Je bekijkt nu Buitenplaats Duin en Dal van Nicolaas de Stoppelaar
Familie Hartingh op Duin en Dal; scan van een artikel uit de rijke verzameling van Peter van den Burg

Buitenplaats Duin en Dal van Nicolaas de Stoppelaar

Op deze website komt de Haagse Nicolaas de Stoppelaar ruim aan bod vanwege zijn bijzondere leven en zijn flinke onroerend goed bezit in Noordwijkerhout. In dit verhaal gaan we in op de buitenplaats Duin en Dal die deze notaris en jurist vanaf 1770 bouwde aan de Herenweg. Hij heeft er ook daadwerkelijk gewoond, zij het kort vanwege de financiële problemen waar hij binnen enkele jaren in terecht kwam. Zie hiervoor op de website het verhaal: de Prinses en de Student.

Het dorp Noordwijkerhout kent vele locaties waar vermogende Hollanders hun geld staken in de aankoop en bouw van hofsteden, buitenverblijven of buitenplaatsen. In verreweg de meeste gevallen gaat het dan om boerderijen met een apart “heerenhuis” voor de eigenaar die gedurende enkele dagen of weken de frisse plattelandslucht op kwam snuiven. Er zijn maar weinig families geweest die zich daadwerkelijk inwoner mochten noemen door een jaarrond verblijf in het dorp. Bij de hier besproken buitenplaats Duin en Dal gaan we er vooralsnog van uit dat het gebouw specifiek is neergezet door De Stoppelaar om in zijn beperkte vrije tijd van het landelijk leven te kunnen genieten. Veel klanten zal hij immers als notaris en jurist nooit hebben gehad in het dorp, dat slechts een kleine 700 inwoners telde.

Van de buitenplaats Duin en Dal is niets meer terug te vinden. De keuze van deze naam door Nicolaas de Stoppelaar heeft mogelijk nog een historisch tintje. In Noordwijkerhout stond waarschijnlijk op of nabij dezelfde locatie de veel oudere hofstede “Bergendael”, gelijknamig overigens aan een hofstede aam de ’s-Gravemda, in Voorhout. Waar Bergendael in ons dorp precies stond wordt hopelijk nog eens gevonden want deze hofstede wordt al zeer vroeg genoemd in de archieven. De locatie van Duin en Dal is vrij precies aan te geven door een vroege kadasterkaart te vergelijken met de huidige situatie.

We kunnen aan de hand van een grafsteen in de Witte Kerk nog een bruggetje slaan naar de voorgeschiedenis van de buitenplaats want deze werd gebouwd op het erf van boerderij “De Vier Schoorsteenen”. Cornelis Gerritszoon van der Cluft (Klugt) die in de Witte Kerk begraven werd in 1646 was eigenaar van deze boerderij en tevens burgemeester van het dorp, zoals zijn grafsteen ons trots laat weten.

Dat burgemeesterschap was overigens in een periode waarin de dorpsbestuurders fouten gemaakt hadden bij de heffing van de belasting en daarvoor ook hoofdelijk aansprakelijk gesteld werden door de Staten van Holland. Het heeft Cornelis-onder-de-steen behoorlijk wat problemen opgeleverd en zijn weduwe Neeltje Dircksdochter Arxhouck raakte zo sterk in de schulden dat zij drie jaar na zijn dood haar vee en boerengereedschap moet verkopen. Ook haar erfgenamen plukten nog de wrange vruchten van deze belastingkwestie. Het echtpaar had geen kinderen en liet haar bezit na aan vrienden en aan de dienstmeid Harmentje Barendsdochter die tientallen jaar had ingewoond bij het echtpaar. De de boerderij maakte geen deel uit van de nalatenschap want die was al in 1635 verkocht aan Leidenaar Jan Claeszoon van Lijn.

De grafsteen van boer en burgemeester Cornelis Gerritszoon van der Cluft (Klugt) in de Witte Kerk

Uit gegevens uit circa 1650 blijkt dat Jan Van Lijn “timmeragie” (verbeteringen) aan zijn boerderij uitgevoerd heeft die tot een hogere taxatiewaarde leidde. Daar mogen we voorzichtig uit concluderen dat het in de bedoeling lag van Jan van Lijn om dit bezit als buitenverblijf voor zijn familie te gebruiken.

