Je bekijkt nu ’s-Gravendam: geschiedenis van een boerderij en buitenplaats.
's-Gravendam door Van Bleijswijck Rijksdienst Cultureel Erfgoed

’s-Gravendam: geschiedenis van een boerderij en buitenplaats.

“Van ’s-Gravendam aan de Leeweg naar Mozart in Wenen”

De buitenplaats ’s-Gravendam neemt onder de herenhuizen of hofsteden in Noordwijkerhout een aparte plaats in. Van de circa 125 woningen en boerderijen die het dorp telde in de 17e en 18e eeuw heeft een flink aantal voor korte of langere tijd een functie gehad als buitenverblijf voor welgestelde families uit omringende steden. Slechts een enkele familie kunnen we als inwoners beschouwen omdat zij het hele jaar in het dorp verbleven, maar ook in die gevallen heeft men de boerderij aangekocht. ’s-Gravendam werd van boerderij tot buitenverblijf omgebouwd door de familie Jacquin. Zij hebben echter de grond en woning nooit aangekocht maar deze via nalatenschap verkregen. Daarmee is dit voor zover bekend de enige buitenplaats waarvan de gebruikers een Noordwijkerhoutse stamboom hadden.

De geschiedenis van de boerderij en buitenplaats ‘s-Gravendam is karakteristiek voor het dorp omdat we veel bekende ontwikkelingsfactoren zien zoals de invloed van het klooster Leeuwenhorst en adellijke grootgrondbezitters. Maar ook het erfrecht speelt een rol, net als vele tegenslagen door vroege sterfte van familieleden. En daarnaast is er voor deze buitenplaats nog een leuk extraatje want er loopt een directe lijn van de Noordwijkerhoutse familie naar de niet geheel onbekende Wolfgang Amadeus Mozart in Wenen.

’s-Gravendam heeft een middeleeuwse oorsprong als boerenlocatie, waarvan gegevens beschikbaar zijn vanaf begin 15e eeuw dankzij de pachtboeken van Leeuwenhorst. Het klooster had veel weilanden en akkers in bezit in het gebied rond de Leeweg en vanaf circa 1400 zijn de jaarrekeningen van de rentmeesters bewaard gebleven. De opeenvolgende pachters zijn te herkennen aan de herhaling van de perceelsbeschrijvingen en een enkele keer door de vermelding van familierelaties. Vanaf 1542 zijn er aanvullende bronnen zoals de Morgenboeken van het Hoogheemraadschap Rijnland, de belastinglijsten van de Tiende Penning en Leidse notarisakten.

Daarom eerst een overzicht met de bewoners van de boerenlocatie en buitenplaats die al vroeg onder de naam ’s-Gravendam vermeld wordt. De jaartallen worden genoemd in documenten of zijn gebaseerd op aanwijzingen uit diverse bronnen.

Overzicht bewoners/eigenaren locatie ‘s-Gravendam

Het bijzondere van de percelen weiland die door het klooster verpacht worden is dat door de rentmeesters vanaf de eerste jaarrekeningen een woning vermeld wordt, staande op één van de gepachte percelen. De aanwezigheid van die woning wordt bevestigd in de Tiende Penning belastingregisters en de Morgenboeken van Rijnland uit het midden van de 16e eeuw.

Het eigendom van de woning wordt in die registers toegeschreven aan Gerrit Van der Laen, uit een steenrijke Haarlemse familie. De omliggende percelen zou gezamenlijk bezit geweest zijn met het klooster. In dit geval kunnen we een aardige theorie opzetten over hoe de woning eigendom werd van de familie Van der Laen. Gerrit van der Laen (1480-1568) die in 1542 voor het eerst als eigenaar vermeld wordt was in zijn eerste huwelijk echtgenoot van Dieuwer Ewoutsdochter Bartoen. Haar vader Ewout en grootvader Bartoen waren rentmeesters van het klooster Leeuwenhorst en Gerrit is dat zelf ook enige tijd geweest. Hij verwierf mogelijk via Dieuwers familie het eigendom van de locatie ’s-Gravendam maar ook het Huis Ter Lugt aan de Delfweg. Daar is weliswaar geen direct bewijs voor maar het is wel een logische conclusie gezien de activiteiten en het grondbezit van Ewout en Bartoen in het gebied rond deze twee boerderijen.

De familie Van der Laen is tot 1642 eigenaar van ’s-Gravendam gebleven, bij elkaar zo’n 130 jaar lang. Na Gerrit volgde zijn zoon Claes van der Laen hem op als eigenaar van Ter Lugt en zoon Hendrick werd eigenaar van de woning ‘s-Gravendam. Hendrick woonde zelf op een grote hofstede naast de kerk van Voorhout. Hij had geen erfgenamen maar vermaakte zijn bezit aan de kinderen van zijn broer Claes. Hendrick die in 1608 is overleden wordt nog genoemd als eigenaar van de woning ’s-Gravendam op een kaart uit circa 1625 met de onroerende goederen van het klooster Leeuwenhorst. De reden van deze vermelding is dat zijn boedel lang onverdeeld is gebleven en de kaartmaker samen met de rentmeester van het klooster niet beter wisten dan dat boerderij en landerijen nog altijd op naam van Hendrick stonden.

