde financiele situatie. Vader Dirck lijdt het onderspit in een juridische strijd over betaling van erfpacht op het ouderlijk huis van Jacob en de daarbij horende zeven hectare geestland, dicht bij de dorpskern. In 1784 volgt een faillissement en gedwongen verkoop van landerijen, waaronder percelen weiland in het Langeveld die Jacob later in gebruik zal nemen. In hetzelfde jaar treft Jacobs oom Frans Gerritszoon van den Berg hetzelfde lot. Frans gaat op zijn grote kloosterboerderij aan de ’s-Gravendam failliet als gevolg van de veepest. Allemaal gebeurtenissen die van invloed moeten zijn geweest op het wereldbeeld en karakter van de jonge Jacob Duijvenvoorden.

Als 25-jarige trouwt Jacob met de vijf jaar jongere Emerentia (Rensje) Kortekaas. Zij dankt haar fraaie voornaam aan haar oma, Emeretiana van Haastert uit Wassenaar. Jacob moet zijn Rensje goed gekend hebben want haar vader Hendrick was net als de Duijvenvoordens een schelpenvisser. En Jacob zal ongetwijfeld geweten hebben dat Rensje geboren is in het huis dat door de eerste generaties Duijvenvoorden werd gebouwd aan de duinkant nabij de Duindamse Slag.

“Boerderij van Geertje” nabij de Duindamse slag, geboortehuis van Rensje Kortekaas

Wittebrood met een zwarte korst.

Huwelijken werden opgetekend in de zogenaamde Gaardersboeken van Noordwijkerhout. Naast huwelijken staan daar ook de overledenen in vermeld. Aan het huwelijk of het einde van het leven van voorouders werden slechts enkele regels en een datum gewijd. Plus de gemeentelijke belasting die men bij huwelijken en begrafenissen schuldig was, maar die voor het gros der Noordwijkerhouters werd kwijtgescholden. Zij trouwden of werden begraven “pro deo”. Maar tussen die beperkte administratieve regels is veel persoonlijk leed te lezen. Als Jacob en Rensje trouwen in mei 1788 volgt in het Gaardersboek daarna de vermelding van het overlijden van drie broers van Rensje. Op 14 juli worden Cornelis en Pieter tegelijk begraven, veertien dagen daarna volgt Klaas Kortekaas. Cornelis is 22, Pieter 19 en Klaas slechts 13 jaar oud. Ongetwijfeld het gevolg van een kinderziekte in het gezin van Hendrick Kortekaas en Teuntje van den Bosch.

De arme Emerentia maakt dus nog tijdens haar wittebroodsweken drie keer de tocht naar het kerkhof bij de Witte Kerk, want haar broers zijn in Noordwijkerhout begraven. Daarmee houdt het niet op want van de 12 kinderen van Hendrick en Teuntje Kortekaas zijn er bij het overlijden van Hendrick in 1799 nog maar 5 in leven!

In de zogenaamde Gaardersboeken werden huwelijken en overledenen vermeld. Op dezelfde bladzijden staan het huwelijk van Jacob en Rensje en het overlijden van drie van haar broers. Mei-juli 1788

Jacob, Willem en Huibert Duijvenvoorden

In het gezin van Dirk Gerritszoon komen we naast zoon Jacob nog twee namen tegen als eigenaar van onroerend goed (huis + land) in Noordwijkerhout, begin 19e eeuw. Het gaat hier om nauwkeurige kadastergegevens, in de vorm van gedetailleerde kaarten en per perceel beschreven eigenaren. Behalve de namen van Willem, Huibert en Jacob komen er geen andere Duivenvoordens voor. Dat laat zien dat de familie nog altijd vrij klein was ondanks het feit dat zij al 100 jaar in Noordwijkerhout geworteld was. Er zijn wat kinderen weggetrokken naar Voorhout en Kennemerland, maar de belangrijkste oorzaak voor de kleine omvang van de familie ligt in de kindersterfte. Daarnaast moeten we niet vergeten dat de dochters uit de familie na een huwelijk van naam veranderden. Die nazaten van stamvader Arij Janszoon Duijvenvoorden zijn alleen te achterhalen door de stamboom zo breed mogelijk uit te werken.