In het verleden werd belasting betaald over het aantal haardsteden (schoorstenen) waarover een gebouw beschikte. De naam De Vier Schoorsteenen suggereert dat het gebouw status had en dat valt ook af te leiden van het feit dat in een lokaal belastingregister sprake is van een “hofstede” waar de meeste andere boerderijen als “bouhuijs” worden vermeld. Dit gegeven uit 1732 sluit aan op de verbeteringen die Jan van Lijn 80 jaar eerder had doorgevoerd. Na hem is het gebouw via vererving in bezit gekomen van Leidenaar Hugo van Gaal.

Nu stonden er in de 18e eeuw meer boerderijen aan de Herenweg dan de meeste lezers bekend in de oren zullen klinken. De boerderijen Erffoort (nu circa huisnummer 300) en de Kokmeeuw (circa nr 140) kennen veel mensen nog van naam maar in een rijtje van vijf hoorden daar ook de Vier Schoorsteenen en twee afgebroken, naamloze boerderijen bij. Dit vijftal boerderijen stond opmerkelijk dicht bij elkaar, gebouwd aan de lage zijde van het binnenduin, met de bijbehorende weilanden oostelijk daarvan, in de Hoogeveense polder. Aan de westzijde het Kerkeduin dat gepacht werd voor de konijnenvangst door duinmeiers.

Als Hugo van Gaal, de eigenaar van de hofstede De Vier Schoorsteenen overlijdt in 1720 blijft zijn bezit nog bijna vijftig jaar onverdeeld door zijn vele erfgenamen. De hofstede wordt pas in 1769 verkocht aan Nicolaas de Stoppelaar, op dat moment is Hendrick Corneliszoon Oostdam pachter. Hij volgde zijn vader Cornelis Symonszoon Oostdam op die al voor 1715 genoemd wordt. In genoemde halve eeuw kunnen de erfgenamen mogelijk nog gebruik hebben gemaakt van de hofstede als buitenverblijf maar gezien hun woonplaatsen ligt dat niet voor de hand.

Nicolaas de Stoppelaar koopt in augustus 1769, net 22 jaar oud, hofstede De Vier Schoorsteenen met in totaal 36 morgen en 479 Rijnlandse Roe aan weilanden, omgerekend is dat een kleine 30 hectare. Sommige weilanden worden met naam genoemd zoals de Kuijkencamp en de Hooge Weijde. Nicolaas, nog altijd student aan de Leidse universiteit, betaalt 5.125 gulden, hoogstwaarschijnlijk contant afgerekend. In een advertentie van november van hetzelfde jaar wordt duidelijk dat De Stoppelaar de boerderij direct een nieuwe naam gegeven heeft want er is sprake van de verkoop van stookhout op “de hofstede Duin en Dal, vanouds bekend als De Vier Schoorsteenen”. Nicolaas laat zien direct profijt te willen trekken van zijn nieuwe bezit, de houtverkopen komen jaarlijks terug, net als de verkoop van wat vee, waarvan een deel maar net hersteld was van de runderpest, die het land regelmatig teisterde.

Een jaar eerder, in 1768, had De Stoppelaar al de naastgelegen boerderij de Kokmeeuw aangekocht die hij verpachtte aan Leendert Heemskerk. Verkoper is Pieter Boers, de schout, secretaris en notaris van Noordwijkerhout. Dat iemand met dergelijke belangrijke bestuurlijke functies in het dorp voor eigen rekening in onroerend goed kon handelen zouden we in onze tijd zeer dubieus vinden. Vooral omdat blijkt dat Boers fors verdiende aan de verkoop van de Kokmeeuw. Hij kocht de boerderij met percelen weiland in 1754 en 1766 voor een totaalbedrag van 709 gulden. Nicolaas de Stoppelaar moet hem 1400 gulden betalen. Honderd procent winst voor Pieter Boers, die zelf in Katwijk woonde. En dit was niet de enige keer dat deze bestuurder flink verdiende aan een transactie in Noordwijkerhout.

Uit de verkoop van bouwmaterialen in 1769 kunnen we afleiden dat Nicolaas zijn bouwplannen voortvarend heeft aangepakt en leegstaande gebouwen liet afbreken. Er worden omheiningen geplaatst om de konijnen te weren. Bos wordt gekapt of uitgedund. De Stoppelaar schept kortom orde op zijn terrein en pakt misbruik door pachters aan. Vier jaar later, in 1773, volgt opnieuw verkoop van een flinke partij sloopmateriaal. De sloopmaterialen bestaan dan voornamelijk uit houtwerk, wat stenen en maar liefst 5.000 rode pannen. Wat in 1769 en 1773 precies is afgebroken blijft onduidelijk. Mogelijk is dat de naamloze boerderij van de familie Van Velsen die niet ver van de buitenplaats stond. Een groot deel van de Vier Schoorsteenen is dan nog altijd in gebruik als boerderij en wordt in 1774 door De Stoppelaar verhuurd aan Engel Heemskerk.