1625, kaarten Leeuwenhorst, detail, de woning van Hendrick van der Laen, het latere ‘s-Gravendam

Ook de kinderen van Hendrick’s broer Claes laten de erfenis van hun oom onverdeeld en het zijn uiteindelijk zijn achterneefjes en –nichtjes die het bezit zullen opsplitsen. Waarbij Loyse van der Laen eigenaresse wordt van ’s-Gravendam. Zij is dan al weduwe van Maerten van Nitshem en woont in Burg-Haamstede op Schouwen-Duiveland.

Loyse besluit in 1642 de boerderij te verkopen aan Jan IJsbrantszoon van Griecken, een Noordwijkerhoutse boer wiens familie de boerderij al vanaf circa 1556 in pacht had. Deze familie waarvan de eerste generaties zonder de achternaam Van Griecken vermeld worden, waren opvolgers van een Cornelis (Jan) Harpertsoon en zijn vader Harpert Claaszoon. Cornelis Harpertszoon wordt in 1553 genoemd in de Tiende Penning van dat jaar. Er zijn een viertal versies van deze Tiende Penningbelasting bewaard gebleven. Alleen het register van 1553 plaatst de posten van de belastingplichtige bij elkaar en geeft ons zo een mooi overzicht van de omvang van het boerenbedrijf van Cornelis en zijn vader Harpert.

In totaal gebruiken zij een kleine 22 hectare weiland. De huurwaarde van het geheel wordt door de taxateurs van de Tiende Penning vastgesteld op ruim 88 gulden, waarover dan 10% belasting werd geheven, dus nog geen 9 gulden. Dorpsbestuurders konden geen inkomsten vaststellen en gebruikten voor de Tiende Penning dus een uitgangspunt waarbij de huurprijs van een stuk grond geacht werd (minimaal) terugverdiend te zullen worden door de gebruiker. Alles wat een boer meer verdiende op dat stuk grond was dus belastingvrij. Van de weilanden bezit Cornelis Harpertszoon slechts een kleine vier hectare zelf, de rest wordt door hem gepacht.

1553, Tiende Penning, samenstelling woning en landerijen ‘s-Gravendam zoals gebruikt door Cornelis Harpertszoon

Cornelis Jan IJsbrantszoon (Van Griecken) en zijn echtgenote Anna Dirckszoon volgden Cornelis Harpertszoon op, tussen 1556 en 1561. Hun boerderij heeft een vergelijkbare omvang maar zij bezitten zelf ruim een derde van het onroerend goed en waren daarmee wat minder van pachtheren afhankelijk. Wat dat betreft had een echtpaar dus een stap vooruit gemaakt maar het noodlot zou hen zwaar treffen tijdens de Troubelen, de periode van 1572-1577 waarin de steden Haarlem en Leiden belegerd werden door Spaanse troepen.

Cornelis is zoon van Jan IJsbrantszoon en Marijtje Coenendochter. Marijtje verklaart als weduwe bij de notaris zwaar getroffen te zijn door het geweld van de strijdende troepen. Zij verklaart onder ede met twee boeren als ondersteunende getuigen dat de belegeraars van Haarlem haar hooi en koren hebben geroofd. Haar man is in Noordwijk door de vijand “doorschoten en omgebracht”. Zelf is zij op de vlucht geslagen en heeft haar boerderij niet meer kunnen gebruiken. Die blijkt vervolgens ook nog eens in brand gestoken te zijn. Haar dertien melkkoeien, paard en negen schapen zijn geroofd. Marijtje vertelt de notaris dat zij tot grote armoede is vervallen, nauwelijks kleren heeft “om hare naeckte lichaem te bedecken” en volledig van haar buren (mede-inwoners) afhankelijk is geworden.

Het tragisch lot van zijn ouders trof ook Cornelis Jan IJsbrantszoon zelf want hij blijkt volgens een andere notarisakte waarin zijn weduwe Anna Dirckdochter een verklaring aflegt voor 1577 overleden te zijn, mogelijk al vijf jaar eerder. Anna Dirkszoon vertelt de notaris dat het echtpaar land van het Regulierenklooster uit Leiderdorp pachtte. Dat was gelegen aan de Kraaierslaan. Anna heeft dit land vier jaar lang niet kunnen gebruiken omdat het “op de bodem van de viant” lag. (Spanjaarskrocht, zie elders op de website). Dit land is later door de familie gekocht van het Regulierenklooster en was een kleine twee hectare groot.

Anna Dircksdochter en Cornelis Jan IJsbrantszoon kregen vier kinderen, waarvan IJsbrant met Niesje Pietersdochter Verdel de pacht van de boerderij overnemen. Bij IJsbrants naam wordt voor het eerst de achternaam Van Griecken vermeld. Niesje en haar man IJsbrant hebben meer dan 50 jaar op ’s-Gravendam gewoond en waren al die tijd pachters van de familie Van der Laen. Maar kort nadat hun zoon Jan de boerderij overneemt geeft Loyse van der Laen aan haar Noordwijkerhoutse bezit te willen verkopen.