De jeugd of kindersterfte lag op een voor onze begrippen nauwelijks te bevatten niveau. En voor Jacob Dirkszoon Duivenvoorden was dat niet anders want als Jacob overlijdt in 1834 zijn er van zijn 15 kinderen al 9 overleden. Er was mogelijk zelfs een 16e kind, waarvan de geboortedatum onbekend is gebleven. Ook deze zoon Dirk heeft kort geleefd en wordt in 1805 door Jacob en Rensje naar het kerkhof gebracht.

In 1806 doet Jacob Duijvenvoorden aangifte van het overlijden van Teuntje, zij was maar 5 dagen oud. Hoewel de Franse bezetting voor onze begrippen nooit goed te praten is bracht met name de Franse administratieve inrichting een sterke verbetering van de eeuwenlange schaarse vermelding van geboorten, huwelijken en overlijdens. Eerder werden kinderen vaak begraven zonder vermelding van hun naam of leeftijd.

De Keukendel

Jacobus Dirkzoon is volgens het kadaster van 1832 (kaart 1813/1818) eigenaar van enkele percelen grond in het Langeveld achter voormalig Sancta Maria. Maar vanaf 1821 behoort ook de oude boerderij De Keukendel tot zijn bezit. Daar woonde hij al als huurder, zijn broer Willem was eigenaar, had de hoeve die al voor 1600 voorkomt in oude documenten in 1811 gekocht van de erfgenamen Van der Holst. Zelf woonde Willem op boerderij de Kokmeeuw aan de Herenweg, dus waarschijnlijk woonde Jacob vanaf de aankoop door Willem al op de Keukendel. Waar Jacob tussen 1788 en 1811 heeft gewoond is niet duidelijk. Vast staat dat Rensje in 1815 in huis 43, de Keukendel, overlijdt. Zij werd slechts 48 jaar.

De naam van Jacobs boerderij is wellicht terug te voeren op kasteel De Boekhorst. Vaak hoorde bij een kasteel een gebied waar de bewoners hun vee hielden of gewassen verbouwden. Bij het slot Teylingen hoorde het Keukenduin, een vergelijkbare naam.

De Keukendel op een kaart van het klooster Leeuwenhorst uit 1625. Eigenaar is IJsbrant Starck, een deurwaarder uit Leiden

Wat bouwstijl betreft past de boerderij goed bij andere, eeuwenoude hoeves uit onze omgeving. Begin 17e eeuw wordt op kaarten op deze plaats een boerderij ingetekend en uit documenten weten we dat het gebouw er al ruim voor 1600 stond. In de tijd dat Jacobus er woonde was het al een oud gebouw.

Omdat de broers Jacob, Huibert en Willem met elkaar aan de basis staan van de grote familie Duivenvoorden die nu in Noordwijkerhout woont en de broers in hetzelfde gebied hun brood verdienden ook kort wat informatie over Huibert en Willem.

Huibert Dirkszoon Duijvenvoorden boer op de “Duinpoort”

Huibert, de oudste zoon van Dirk Gerritszoon Duijvenvoorden leefde van 1754 tot 1825 en wordt genoemd als bouwman in het Langeveld. Volgens kadastergegevens bezat Huibert en later zijn enige zoon Job Duivenvoorden een boerderij aan het einde van de Langevelderweg, tegen het duin. Huibert kocht deze boerderij, nu bekend als de Duinpoort, in 1793 van de bekende Amsterdamse familie Six. Hij trouwde Mijntje de Winter, dochter van Job de Winter, zij is tien jaar ouder dan Huibert en het echtpaar zal dan ook maar één kind krijgen, Job. Met deze zoon weet Huibert de boerderij flink uit te breiden, onder andere door aankoop van de tegenover de Duinpoort liggende boerderij, waartoe grote percelen weiland aan de zuidzijde van de Langevelderweg behoorden. Job op zijn beurt heeft het familiebezit flink laten groeien en kan tot de grootste boeren van Noordwijkerhout en omgeving worden gerekend. In het Langeveld bezat hij midden 19e eeuw in totaal zo’n 110 hectare aan geestland, akkers en weiland. Hieronder vielen flinke percelen op wat nu het kampeerterrein (vanouds de Wit) aan de Randweg is.