Het huurcontract bevat enkele opmerkelijke details. Zo behoudt verhuurder De Stoppelaar het voorhuis en het koetshuis met de stal erachter en mag hij de waterpomp blijven gebruiken. Hij verwacht levering van boter, melk, zoetemelk, karnemelk en room zoveel hij nodig heeft, dat alles tegen vastgestelde vergoedingen. De vruchten uit de boomgaard mag de boer niet plukken, hij mag geen bomen omhakken maar wel de afgewaaide takken gebruiken. Hierna volgen nog een aantal bepalingen, voornamelijk beperkingen van de vrijheid van de huurder. Het zijn details die in vergelijkbare huurcontracten niet voorkomen en kenmerken de persoon van Nicolaas de Stoppelaar. Rechtlijnig, beetje pietluttig, maar niet onrechtvaardig. Zo is er een bepaling met betrekking tot sterfte van dieren als gevolg van de runderpest. Voor elke gestorven koe, os of stier mag de huurder 10 gulden van de huurprijs afhalen. Voor een vaars 5 gulden. Dus een tegemoetkoming van de vaak zo kil overkomende De Stoppelaar voor zijn huurder als de runderpest hem trof.

De koopwoede van de inmiddels tot notaris benoemde Nicolaas houdt enkele jaren aan. Zoals toegelicht in het verhaal de Prinses en de Student verkeerde hij vanaf 1772 in groeiende financiële problemen. Gek genoeg leren we juist uit zijn faillissement details kennen over het gebouw Duin en Dal. Ondanks pogingen om verkoop van zijn Noordwijkerhoutse bezit te voorkomen weten zijn schuldeisers hem zover in de hoek te drukken dat Nicolaas geen kant meer uit kan. De afhandeling van de gedwongen verkoop in 1775 is interessante geschiedenis. De hofstede Duin en Dal met vele weilanden wordt per openbare veiling verkocht, net als herberg De Gouden Leeuw, beter bekend als het Rechthuis. Ook de grafkelder van De Stoppelaar in de Witte Kerk wordt aanvankelijk ter verkoop aangemeld, maar blijft uiteindelijk zijn eigendom. Hij wordt in zijn grafkelder begraven in 1786, naast zijn jong overleden broertje die eerder in de kelder was bijgezet.

Overzicht te veilen boedel Nicolaas de Stoppelaar

Het Kerkeduin van Noordwijkerhout, een schenking van zijn oma Johanna Mens valt buiten deze gedwongen verkoop en dat geldt ook voor het voormalige kasteel De Boekhorst dat De Stoppelaar in 1772 kocht met bijbehorende landerijen van de Vlaamse prinses de Rubempré. Deze beperking van schuldeisers was ten eerste omdat betrokken vaklui hun werk alleen hadden verricht voor verbouwing van de voormalige hofstede De Vier Schoorsteenen. En ten tweede omdat alleen de in het schema vermelde percelen als onderpand waren gesteld voor leningen die Nicolaas de Stoppelaar had afgesloten. Daarnaast liep al in die periode een geschil tussen De Stoppelaar en de Vlaamse prinses als voormalige eigenaresse van het kasteel over de mogelijke onrechtmatigheid van de aankoop van het kasteel en heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst. Formeel was e.e.a. nog niet overgedragen.

In totaal wordt circa 82 hectaren aan landerijen geveild met daarop drie boerderijen. De Kokmeeuw, de hofstede Duin en Dal en het boerderijgedeelte van de voormalige hofstede de Vier Schoorstenen. (Van een voor- of poortwoning aan de Trekvaart genoemd bij latere verkooptransacties, is bij deze veiling nog geen sprake!). Daarnaast wordt het Rechthuis bij de Witte Kerk aangemeld voor de veiling, maar daar wordt niet op geboden, het ambachtsbestuur koopt dit later “onder de hand” voor 2.000 gulden. Bij de omschrijving van de te veilen percelen worden ook de jaarlijkse belastingbedragen genoemd, uitgedrukt in guldens, stuivers en penningen. In totaal bedroeg de jaarlijkse last iets meer dan 220 gulden (213gld/122st/87p). Waar elders in het dorp nog allerlei oude rechten financiële lasten konden vormen was het bezit van De Stoppelaar “vrij van de heer zijn recht”. De jaarlijkse belasting was gezien de omvang van het bezit goed terug te verdienen door De Stoppelaar, je zou dit bezit zelfs een goede investering kunnen noemen. Als voorbeeld: alleen al de bovengenoemde verhuur van de Vier Schoorsteenen aan Engel Heemskerk leverde hem 400 gulden per jaar op, ruim meer dan de totale jaarlijkse belastingsom. De financiële problemen van De Stoppelaar lagen dan ook op een ander vlak.