Jan IJsbrantszoon begon dus nog als pachter op ’s-Gravendam en was daarmee de derde generatie van zijn familie. Hij trouwde Neeltje Adriaens van den Bosch, een boerendochter uit de Langevelder Pan, een buurtschap rond de kapel. Haar ouders waren Adriaen Jacobszoon en Duijfje Huijbertsdochter. De fraaie voornaam Duifje (Columba) keert terug bij een dochter van Jan en Neeltje. De prijs die het echtpaar moet betalen aan Loyse van de Laen, 8200 gulden, is voor die tijd best stevig te noemen. Toch zal de prijs voor agrarisch onroerend goed in het dorp in de 40-50 jaar na deze koop in 1642 nog flink oplopen om vervolgens af te zakken naar bedroevend lage niveaus in de 18e eeuw.

Drie jaar na aankoop van de boerderij ’s-Gravendam, in april 1645, komt Jan IJsbrantszoon van Griecken met zijn broers Cornelis en Adriaen en zus Maertje overeen hoe zij de nalatenschap van hun overleden ouders IJsbrant en Niesje zullen verdelen. IJsbrant is al 20 jaar eerder overleden, Niesje niet lang voor het opmaken van de notarisakte. Bij de verdeling komt een interessante eerdere boedelverdeling om de hoek kijken want van de percelen weiland uit de nalatenschap is het nodige afkomstig uit het bezit van Niesjes vader, Pieter Corneliszoon Verdel. Deze had in zijn testament bepaald dat zijn bezittingen na zijn dood via specifieke legaten aan zijn kant van de familie moesten worden toebedeeld. Wij zouden zeggen: uitsluiting van de “koude kant” van van zijn familie. Pieter had echter, bewust of onbewust, in de desbetreffende akte daarvoor alleen het begrip “levende kinderen” toegepast. Marijtje Cornelisdochter ’s-Gravenmade, een kleindochter deelde daarom niet mee want haar moeder Neeltje Pietersdochter Verdel was al overleden. Haar vader Cornelis ’s-Gravenmade protesteert bij het Hof van Holland. Maar de uitspraak is dat het aandeel van Neeltje haar zus Niesje en broer Cornelis toekomt. De juridische strijd van Cornelis ’s-Gravenmade leidde tot jurisprudentie waardoor we deze Noordwijkerhoutse familie zelfs terug kunnen vinden in een eeuwenoud juridisch boek, waaruit ter illustratie hier een paar knipsels opgenomen zijn.

Bij de verdeling in 1645 door de kinderen van IJsbrant Corneliszoon van Griecken en Niesje Pietersdochter Verdel ontvangt zoon Adriaen zo’n negen hectare weiland, voornamelijk in Voorhout. Zijn broer Jan IJsbrantszoon krijgt in totaal iets meer, zo’n 10 hectare, maar het zijn kleinere percelen. De broers houden één groot perceel van ruim 3 hectare onverdeeld.

Een verschijnsel dat we vaak zien bij dergelijke boedelverdelingen is de gespreide ligging van de agrarische percelen. IJsbrant en Niesje hadden weiland in Voorhout, Lisse, het Langeveld, aan de ’s-Gravendam en aan de Kraaierslaan en Schulpweg. Die spreiding lijkt niet erg handig voor een effectieve exploitatie van een boerderij maar is te verklaren omdat het bezit van twee families door huwelijk en nalatenschap bij elkaar waren gekomen. De kans om een perceel bij te kopen op korte afstand van de eigen boerderij was zeer klein, vandaar dat men blij was met elk perceel eigen bezit ook al lag het dan op een arbeidsintensieve afstand.

Om het rijtje eigenaren van de woning en buitenplaats ’s-Gravendam verder te volgen eerst een overzicht van de verschillende generaties Van Griecken en aanverwanten, waarbij we (oude) Jan IJsbrantszoon en Marijtje Coenendochter nog als stamouders meenemen, hoewel zij niet op boerderij ’s-Gravendam aan de Leeweg gewoond hebben.

Tussen Cornelis Jan Brantszoon die rond 1560 de pacht van ’s-Gravendam aanvaardde en de verkoop van de buitenplaats in 1743 door (Claude) Nicolas Jacquin ligt zo’n 180 jaar bewoning door de opeenvolgende generaties van de familie Van Griecken. Zij waren precies 100 jaar eigenaar.