Het Langeveld zoals wij dit nu kennen, zag er in die tijd niet zo mooi verkaveld uit, maar bestond uit stroken grond tussen het jonge duin en de oudere strandwallen, waaronder bijvoorbeeld het Oosterduin, dat pas halverwege de 20e eeuw afgegraven is en daarvoor grotendeels bebost was. Noordwijkerhout bezat zelfs diverse  “bergen ”, zoals de Boekhorsterberg (ter hoogte huidige voetbalvelden).

De boerderijen van Huibert en Job Duivenvoorden aan het einde van de Langevelderweg met 110 hectare weiland (groen) en geestland (geel) in het Langeveld. Met op naam de buurpercelen en hun eigenaren. Rechts boven het midden de boerderij bekend als Plesman. Dit is de situatie rond 1832. Boerderij de Blink werd door Job Duivenvoorden pas rond 1850 gebouwe maar is hier alvast ingetekend.

Opvallend is dat uit kadastergegevens van ca. 1815 (voorvader Jacobus Dirkzoon was toen ruim 50), nog goed af te lezen valt dat het Langeveld lange tijd in bezit is geweest van adellijke families of notabelen, want er staan diverse percelen op naam van de graaf van Limburg Stirum, maar ook de heer Temminck, de directeur van het  Rijksmuseum uit Amsterdam had land in het Langevelt. Mevrouw Kip, weduwe van Hendrik Staal, een rijk man uit Voorschoten, bezit begin 19e eeuw heel wat kleinere en grote stukken land, verspreid over het dorp.

Willem Dirkszoon Duijvenvoorden boer op de Kokmeeuw

Naast Huibert Duivenvoorden en zijn zoon Job mogen we ook Willem Duivenvoorden rekenen tot de grotere boeren uit het dorp in de eerste helft van de 19e eeuw. Willem was bouwman op boerderij De Kokmeeuw aan de Herenweg en bezat 40 bunders (hectaren) aan weiland en teelland in de Hoogeveensche Polder, met verspreid ook flinke percelen bos.

Willem werd geboren in 1766 en stierf in 1838. Hij trouwde in 1799 met Pieternelletje van der Ploeg. De Kokmeeuw kocht Willem in 1804 op een veiling van de rijke Leidse familie Hartingh.

Boerderij De Kokmeeuw stond aan de oostzijde van het Kerkeduin (nu Oosterduin) en dateert uit de late 17e eeuw. Leendert Duijndam kocht in 1688 twaalf morgen land in de Hoogeveense polder en bouwde daarop een boerderij, al is niet uitgesloten dat er al eerder op die locatie een woning gestaan heeft. Willem Duivenvoorden bezat ook nog enige tijd vier hectare weiland aan de Langeveldse zijde van het Stelduin, grenzend aan percelen van zijn broer Huibert.

De Kokmeeuw 20e eeuw. Archief familie Van Eeden. Met dank!