Bij openbare veilingen werden percelen eerst per nummer in bod gebracht en later vaak nog in combinatie. Dat is hier ook het geval geweest. Voor 18.400 gulden wordt Leidenaar Nicolaas Hartingh eigenaar van de nummers 1 tot en met 5, het belangrijkste deel, waaronder de buitenplaats Duin en Dal. De rest gaat naar verschillende nieuwe eigenaren.

De totale opbrengst van ruim 21.000 gulden moet nu door het ambachtsbestuur verdeeld worden over de schuldeisers, die na de veiling per advertentie in regionale kranten opgeroepen worden zich te melden. In een eerste bijenkomst van de schuldeisers bij het gerecht van Noordwijkerhout wordt vastgesteld wie terecht een claim mag indienen voor een deel van de veilingopbrengst. Gerrit Santen, een timmerman uit Noordwijkerhout die rasterwerk en twee hekken had geplaatst in opdracht van De Stoppelaar heeft zich niet gemeld als schuldeiser en meent via een eigen procesgang zijn geld alsnog te kunnen vangen, een bedrag van bijna 350 gulden. Hij sleept Nicolaas Hartingh, de nieuwe eigenaar van Duin en Dal voor het gerecht maar vangt daar uiteindelijk bot omdat deze immers geen opdrachtgever was geweest voor het rasterwerk en hekken. Uit een advertentie uit november 1771 weten we dat het werk van Gerrit Santen het stellen van zo’n 500 strekkende meter aan rasterwerk of heining betrof.

Aanbesteding aanleg rasterwerk rond de buitenplaats november 1771

De andere schuldeisers betreft allereerst weduwe Jacobina van Wassenaar, Vrouwe van beide Katwijken die een grote lening had verstrekt aan De Stoppelaar. Zij laat zich vertegenwoordigen door een procureur of jurist. Datzelfde geldt voor Hermanus Buijte, Abraham Evers, Cornelis Weldijk, Arij de Baar en Cornelis Soutman. Een Amsterdamse procureur neemt de zaken waar van de interieurverzorgers of behangleveranciers Campagne en Lichtenberg uit die stad. Daarnaast zijn er nog een aantal privépersonen, die kleine bedragen tegoed hebben: de weduwe Van der Klugt, Floris Zwanenburg, Andries Walewijn, Frans Binnendijk en Casper Maarschalk.

Binnen enkele maanden bereikt het gerecht een akkoord met de schuldeisers. Dat levert de volgende verdeelstaat op.

Akkoord over de verdeling van de opbrengst van de verkochte goederen, november 1775
Totaal opbrengst is 21.377 gulden.
Hiervan worden afgetrokken de veilkosten, trekgeld, wijngeld, executiekosten en vacatiekosten van de betrokken ambtenaren, samen 1.274 gulden. Blijft over ter verdeling 20.102 gulden.
De dorpsrechters stellen vast dat alles is gedaan om belanghebbenden tijdig op de hoogte te stellen van de verdeling van de opbrengst en preferentiestelling. Claims van nieuwe schuldeisers zullen dan ook niet meer erkend worden. Zij brengen vervolgens eerst een bedrag van 979 aan publicatie- en uitvoeringskosten van de verdeling  als min-post op het te verdelen bedrag aan (20.102-979).
De dorpsrechters trekken hierop aan nog te betalen dorpsbelasting een bedrag af van ruim 874 gulden.  Aan poldergelden moet nog afgetrokken worden bijna 50 gulden (71 morgen x 15 stuivers per morgen en nog 2 gulden aan Mallegatskosten, geeft bij elkaar 52 gulden als aftrekpost (20102-979-874-52 = 18.197 gulden).