Jan IJsbrantszoon van Griecken is nog geen 20 jaar eigenaar geweest, hij overlijdt voor 1660. Zijn weduwe Neeltje van den Bosch besluit bij haar dochters Marijtje en Annetje in Hillegom te gaan wonen, maar dat is van korte duur want zij verhuist naar Leiden, waar haar dochter Duijfje met haar man Cornelis van Brouckhuijzen een kruidenierszaak aan de Vismarkt runnen in het huis met de naam “In het vergulde kruis”. Cornelis Brouckhuijzen kwam oorspronkelijk uit Rijnsburg maar het echtpaar verhuisde rond mei 1659 naar Leiden, waar Cornelis die maand als poorter van de stad wordt erkend.

Neeltjes zoon IJsbrant is op jonge leeftijd overleden. Haar dochter Marijtje blijft ongetrouwd en Annetje trouwde Dirck Janszoon Croon, woonde met hem in Hillegom maar ook dit echtpaar verhuist naar Leiden. Dirck was daar vanaf 1660 enkele jaren kruidenier was, maar keerde terug naar Hillegom. Daarmee wonen de eigenaren van ’s-Gravendam vanaf circa 1660 in Leiden of Hillegom. De woning staat echter niet leeg maar wordt verhuurd aan neef Dammes Corneliszoon van Griecken. Hij is in 1682 overleden en zijn weduwe verhuisde naar Sassenheim. Niet helemaal zeker is wie de boerderij aan de Leeweg heeft bewoond tussen 1682 en circa 1700. Er is een stevige aanwijzing dat dit Huibert Corneliszoon Oostdam is geweest want hij wordt in 1683 genoemd tussen de namen van Pieter Kerkvliet en Jan Jacobszoon Sprockenburg, twee boeren die aan weerszijden van de woning ’s-Gravendam hun boerderij runden.

Het perceel waarop ’s-Gravendam gebouwd is stond min of meer ingeklemd tussen hun boerderijen Bergenslaan en de Hofstad. We kennen de precieze afmetingen van het woningperceel ’s-Gravendam want die worden genoemd in 1693. Dat jaar neemt Nicolas Jacquin 5/6e deel van het eigendom van de woning over van zijn mede-erfgenamen. Het rechthoekig perceel is 82 meter lang en 60 meter breed en daarmee bijna een halve hectare groot. (In 1743 wordt ditzelfde perceel gesteld op 391 roe = 5474 m2).

De verkoop van ’s-Gravendam aan Jacquin in 1693 vindt 13 jaar na de dood van weduwe Neeltje Adriaensdochter plaats. Haar kinderen hadden de verdeling van de nalatenschap van hun ouders nog altijd niet geregeld. Maar droevige familieomstandigheden zullen hebben bijgedragen aan het besluit om ook de weilanden te verdelen in 1694.

Vrijgezel Marijtje Jansdochter woont dat jaar nog altijd in Leiden. Haar zus Anna die met Dirck Janszoon Croon trouwde is weduwe geworden en woont in Hillegom. Duijfje Jansdochter die met Cornelis Brouckhuijzen trouwde, maar al rond 1667 is overleden kreeg met hem slechts twee kinderen, Jacoba en Maria. Maria Cornelisdochter Brouckhuijzen laat zes jaar na de dood van haar moeder haar testament opmaken, zij is nog maar 14 jaar oud. Testamenten van kinderen komen weinig voor, de reden is dat Maria via haar moeders deel in de nalatenschap van opa Jan IJsbrantszoon een aantrekkelijke erfenis mag verwachten. Haar vader Cornelis wil hertrouwen en daarvoor dient hij het aandeel van zijn dochters in de erfenis van zijn vrouw veilig te stellen. Dit gebeurt via het testament van Maria. Haar zuster Jacoba wordt haar enig erfgenaam, haar vader heeft slechts vruchtgebruik totdat beiden zussen volwassen zijn.

Jacoba trouwde later met Sijmon Barbey, krijgt met hem één dochter, Anna Maria Barbey, maar ook Jacoba overlijdt jong, slechts 30 jaar oud. Haar dochter is dan nog maar 4 jaar. Zij blijft vrijgezel en sterft op 36-jarige leeftijd. We zien veel persoonlijk leed in deze familie door vroege sterfte.

Als erfgenamen van Jan IJsbrantszoon van Griecken en Neeltje Adriaensdochter van den Bosch blijven in 1694 over: de vrijgezelle Marijtje Jansdochter van Griecken (2/6e deel), haar zus de weduwe Anna Jansdochter van Griecken (2/6e), kleindochter Anna Maria Sijmonsdochter Barbey (dochter van Jacoba Brouckhuijzen, 1/6e) en Nicolas Jacquin met zijn echtgenote Maria Brouckhuijzen (1/6e).

1690 huwelijk in Amsterdam van Nicolaas Jacquin “van Parijs” en Maria van Brouckhuijzen

Bij de verdeling worden namen van weilanden genoemd met hun afmetingen, iets wat niet vaak voorkomt in de archieven van Noordwijkerhout. Zij geven een indruk van de grootte van percelen en de termen “hoge of lage” leveren ons een indicatie over de droge of natte kwaliteit van de percelen grond. De afmetingen worden uitgedrukt in Rijnlandse Roe; 1 roe (RR) is 14,2 m2.