Jacobus Dirkzoon Duijvenvoorden, jager of duinmeier

Terug naar voorvader Jacobus Dirkzoon. Hij wordt meerdere malen genoemd in de brochure die rond 1785 is uitgegeven in verband met de verkoop van Kasteel Boekhorst en omliggende landerijen. Uit een ouder belastingregister weten we dat het kasteel “geamoveerd” was. Een term die inhield dat het gebouw leeg stond of niet meer bewoond mocht worden. Ook een term die gebruikt werd voor gesloopte gebouwen. In het geval van het kasteel Boekhorst zal sloop een omvangrijke klus geweest en omdat in 1785 nog sprake is van gebouwen op het terrein is niet duidelijk in hoeverre men daadwerkelijk tot sloop is overgegaan. Maar de heerlijkheid de Hooge Boekhorst bestond in 1785 nog altijd uit dezelfde weilanden en duinpercelen. In dat jaar was Jacob nog niet getrouwd en slechts zo’n 22 jaar oud. Al met al was het voor zo’n jonge man een behoorlijke stap om pachter te worden van flinke stukken duin.

Rond het kasteel bevonden zich meerdere percelen die door “onze” Jacobus Dirkzoon werden gehuurd. Genoemd wordt de huur van:

  • Het Keukenduin voor 40 gulden per jaar en drie koppel konijnen
  • Het “regt van de konijnen” in een gebied rond het Duinschoten voor 10 gulden
  • Voor 100 gulden en drie koppels konijnen de rijk met konijnen bevolkte “Warande” van het kasteel Boekhorst, deze strook binnenduin lag tussen de ruïne en het zeeduin.
  • Het regt om konijnen te vangen in het gebied tussen Duinschoten en de Kluisweg (nabij het huidige Wilgendam), voor 13 gulden per jaar
  • Een strook duin met konijn gepeupleerd nabij het Kerkduin voor 65 gulden per jaar.
1582 de Warande van de Boekhorst; detail van een kaart uit het Nationaal Archief. Rechts de “Besloten Duijnschoten” een groot perceel dat zich uitstrekte tot boerderij Sasbergen nabij de Ruigenhoek. Het Duijnschoten was eigendom van de Domeinen of Staten van Holland. Jacob Duijvenvoorden pachtte grote delen van het binnenduin rond het Boekhorstterrein. Naast deze Warande ook een brede strook duin aan de oostzijde

De met Jacobus gemaakte huurafspraken lopen door tot Vrouwendag 1789 (Maria Lichtmis, 2 februari) en eventueel nieuwe eigenaren van percelen zullen de afspraken moeten respecteren. In totaal 228 gulden aan huur voor het gebruik van het duin met het recht om de daar ronddartelende konijnen te mogen vangen. Voor die tijd was dit een flink bedrag die onze jonge konijnenexploitant eerst maar eens terug moest zien te verdien. Ook geeft het een indicatie dat Jacob in die periode heel wat kilometers gelopen moet hebben want de beschreven terreinen waren deel van het uitgestrekte duin ten noorden van het dorp.

Familie Kortekaas

In 1799 wordt de boedel van de vader van Rensje Kortekaas verdeeld. Van zijn 12 kinderen zijn er dan nog maar vijf in leven. Vier van de kinderen, waaronder Rensje met haar man Jacob Duijvenvoorden, besluiten om afstand te doen van hun erfdeel. Dat kan te maken gehad hebben met de schamele waarde van de boedel en de last van een hypotheek die nog altijd op het huis van de ouders drukte. Maar waarschijnlijker is dat de broers en zussen van Jan Kortekaas wilden dat hij met zijn moeder Teuntje van den Bosch de woning kon overnemen op voorwaarde dat hij dan ook de hypotheek voor zijn rekening zou nemen. Dat is ook zo geregeld maar uiteindelijk zal Jan de boerenhoeve aan duin toch moeten verkopen. Hij woont daarna nog enkele jaren op het Duinhuis op het Bavoterrein en overlijdt in 1821.