Uit het saldo wordt door de burgerrechters eerst de vaklieden een uitkering toegekend omdat zij voor het behoud van het onroerend goed reparaties hebben verricht en materialen geleverd in 1772 en 1773. Hiervoor dienen zij per eed te verklaren dat hun claim alleen reparatiewerk betreft:
– Rietdekker Floris Zwanenburg: 12 gulden (zelf deel uitmakend van het gerecht!)
– Timmerman Herman Buijte:194 gulden.
– Timmerman Arij de Baar ontvangt 188 gulden.
– Metselaar Johannes Roosendaal uit Den Haag: 210 gulden.
– Timmerman Andries Walewijn: 25 gulden. Zij ontvangen ieder hun volle claim
 
– Kalkbrander Cornelis Soutman van de Zilker kalkovens: 193 gulden voor geleverde kalk.
– Loodgieter en leidekker Cornelis Weldijk, Haarlem: 180 gulden
– Loodgieter Abraham Evers uit Heemstede: 237 gulden Deze drie ontvangen 50 % van hun originele claim.

Conform een deal met de grootste schuldeiser, de douairière Van Wassenaar ontvangen drie personen een overeengekomen bedrag (50%):
– smidsweduwe Van der Klugt 73 gulden
– metselaarsweduwe Elfrink 300 gulden
– glazenmaker Casper Maarschalk: 79 gulden.

Toegekende claims, alles bij elkaar zo’n 1.695 gulden.
Per saldo blijft (afgerond) een bedrag over van 16.502 gulden.
Dit bedrag komt volgens de burgerrechters de douairière Van Wassenaar toe als compensatie voor twee obligatieleningen van 30 en 9 duizend gulden, met rente gerekend vanaf 22 mei 1774, de datum waarop deze twee leningen door de heer De Stoppelaar en de douairière Van Wassenaar zijn samengevoegd en door het ambachtsbestuur zijn bekrachtigd.

De Amsterdamse stoffen- en behangselleveranciers Campagne en Lichtenberg vissen dus zover we kunnen nagaan achter het net, onduidelijk is waarom hun rekening van 1.265 gulden niet meegenomen is in de schuldsanering, hiervan was slechts 298 gulden betaald door De Stoppelaar. Optie is dat koper Hartingh hen tegemoet gekomen is, bijvoorbeeld omdat behangsels in die tijd (herbruikbaar) verwijderd hadden kunnen worden..

De burgerrechters concluderen dat hiermee de preferentiekwestie voor de schuldeisers betreffende de opbrengst van de Noordwijkerhoutse goederen van Nicolaas de Stoppelaar afdoende geregeld is maar stellen ook dat de schuldeisers het recht behouden om het restant van hun vordering via andere kanalen alsnog te ontvangen. Dit laatste lijkt een belangrijk verschil ten opzichte van onze tijd, voor de rest zijn er in de behandeling van deze zaak 250 jaar geleden veel overeenkomsten te ontdekken.

Door het noemen van de beroepen van de verschillende schuldeisers krijgen we een aardig beeld van het werk dat geleverd is bij de verbouwing van de hofstede De Vier Schoorstenen tot buitenplaats Duin en Dal. Wat vooral opvalt is dat er geen leverancier van stenen wordt genoemd, wel de levering van een bescheiden bedrag aan kalk (cement). Het is dus maar de vraag in hoeverre het gebouw dat hieronder verder besproken wordt was opgetrokken uit baksteen.

Familie Nicolaas Hartingh, eigenaar 1775-1798

Leidenaar Nicolaas Harting(h), de nieuwe eigenaar van Duin en Dal is met zijn gezin vereeuwigd op een schilderij van Louis van der Puyl uit circa 1780. Het schilderij is privébezit en was alleen in 1965 in het openbaar te zien omdat het deel uitmaakte van een tentoonstelling over interieurs uit de Pruikentijd. In de bijbehorende catalogus was onderstaande zwart-wit foto opgenomen, de kleurenfoto boven dit verhaal is een scan die uw schrijver mocht maken van een artikel dat over de tentoonstelling is verschenen. Dat artikel maakt deel uit van de prachtige verzameling historisch beeldmateriaal van Peter van den Burg.

Gezin Hartingh op buitenplaats Duin en Dal door schilder Van der Puyl, foto uit brochure tentoonstelling 1965

De foto laat op de achtergrond de buitenplaats Duin en Dal van de familie Hartingh zien, althans het huis op het schilderij wordt beschreven als de buitenplaats Duin en Dal. Een flink gebouw van drie verdiepingen, dat overeenkomsten vertoont met het huis dat dezelfde familie Hartingh bezat aan het Rapenburg in Leiden. Toch mogen we stellen dat het getoonde huis daadwerkelijk aan de Herenweg in Noordwijkerhout gestaan heeft. Een belangrijke aanwijzing daarvoor is de trap bij de voordeur die op het schilderij is weergegeven. Bij de afbraak van het huis wordt die trap specifiek genoemd, 8 treden hoog. De voordeur van het Rapenburghuis is op straatniveau.