Maria Jansdochter van Griecken, Leiden 1/3e  of 2/6e deel: zij ontvangt het Smalle Weytje 494 roe, de Laage Wey 952 roe, het Lange Gras 580 roe en de helft van de Hooge Croft, 1702 roe. Samen 2877 RR.

Anna Jansdochter van Griecken, Hillegom; 1/3e  of 2/6e deel: de Breede Wey 1294 roe, de Voorgeest 640 roe en de Groote Voorwey 588 roe. Samen 2522 RR. Nicolaas Jaquin betaalt nog 175 gulden aan Anna Jansdochter als compensatie voor haar kleiner aandeel. De weilanden die zij ontvangt worden door haar erfgenamen in 1728 verkocht aan hun neef Claude Nicolas Jacquin.

Anna Maria Barbey dochter van Jacoba van Brouckhuijzen: 1/6e deel: vijf partijen weiland aan elkaar gelegen rondom de woning groot 231 roe, 247 roe, 113 roe, 180 roe en 385 roe. Daarnaast 1/4e in de Hooge Croft 1702 roe en de helft van een stuk teelland 555 roe met een lange uitweg op de Gooweg. Samen 1859 RR. Het aandeel dat Anna Maria Barbey verwerft zal zij via testament aan Claude Nicolas Jacquin schenken.

Maria van Brouckhuijzen met haar man Nicolas Jacquin: 1/6e deel: 1/4e in de Hooge Croft 1702 roe, de helft van het teelland 555 roe en de Haverweij 800 roe. Samen 1503 RR

Nicolas Jacquin was een koopman uit Leiden die in diverse landen zakenrelaties heeft. Hij werkte samen met zijn broer Claude, beiden kwamen oorspronkelijk uit Parijs. Nicolas trouwde in 1690 in Amsterdam met Maria van Brouckhuijzen, die toen 30 jaar oud was, hij zelf 33 jaar. Het echtpaar krijgt twee kinderen. Dochter Maria op 12 april 1691 en zoon Claude Nicolas op 12 mei 1694. Bij de laatste doop is oudtante Maria Jansdochter van Griecken getuige. De kinderen worden katholiek gedoopt in een schuilkerk in Leiden. De term schuilkerk is in deze wat overdreven, want er waren er maar liefst acht in de stad, bij iedereen bekend. Het katholieke geloof was officieel door de Staten van Holland uitgebannen maar werd breed gedoogd, dus gedoogkerk zou beter passen.

12 mei 1694, geboorte Claude Nicolas Jacquin, zoon van Nicolaas Jacquin en Maria van Brouckhuijzen

De naam van Nicolas Jacquins zoon is formeel Claude Nicolas maar hij wordt meestal als Nicola(s)s vermeld in latere documenten. Ook de schrijfwijze van de oorspronkelijke Franse familienaam Jacquin kan sterk afwijken. Dat gaf blijkbaar verwarring want er zijn akten waarin om verficatie van de persoon achter een geschreven naam wordt gevraagd. De koopmannen Nicolas en zijn zoon Claude Nicolas Jacquin maakten mede daarom waarschijnlijk gebruik van Leidse notarissen die de Franse taal goed machtig waren.

Slechts acht dagen na de geboorte van haar zoon Claude Nicolas overlijdt Maria van Brouckhuijzen in het kraambed. Kort daarvoor was de verdeling van nagelaten weilanden van haar ouders definitief gemaakt en een jaar eerder de aankoop van de woning door Nicolas en Maria. Kort na de dood van zijn vrouw benoemt Nicolas Jacquin de heren Martinus en Albert van Velde tot voogden over zijn twee kinderen, Maria en Claude Nicolas. Weduwnaar Nicolas Jacquin is niet meer hertrouwd. Hij maakt in 1704 en 1706 in twee akten zijn testament op en laat zijn bezit na aan zijn twee kinderen. Hij overlijdt in oktober 1718 en wordt begraven in de Pieterskerk.

Zijn dochter Maria Jacquin die met medicus Gerard Stoop trouwde en in Haarlem woonde is geboren op 12 april 1691. Zij werd slechts 30 jaar oud en kreeg met Gerard twee kinderen, Maria en Alida Stoop. Weduwnaar Gerard Stoop kan echter ook slechts acht jaar zijn jonge kinderen steunen in hun ontwikkeling. De weduwnaar overlijdt voor 1729 en de twee wezen worden ondergebracht bij hun neef Claude Nicolas Jacquin als voogd, hij zorgt voor onderwijs en opleiding, rekent kostgeld voor de twee zussen. In 1737 maakt hij met de twee andere voogden van de volwassen geworden Maria en Alida Stoop de eindbalans op van de nalatenschap van hun ouders Maria Jacquin en Gerard Stoop.