Naast documenten waarin Jacob en Emerentia een hoofdrol spelen zijn er in diezelfde periode van hun leven diverse vermeldingen van Jacobs naam in veilingen van roerend en onroerend goed. Daarbij kan het gaan om huishoudelijke artikelen, meubelen, brandhout of levende have. In de regel staan verkopen genoteerd onder de naam van de man hoewel we ervan uit kunnen gaan dat Rensje vaak meeging naar zo’n veiling. Wie de namen van voorouders zoekt maakt de meeste kans in veilingverslagen. Vele dorpelingen kom je in de lijsten tegen, sociale evenementen waren dun gezaaid, dus daar wilde men wel bij zijn. Zo koopt Jacob in 1805 voor 26 gulden een paard en twee later vinden we zijn naam genoteerd voor 8 Delftse borden voor 11 stuivers en een paar gordijntjes voor ruim 1 gulden. Vergelijkbaar zijn de aankopen van mokken, koppen, glaswerk en porcelein op een veiling in 1814.

1805 Aankoop van een paard door Jacob Duivenvoorden voor 26 gulden.
Boedelveiling 1814

Een vermelding van een geheel andere soort is de zaak die bakker Jan van Eeden in 1809 aanspant tegen een aantal van zijn klanten. Blijkbaar was de schuld van die klanten iets te gortig geworden voor Jan of werd er te lang getreuzeld met het voldoen van de betaling voor aangekocht brood en winkelwaren. Jacob Duivenvoorden wordt door de kleine rechtbank van het dorp gemaand zijn 42 gulden schuld direct te betalen.

Jacob verdient ook na 1800 het inkomen gedeeltelijk met de konijnenjacht want hij wordt als jager vermeld  in een overlijdensakte uit 1821. De inhoud van aktes roept wel eens vragen op, maar we hebben dan te weinig informatie om volledig te begrijpen hoe de beschreven situatie en elkaar steekt. In dit geval overlijdt een 14-jarige dochter van Maria Zoetendaal in het huis van Jacob, de Keukendel. Haar moeder Maria woont op dat moment in Hillegom. Waarom Neeltje van der Wunnik zoals het meisje heet in het huis van Jacob woonde is onduidelijk. Was zij er als pleegdochter in huis genomen of werkte zij er als huishoudelijke hulp voor Jacob. Hij ondertekent als “Jaap Duivevoorden”. De andere getuige is zijn overbuurman Cornelis van Duin. Deze vermelding als jager is éénmalig, Jacob wordt in andere akten vermeld als landbouwer of schelpenvisser. Inkomsten uit gemengde beroepen kwamen in Noordwijkerhout veel voor.

Akte 1821 met Jacob Duijvenvoorden vermeld als jager.

Na de dood van Rensje in 1815 heeft Jacob nog jaren hulp gekregen van zijn zonen Cornelis (jonge Kees) en Pieter, want zij trouwen pas tien jaar later. De steun van Pieter was waarschijnlijk ook de reden om een vervanger te zoeken die de dienstplicht van Pieter over kon nemen. In 1817 plaatsen vader en zoon hun handtekening onder de akte waarbij de overdracht van de dienstplicht wordt geregeld (zie Pieter Jacobszoon 1798-1878).

In 1821 kan weduwnaar Jacob voor 400 gulden boerenhoeve de Keukendel kopen van zijn broer Willem en werd daarmee van huurder eigenaar van de woning waarin hij al zo’n tien jaar woonde. Tot de aankoop behoorden enkele percelen weiland, samen zo’n 800 Rijnlande Roeden groot ofwel ruim 1 hectare. Bijzonder detail is dat aan de woning nog altijd een jaarlijkse kostenpost verbonden is van 15 gulden, te betalen aan de beheerder van de Geestelijke goederen in Delft. Na de Reformatie werd het Roomse bezit overgenomen door de overheid. In Noordwijkerhout lagen flinke percelen van de abdij Egmond zoals de Absveenen aan de Kraaierslaan. Vanouds ontving de abdij jaarlijks een bedrag per akker of weiland, een recht dat nog eeuwen is gehandhaafd door de overheid. In verhouding tot de waarde van de woning was 15 gulden jaarlijks een flink bedrag.