Nicolaas Hartingh is in 1752 in Batavia geboren als zoon van een rijke koopman. Op jonge leeftijd wordt hij naar het moederland gestuurd voor een opleiding tot jurist. Voor zijn huwelijk woont hij in Rotterdam en vervult op zeer jonge leeftijd al meerdere bestuursfuncties. In 1772 trouwt hij met jonkvrouw Louisa Ernestine Meijners, dochter van een generaal-majoor bij de Cavalerie. Het echtpaar woont een paar jaar op het kasteel Duivenvoorde in Voorschoten, daar worden ook hun eerste twee kinderen geboren. Daarna volgen, bijna jaar op jaar nog elf kinderen, die op één na in Leiden worden gedoopt, waar het gezin woont op het Rapenburg. Dat ene kind, Wilhelmina Henrietta Ernestina Hartingh, wordt op 11 juli 1790 in de Witte Kerk van Noordwijkerhout gedoopt en de conclusie ligt dan voor de hand dat zij op de buitenplaats geboren is.

1790. Doop van dochter Wilhelmina Hartingh in de Noordwijkerhoutse Witte Kerk

Nicolaas Hartingh wordt bestuurder in de vroedschap van Leiden, is één van de burgemeesters van zijn stad. Het gaat hem financieel voor de wind getuige de vele transacties waar hij bij betrokken is. De familie behoort tot de Leidse elite en blijft banden onderhouden met overzeese koloniën. Een zwager van Nicolaas was werkzaam in Essequebo, een kolonie in Guyana, Zuid-Amerika, dat tot 1814 onder Hollands bestuur viel. Het gebied bestond voornamelijk uit plantages waar slaven te werk gesteld werden. Een zoon van het echtpaar Hartingh vertrekt naar deze kolonie en wordt daar secretaris van het bestuur maar sterft er op jonge leeftijd. Volgens een Leids onderzoek naar het slavernijverleden van de stad blijken de banden van de familie Hartingh met ons koloniaal verleden ook nog op een andere wijze. De familie zou een “Moor” in dienst gehad hebben, waaronder volgens de onderzoekers een zwarte slaaf verstaan mag worden. Als dit het geval is geweest is het niet uitgesloten dat deze man ook in Noordwijkerhout geweest is waar de familie veel tijd doorbracht op haar buitenplaats Duin en Dal. Voor velen van de bewoners van het dorp zal de komst van de Moor ongetwijfeld een eerste kennismaking met een gekleurde medemens zijn geweest.

Opnieuw via een openbare veiling wordt Nicolaas Hartingh eigenaar van het Kerkeduin van Noordwijkerhout, neemt ook dit belangrijke deel van het binnenduin over van de failliete Nicolaas de Stoppelaar. Daarmee nadert zijn bezit in Noordwijkerhout de omvang van 200 hectare en overschrijdt dit getal als de Heerlijkheid de Hooge Boekhorst met bijbehorende landerijen na de dood van De Stoppelaar toegevoegd wordt. Nicolaas Hartingh mag zich als eigenaar van het heerlijkheidsrecht vanaf 1788  “Heer van de Boekhorst” noemen en staat zo ook vermeld in documenten.

Nicolaas Hartingh geeft de notaris D’Ange de bevoegdheid om namens hem op te treden in zakelijke en juridische kwesties die spelen rond zijn buitenplaats Duijnendaal, nodig o.a. omdat schuldeisers van De Stoppelaar probeerden nog wat schuld op Hartingh te verhalen. 1775

Zakelijk succesvol en bestuurlijk actief, het past bij een lid van de elite uit de late 18e eeuw. Maar Magere Hein maakt geen onderscheid tussen sociale klassen en het grote gezin van Nicolaas en Louisa Hartingh wordt getroffen door een besmettelijke, dodelijke ziekte. In het najaar van 1795 sterven kort na elkaar Nicolaas en twee van zijn kinderen. Weduwe Louisa meldt dit in een aandoenlijk bericht in een regionale krant. Na de eerdere dood van een zoon blijft zij achter met 10 jonge kinderen, waarvan de oudste slechts 22 jaar is. En daar blijft het niet bij, want Louisa zelf overleeft haar man nog geen drie jaar. Zij overlijdt, 43 jaar oud, in de avond van 1 april 1798 op haar buitenplaats Duin en Dal. De plek waar zij waarschijnlijk haar laatste levensjaren heeft gewoond, zoals blijkt uit vermelding van haar woonplaats in enkele documenten. Louisa Meijners wordt in Leiden begraven.