Uit de zeer uitgebreide boedelbeschrijving blijkt dat dit echtpaar Stoop-Jacquin behoorlijk vermogend was waarvan een deel te herleiden is naar inbreng door Maria’s vader Nicolas Jacquin (senior). Naast onroerende en roerende goederen en obligaties was er bij de dood van Gerard Stoop ook veel contant geld aanwezig volgens de boedelinventarisatie, verpakt in zakjes van 600 gulden komt het neer op een bedrag van 8640 gulden aan contanten. Tussen 1729 en 1737 zijn er ontvangsten van voornamelijk rente op de vele obligaties waarmee weer nieuwe obligaties aangekocht worden. De twee zussen Maria en Alida mogen in 1737 alleen al 43.000 gulden aan obligatiewaarde verdelen.

Alida Stoop trouwt Gosewinus Molenaar en woont aan de Brouwersgracht in Amsterdam. Maria Stoop trouwt Quilhelmus (Willem) Wenix, het echtpaar woonde aan de Binnen-Amstel in Amsterdam. Beide heren waren koopman, de één aanmerkelijk succesvoller dan de ander. Het voert te ver om hier verder op in te gaan maar het is een mooi voorbeeld hoe geld uit nalatenschappen van ouders en grootouders verdampte door pech of slecht koopmanschap.

Van belang voor het eigenaarschap van ’s-Gravendam is een kleine aantekening in de boedel van Gerard Stoop waaruit duidelijk wordt dat hij de helft van het eigendom van de inmiddels tot buitenplaats omgevormde boerderij ’s-Gravendam verkocht zou hebben aan zijn zwager Claude Nicolas Jacquin.

’s-Gravendam: van boerderij naar buitenplaats.

Naast bovenstaande boedelscheiding bevestigen ook latere documenten dat weduwnaar Nicolas Jacquin na zijn dood in 1718 zijn twee kinderen Maria en Claude Nicolas een aardig fortuin heeft nagelaten, maar helaas is geen inventaris van zijn boedel gevonden. Hij moet een rijk man geweest zijn en gebruikte dat geld ook voor de toekomst van zijn kinderen door op hun naam enkele grote obligaties aan te kopen. Alleen al van de rente ontvingen zij jaar op jaar leuke bedragen.

Vraag is wanneer hij geld gestoken heeft in het omvormen van de boerderij aan de Leeweg tot buitenplaats. Een eerste indicatie is een akte waaruit blijkt dat er overeenstemming is bereikt met de familie Van Surck, eigenaren van de naastgelegen boerderij Bergenslaan over het afzanden van een klein perceel van zo’n 500 vierkante meter en de aanplant van elsthagen als erfscheiding. Deze hagen aan de zuidzijde van ’s-Gravendam dateren dan uit circa 1696. Drie jaar later is sprake van een poging tot verhuur van de boerderij maar of dit gelukt is weten we niet. Van een buitenplaats lijkt dat jaar nog geen sprake. Na het jaar 1700 zijn er geen aanwijzingen meer dat er nog een boerderij in gebruik is. Een aantal kleine percelen direct rond de boerderij heeft Nicolas Jacquin nooit in bezit gehad, die waren in 1694 aan zijn nichtje Anna Maria Barbey toebedeeld. Deze zijn pas na 1727 eigendom van zijn zoon Claude Nicolas geworden nadat de vrijgezelle Anna was overleden en hij conform haar testament deze percelen ontvangen mocht.

Als de oude Nicolas Jacquin de aanzet heeft gegeven voor de bouw van de buitenplaats moet dit dus voor zijn dood in 1718 gebeurd zijn. Vast staat volgens de nalatenschap van zijn dochter Maria Stoop-Jacquin die al in 1721 overleed dat zij de helft van “den buijten plaats genaemt ’s-Gravendam gelegen onder Noordwijkerhout” van haar vader had geerfd. Door het specifieke begrip buijten plaats kunnen we dus met zekerheid afleiden dat Nicolas Jacquin (senior) zelf de woning heeft laten bouwen maar niet wanneer precies.

Wat hij heeft laten bouwen weten we, want dat is door de bekende gravuremaker Abraham Rademaker in 1732 vastgelegd. Waarbij Abraham een wervende tekst bij het plaatje heeft gevoegd: “Nu wenkt mij ’s-Gravendam, zo aangenaam in stand, hoe deftig is den hof versierd aan alle kant. Hoe fraay vertoont hij sich van acht’ren maar van vooren moet hij de keurigste van oogen straks bekooren”. In de laatste woorden is vooral het woordje “straks”veelzeggend, het zou kunnen verwijzen naar plannen tot uitbreiding van de buitenplaats na het jaar 1732.

1732 circa, tekening van ‘s-Gravendam door Abraham Rademaker.

In hetzelfde jaar waarin Rademaker de woning met de grote hagen tekende taxeert het dorpsbestuur de huurwaarde van de woning en corrigeert dat later naar een bedrag van 42 gulden per jaar, waarover dan elk jaar zo’n 8 % (of 3 gulden, 10 stuivers) belasting betaald moet worden. In vergelijking met buitenplaatsen als Dijckenburg (90), Houtlust (54) en Puikendam (60) wordt ’s-Gravendam (42) beduidend lager in huurwaarde getaxeerd. Dat zegt iets over de grootte van het huis dat we op de gravure zien. Het bedrag is gelijk aan dat van Hofwijk aan de Kerkstraat, waarvan nog foto’s bewaard zijn gebleven, ook niet bepaald een grote villa.