In die periode pachtte Jacob van de Leidse kalkbrandersfamilie Lelijveld drie percelen weiland aan de Schulpweg, tussen Woensdagse Wetering en de Duinsloot. Deze weilanden lagen dus gunstig ten opzichte van de Keukendel op de hoek van de Zeestraat. Bij elkaar was dit ruim drie hectare en met de 800 Rijnlande Roe rond de Keukendel bewerkt de circa 60-jarige “schulper en bouman” Jacob Duivenvoorden een dikke vier hectare. In tegenstelling tot zijn broers Huibert en Willem was hij dus niet bepaald een grootgrondbezitter maar verdiende het inkomen dan ook met meerdere bronnen.

Boerderij de Keukendel met bijbehorende landerijen aan de Schulpweg, linksonder Alkemade

Jacob Duivenvoorden pacht ook twee en een halve hectare weiland van zijn broer Huibert in het Langeveld, tussen de Donderdagse Wetering en het zeeduin. Huibert had dit land sinds 1797 in bezit en het is dit perceel dat de vader van de beide broers, Dirk Duivenvoorden, in 1784 moest verkopen toen hij door tegenslag failliet ging. Jacob heeft dit weiland dus in zijn jeugd met zijn vader bewerkt. Bij elkaar had landbouwer, jager en schelpenvisser rond 1825 dus zo’n 8 hectare aan weiland in gebruik.

De Duivenvoordens uit de 19e eeuw zien we vaak terug bij de veiling van zogenaamde Tienden. Men kocht daarbij 10 procent van de opbrengst van percelen grond waarop het Tiendrecht gevestigd was. In 1831 koopt Jacob de Alkemadese Tienden, gelegen tussen Schulpweg, het noordelijk deel van het Westeinde en de Duinsloot.

We komen Jacob ook in andere rollen tegen. In 1824 is hij toeziend voogd voor de dochter van Huibertje van Stijn. Zij was getrouwd met Jan Zoetendaal en woonde op een eeuwenoude boerderij aan de Duindamse Slag. Na het overlijden van Jan hertrouwt Huibertje met Gerrit Dekker en krijgt met hem één kind. Helaas zal dit kind, Jannetje Dekker haar vader Gerrit maar kort kennen want hij overlijdt als zij nog geen 4 jaar oud is. Het familieberaad dat hierna gehouden wordt draagt vriend en buurman  Jacob Duivenvoorden aan als toeziend voogd en hij wordt als dusdanig benoemd door de rechter. Als voogd heeft Jacob een rol bij de verkoop van de familieboerderij aan de Duindamse slag door Huibertje van Stijn. Hij moet voor de verkoop tekenen en erop toezien dat het financieel belang van zijn voogdijkind niet wordt geschaad.

In hetzelfde jaar 1824 koopt Jacob op een veiling voor rekening van zijn dochter Jannetje en schoonzoon Leendert Warmenhoven een huis aan de Zeestraat, nu hoek Victoriberg.

Jacob Duivenvoorden overlijdt in 1834, hij is dan 71 jaar oud. De laatste jaren woonde hij op De Keukendel met zijn vrijgezelle zoon Klaas en huishoudster Cornelia Zoetendaal. De boerenhoeve zal nog vijf jaar bezit blijven van de zes kinderen die bij zijn overlijden nog in leven waren. Klaas trouwt in 1837 in Zandvoort waar hij ook gaat wonen. Tot die tijd heeft hij waarschijnlijk nog op De Keukendel gewoond. De 16e eeuwse boerenhoeve wordt uiteindelijk in 1839 door de erfgenamen verkocht aan neef Dirk Duivenvoorden, zoon van Jacobs broer Willem. Voor 400 gulden, dezelfde prijs die Jacob in 1821 aan Willem betaalde. De originele notarisakte van de verkoop en mogelijk ook de nalatenschap zijn helaas door brand bij de notaris verloren gegaan.


1834, 4 augustus, aangifte overlijden Jacob Duivenvoorden door zijn Klaas

Geef een antwoord