De voogden over de tien kinderen staan voor de zware taak het omvangrijk vermogen van het echtpaar zo goed mogelijk voor de kinderen te beheren en besluiten tot verkoop van het Noordwijkerhoutse bezit, waaronder de buitenplaats, de boerderijen met weilanden en het Kerkeduin. Heerlijkheid De Boekhorst met een kleine 10 hectare weiland wordt een jaar later separaat verkocht. De heerlijkheidsrechten waren overigens dat jaar niets meer waard omdat dit oude systeem enkele jaren eerder door de bestuurders van de Bataafse republiek was afgeschaft. Dit recht is in de 19e eeuw hersteld, maar had weinig status meer.

De buitenplaats Duin en Dal wordt met de boerderijen de Kokmeeuw en een voorwoning aan de Trekvaart per openbare veiling verkocht op de Burcht te Leiden. De voorwoning, eveneens Duin en Dal genoemd, was een kleine boerderij bij de ingang van de Laan van Duin en Dal die vanaf de Vaart naar de buitenplaats aan de Herenweg leidde. Omdat deze woning nog geen deel uitmaakte van de gedwongen verkoop door De Stoppelaar mogen we ervan uitgaan dat dit boerderijtje door de familie Hartingh is gebouwd, waarschijnlijk kort na de aankoop van Duin en Dal in 1775. Op dezelfde plek vinden we nu nog altijd een boerderij, een in 1863 vernieuwde versie van de poortwoning met dezelfde naam, in dat jaar voorzien van een monumentaal hek van het afgebroken kasteel Abcoude, waarvan helaas de bovenste helft afgezaagd is.

Noot sept ‘21: helaas wordt als bouwjaar van deze boerderij aan de Leidse Vaart nog altijd 1880 vermeld in de monumentengids van Noordwijkerhout, maar deze prachtige boerderij Duin en Dal is dus zo’n 17 /18 jaar ouder JD

Voor dit verhaal beperken we de beschrijving van de openbare veiling uit 1798 tot details over de buitenplaats, een gebouw van slechts 35 jaar. Het geeft een goed beeld welke kwaliteit of luxe de woning kende. Aangeboden wordt: “…Een extra vermakelijke, welgelegen, zeer uitgestrekte en profitable hofstede, genaamt Duijn en Dal, met deselfs ruijme, hegte, sterke, commodieuse, zeer logeable en binnen weinig jaaren geheel nieuw getimmerde huijzinge, voorzien met diverse spatieuze zo behangen als andere kamers en vertrekken, zeer ruijme zolder, keuken, mangelvertrek, kelders en verdere commoditeiten. Voorts een ruime stalling voor zes paarden, koetshuijs, tuijnmanswoningh, orangerie, trekkassen en verdere getimmerten. Mitsgaders derselver lanen, waaronder een breede eigen laan naar de Trekvaart, lang 362 roeden, voorts bosschen, boomgaarden, moestuijnen, menagerie en visrijke vijvers…”.

De beschrijving vervolgt met de beschrijving van de landerijen, noemt pachters en contractverplichtingen en vermeldt bijkomende kosten voor de koper. Interessant aspect is dat er naast de buitenplaats slechts twee boerderijen genoemd worden. Naast de Kokmeeuw is dat de voorwoning of poortwoning aan de Trekvaart. Dit bevestigt de afbraak van twee oude boerderijen in dit gebied: de boerderij die we hier voor het gemak “Van Velsen” zullen noemen omdat deze familie lang eigenaar was en daarnaast nog het resterende boerderijdeel van de Vier Schoorsteenen. Hoewel het niet onmogelijk is dat met de genoemde tuinmanswoning dit boerderijrestant bedoeld wordt.