1732 Verpondingen Noordwijkerhout

Er heeft dus zeker een fraaie maar eenvoudige buitenplaats van de familie Jacquin in Noordwijkerhout gestaan aan de Leeweg. Maar hoe kunnen we dit nu afzetten tegen de fraaie gravure van ’s-Gravendam die rond 1740 gemaakt is door Francois Bleyswyk, want die laat een groot buitenhuis met een enorme praaltuin zien. Met links onder de gravure de tekst: “N.Jacquin N.fil.; Ad vivum delineavit”. Hetgeen betekent: Nicolas Jacquin Nicolaas zoon; Naar het leven afgebeeld. Rechts onder de gravure: “F. Bleyswyck fecit”, (FB…maakte het).

Rechts loopt de ’s-Gravendamse weg, tussen die weg en de woning ’s-Gravendam is een woning te zien, waarschijnlijk wordt daar de abdijboerderij de Hofstad mee bedoeld. Links naast de buitenplaats is nog net een tweede woning te zien, vermoedelijk Bergenslaan. Op de voorgrond de Maandagse Wetering. Op de achtergrond de duinen, rechtsboven zijn de Kerkstraat en de Molenweg nog te zien.

Wat te zien is klopt dus op grote lijnen met de werkelijke situatie als het gaat om aanwezige woningen, wegenpatroon en landschap. Maar toch moeten we de gravure met een korrel zout nemen, zeg maar gerust: een schep zout. Meer geloofwaardige beschrijvingen komen uit de verkoopdocumenten van de buitenplaats uit de periode vanaf 1741. Te beginnen met een verkoopadvertentie uit dat jaar waarin sprake is van de executoriale verkoop van: “een schoon, sterk herenhuis met considerabele en royale vertrekken, keuken, tuinmanshuis, stal, grote schuren, tuinhuis, alsmede een fraaie plantage van exquisite Franse vruchtbomen, moestuinen, aspergebedden, vijver en plein van lindebomen”. Dit is nog de meest uitgewerkte beschrijving, waarin uiteraard de bijvoeglijke naamwoorden (schoon/sterk, considerabele enzovoort) de potentiële kopers moeten verleiden naar de veiling te komen.

Maar meest in het oog springend zijn de woorden “executoriale verkoop”. Wat was hier aan de hand? Voor het antwoord moeten we terug naar de dood van Nicolas Jacquin senior in 1718. Zijn dochter Maria en zoon Claude Nicolas delen zijn bezit. Via Maria die drie jaar later overlijdt komt haar aandeel eerst bij haar twee dochters terecht en vervolgens wordt door hun vader en voogd Gerard Stoop besloten het aandeel in de woning ‘s-Gravendam van zijn dochters te verkopen aan hun oom Claude Nicolas Jacquin voor een bedrag van 3800 gulden. Die afspraak zou al gemaakt zijn voor 1729, het jaar waarin Gerard Stoop overlijdt. Effectief wordt Claude Nicolas volgens het Rechterlijk Archief van Noordwijkerhout pas vanaf 1735 eigenaar van die helft van de buitenplaats, als de dan inmiddels volwassen zussen Maria en Alida Stoop de erfenis van hun moeder delen. Enkele kleine percelen rond de boerderij kreeg hij enkele jaren eerder uit de nalatenschap van zijn nichtje Anna Maria Barbey toebedeeld. En hij kon in 1728 nog wat weilanden van zijn Noordwijkerhoutse voorouders kopen van andere neven en nichten, zijnde de kinderen van Anna Jansdochter van Griecken.

Daarmee had Claude Nicolas in etappes het bezit van de Van Grieckenkant van zijn familie compleet. Dan spreken we al over het jaar 1737 en het ligt niet voor de hand dat hij een ingrijpende verbouwing van de woning en inrichting van de tuin in de jaren daarvoor heeft kunnen doen zonder eigenaar van het geheel te zijn.

Bovendien blijkt dat zijn koopmansbedrijf in zwaar weer terecht gekomen is na 1730. Claude Nicolas Jacquin was net als zijn vader koopman in kledingstoffen (laken/fluweel) met onder meer relaties in Italie en Frankrijk. Hij trouwt met Elisabeth van Heijiningen uit Oude Wetering en krijgt met haar negen kinderen, waarvan er uiteindelijk maar drie volwassen zullen worden. Na 1730 is sprake van onbetaalde rekeningen van zijn buitenlandse afnemers. Claude Nicolas moet geld bijlenen, naar later blijkt onder andere van de Noordwijkerhoutse pastoor Gijsbert van der Kun. Deze niet onbemiddelde herder van de katholieke Noordwijkerhouters is mogelijk betrokken geraakt op voorspraak van Albert van Velde die in de Kerkstraat op de buitenplaats Hofwijk woonde en nauwe banden onderhield met Claude Nicolas Jacquin.

In 1733 sluit hij een drietal leningen waarvoor zijn vrouw Elisabeth borg moet staan van de geldverstrekkers. Dat gebeurde niet veel, de inbreng van een vrouw in het huwelijk was doorgaans goed afgeschermd door huwelijkse voorwaarden en wettelijke beperkingen. Maar met toestemming van beide partners kon hier van af worden geweken. De familie Van Heijningen staat mede borg voor Elisabeth en Claude Nicolas. Het tekent echter de penibele situatie waarin de koopman zich bevond. In 1735 wordt uit een notarisakte duidelijk dat zijn bedrijf onder curatele staat van een “sequestor”. Dat de woning ’s-Gravendam dat jaar geheel op naam van Claude Nicolas wordt geplaatst terwijl de helft al jaren eerder was gekocht van zijn nichtjes Stoop heeft misschien ook wel als achtergrond dat zijn Noordwijkerhoutse onroerend goed als onderpand kon gaan dienen bij het oplossen van zijn problemen.

Hoe de jaren erna precies verliepen weten we niet maar feit is wel dat in 1741 een executoriale verkoop in de Leijdse Courant wordt aangekondigd. Zover is het echter niet gekomen. Claude Jacquin heeft de veiling weten te voorkomen en de woning zal pas een jaar later verkocht worden aan de heer Stephanus Neale, voor maar 650 gulden. Niet bepaald een prijs die je aan de indrukwekkende woning en tuinen van de gravure van Van Bleyswyk zou verbinden. De overdrachtsakte spreekt over “moestuinen en plantage van de gewezen (voormalige) woning ’s-Gravendam”. Alleen een plein met zware iepen- , linden- en elzenbomen, wilgen en fruitbomen is overgebleven, drie tot vijf jaar eerder aangeplant volgens de akte. Stephanus Neale laat de woning binnen enkele jaren slopen. Claude Nicolas Jacquin is in 1743 gestorven, heeft de afbraak waarschijnlijk niet meer meegemaakt.

Dat de buitenplaats zoals die door Rademaker werd getekend in 1732 nog uitgebouwd is tot de grote woning met tuinen en lusthof die de gravure van Bleyswyk ons laat zien is onwaarschijnlijk als we de aanhoudende financiele problemen van Claude Nicolas Jacquin uit diezelfde periode doornemen. Toch moet er gezien de aanplant van bomen waar de verkoopakte over spreekt een aanzet geweest zijn voor een grotere tuin. En dan lopen we tegen een interessante vraag aan. Heeft Claude Nicolas die aanzet zelf nog gegeven of was dat zijn zoon, de later beroemd geworden botanicus en wetenschapper Nicolas Joseph Jacquin. De gravure van Van Bleyswyk geeft aan dat de gravure is gebaseerd op aanwijzingen van Nicolas Nicolaszoon Jacquin. Maar er zijn drie generaties Nicolas Jacquin, waarvan de middelste vaak zo genoemd wordt maar eigenlijk Claude Nicolas heet.

De gravure van Van Bleyswyk is veel meer een tuinontwerp dan een reële weergave van de situatie. Dat past bij de zoon Nicolas Joseph Jacquin die botanicus werd maar die was ten tijde van de verkoop van de buitenplaats nog maar 16 jaar. Het is niet onmogelijk dat de jonge man al vroeg belangstelling had voor plantkunde en tuinaanleg maar het ligt meer voor de hand dat zijn vader Claude zelf zijn ideeën heeft doorgegeven aan de gravuremaker die vervolgens ter plekke de situatie in kaart heeft gebracht. Dat vader en zoon Jacquin samen de aanplant van jonge bomen op hun buitenplaats ter hand hebben genomen ligt voor de hand en zou dan rond 1738/40 kunnen zijn gebeurd, gelet op de leeftijd van de aanplant.

Dat brengt ons naar een interessante slotgedachte. Nicolas Jozeph Jacquin wordt op latere leeftijd een beroemd man, geroemd om zijn kennis van de plantenwereld. Hij onderhield contact met de nog bekendere collega Linnaeus en bouwde naam en faam op in Wenen. Op tal van manieren wordt zijn persoon en werk herdacht. Op munten, postzegels, een buste in de universiteit van Wenen. Ook kreeg hij de adellijke titel van Freiherr (baron). Zijn gezin en zijn zuster Agatha woonde in Wenen en raakte daar bevriend met Wolfgang Amadeus Mozart. Een zoon en dochter van Nicolas maakten als vrienden van de beroemde componist muziek met hem, er werd avonden gehouden “chez les Jacquins”. Er is veel over hen te vinden.

De wereld wordt klein als je bedenkt dat deze familie en muziekvrienden van Mozart ooit aan de Leeweg genoten van hun buitenverblijf op de voormalige boerderij van hun Noordwijkerhoutse voorouders Van Griecken.

Geef een antwoord

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.