Carel Frederik Brand 1798-1804

Op de veiling die in juni 1798 wordt gehouden is Carel Frederik Brand de hoogste bieder, hij koopt het geheel voor 27.160 gulden. Carel Frederik Brand was Heer van Willige-Langerak en getrouwd met jonkvrouw Bartholomea Braet, Vrouwe van Sevender. Carel Brand was onder meer advocaat voor het hof van Justitie en auditeur en secretaris van de rekenkamer van de domeinen van Holland. Hij maakte deel uit van de hofhouding van Willem de Vijfde tot het uitroepen van de Bataafse Republiek. Vanwege zijn nauwe betrokkenheid bij het prinselijk hof krijgt Brand het in die Republiek niet makkelijk, wordt als bestuurder buitenspel gezet. Bij het echtpaar Brand-Braet, dat in Den Haag en Voorburg woonde, is onduidelijk wat zij met Duin en Dal wilden. We weten niet zeker of zij het gebouw als buitenplaats gebruikt hebben of dat het simpelweg een investering was. In 1802 wordt in een document gesteld dat zij “wonende zijn in de ambachte van Noordwijkerhout” . Dat veronderstelt gebruik als woning. De aankoop van boerderij Veenhuijzen aan de Trekvaart naast de poldermolen in datzelfde jaar versterkt de gedachte dat het echtpaar een plan voor hun bezit in het dorp gehad moet hebben. In het geval van Veenhuizen gaat het hen niet om de woning want die laten zij afbreken.

Dat Carel Brand als (voormalig) lid van de rekenkamer van de domeinen waaronder de binnenduinen vielen, goede kennis gehad moet hebben van het gebied is niet denkbeeldig. Kort voor zijn aankoop van Duin en Dal en het Kerkeduin had een onderzoekscommissie van de Bataafse Republiek de Hollandse duinen uitvoerig bekeken en was tot de conclusie gekomen dat het binnenduin van Noordwijkerhout veel potentie had als landbouwgebied. Men verbaasde zich over het geringe gebruik van de mogelijkheden in het verleden door de dorpsbestuurders. Maar we kunnen helaas niet bewijzen dat dit een rol gespeeld heeft bij het besluit van Carel en Bartholomea Brand tot hun aankoop van de buitenplaats in 1798, waar het Kerkeduin prominent deel van uitmaakte.

Opmerkelijk is dat zes jaar na aankoop Duin en Dal alweer te koop wordt gezet. Hoewel het echtpaar Brand in die periode enkele flinke leningen afsluit toont de aankoop voor 7.500 gulden van boerderij Veenhuizen aan dat zij in 1802 nog over voldoende middelen beschikten, dus geen acute geldnood kenden. Enige indicatie voor een mogelijke krappe beurs is dat bij één lening niet alleen Carel Brand maar ook zijn vrouw garant moet staan voor terugbetaling; hiervoor moesten hun huwelijkse voorwaarden worden aangepast. Zo’n bepaling is zeldzaam bij leningen.

Feit blijft dat al het bezit van het echtpaar Brand in 1804 verkocht wordt aan Pieter Jansen uit Schipluiden. Hij betaalt 36.000 gulden voor de buitenplaats, het Kerkeduin, boerderij de Kokmeeuw en de landerijen van de afgebroken boerderij Veenhuijzen. Het echtpaar Brand heeft al met al nog een kleine winst mogen boeken van enkele honderden guldens. Pieter Jansen splitst zijn aankoop op en verkoopt de percelen separaat in de jaren erna. In de Hoogeveense polder krijgen veel percelen dan ook verschillende nieuwe eigenaren. In het relatief jonge gebouw Duin en Dal ziet Pieter Jansen geen toekomst als buitenverblijf, hij laat het afbreken en biedt de sloopmaterialen te koop aan. De verkoop verschaft ons wat inzicht in de omvang en kwaliteit van de woning Duin en Dal.

Aangeboden worden: schoorsteenmantels en vloertegels uit marmer en anderszins, gave behangsels van doek en papier, 130 “grijne” binten van 22 voet (7 mtr), 40 binten van 7 tot 11 voet, 700 zolderdelen van 22 tot 30 voet lang, extra mooie schuiframen, deuren en deurkozijnen van verschillende hoogten en breedten, binnenkasten, fornuizen en pompen, hardstenen zarken, plinten en dorpels (zijnde het bordes van het huis 8 treden hoog) en verder vele soorten hout en steen, waaronder een groot aantal beste Utrechtse moppen, puin en dakpannen.

In andere verkoopronden volgen nog plantenmateriaal en bomen, kassen en menagerieramen, zonneschermen, timmer- en brandhout, tuinmans- en boerengereedschap, een baggerpraam vis- en vogelnetten, een paar wagens of rijtuigen en tenslotte enkele paarden.

De buitenplaats Duin en Dal, het ambitieuze project van Nicolaas de Stoppelaar, dat in opzet en uitvoering te vergelijken is met Dijckenburg aan het Westeinde, kende een triest en roemloos einde.

Geef een antwoord