Een onderzoek is niet af zolang er nog bronnen te onderzoeken zijn. Dat geldt ook voor het onderzoek naar kasteel en heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst, waarover op deze website al de nodige verhalen verschenen zijn. Die staan ieder op zichzelf maar vormen door aanvullingen zoals dit verhaal een steeds gedetailleerder beeld van de historie van dit kasteel en heerlijkheid. Soms wordt informatie onverwacht gevonden en levert dit verbeterd inzicht op. Niet dat daarmee de geschiedenis van kasteel en heerlijkheid eenvoudiger te begrijpen is zoals uit het volgende verhaal duidelijk zal worden. Maar de trieste teloorgang van het kasteel aan de Langevelderweg in Noordwijkerhout als gevolg van de ingewikkelde erfopvolging en daarmee samenhangende juridische processen krijgt met de recente vondst nog een extra dimensie. De vondst, een “fidei-commiskwestie” uit 1772 levert de achtergrond voor het besluit tot verkoop van het kasteel en heerlijkheid door de Vlaamse Maria Catharina Jozepha gravin de Merode, prinses de Rubempré.
Fidei-commis
Dit rechtsgebruik stamt uit het Romeinse recht en is eeuwenlang toegepast in testamenten en nalatenschappen. Vanaf eind 18e eeuw is het verdwenen al worden principes uit dit recht ook nu nog toegepast, zij het in gewijzigde vorm. Het fidei-commis gaat er van uit dat de erflater bij testament kan bepalen dat zijn of haar bezit doorgegeven moet worden binnen de familie. De begunstigden kunnen wel beschikken over het bezit en hebben dus zowel vruchtgebruik als onderhoudsplicht maar zij mogen dit niet verkopen of “veralieneren”, het fraaie woord voor vervreemden. Vooral in adellijke kringen was dit fidei-commis een veel toegepast principe om in eeuwen opgebouwd familiebezit bij elkaar te houden. Het recht werd in uitvoering lastiger als er alleen ongetrouwde erfgenamen of erflaters waren. Ook kinderloosheid van echtparen kwam regelmatig voor. Dat maakte toepassing van fidei commis complexer, vooral als er door een kinderloze erflater ook nog eens geen testament was opgemaakt. De begunstigden moesten dan via wettelijke regelingen aangewezen worden. Men komt het recht veel tegen in testamenten van beter gesitueerde burgers. In het geval van de hier besproken erfopvolging is dit rechtsprincipe terug gevonden in de testamenten van Anna van Woerden van Vliet, Adriane Françoise van Bronckhorst en Maria Anna Scholastica van de Tymple. Zie voor hen het familie-overzicht dat nog volgt. Het fidei commis dat door deze vrouwen werd vastgelegd heeft, zoals uit dit verhaal blijkt, een bepalende rol gespeeld bij de verkoop van kasteel en heerlijkheid in 1772.
De erfopvolging van kasteel de Boekhorst in het kort.
We mogen de tientallen jaren durende bewoning van het kasteel door Andries van Bronckhorst en Anna van Woerden van Vliet toch wel als het hoogtepunt in de geschiedenis van de heerlijkheid de Hooge Boekhorst beschouwen, maar het is een hoogtepunt met een grijs randje, want het echtpaar had geen kinderen. Als Anna vier jaar na haar man in 1624 overlijdt draagt zij de heerlijkheden van de Hooge en Laage Boekhorst via testament over aan haar zwager Willem van Bronckhorst. Hij is rond 1595 getrouwd met Maria van Warlusel en woont met haar in Gent. Kasteel en heerlijkheden krijgen met Willem en Maria vervolgens alleen nog Vlaamse eigenaren tot de verkoop in 1772 aan de Leidse student Nicolaas de Stoppelaar. Zie verhaal “de prinses en de student” op deze website. Het kasteel was toen al grotendeels afgebroken. Werd eerder nog aangenomen dat Willem van Bronckhorst zijn bezit op afstand bestuurde, een recente vondst maakt duidelijk dat hij in de tien jaar dat hij eigenaar is geweest wel degelijk perioden in Noordwijkerhout doorgebracht heeft en onderhoud pleegde aan zijn bezit. Twee Vlaamse medewerkers leggen hierover notabene zestig jaar na dato later nog een verklaring af op verzoek van de familie Van Bourgondiën, erfopvolgers van Willem en Maria.
De vele problemen rond de erfopvolging komen in andere verhalen uitgebreid aan bod. Hier beperken we het tot de aanloop van de problemen waar de laatste Vlaamse eigenaresse, Maria Catharina Jozepha de Merode, prinses de Rubempré mee te maken krijgt in 1772, voorafgaand aan de verkoop van haar kasteel en heerlijkheden. Voor het goede begrip daarom eerst een schematisch overzicht van de overdracht of erfopvolging vanaf Willem van Bronckhorst, over de periode 1624-1772.

De blauw omrande personen uit de stamboom waren erfopvolgers. Over hen wat details die een rol spelen in de fidei-commiskwestie.
| 1. | Charles François van Bourgoigne (Bourgondiën, Bourgonje) was niet het enig kind van Maria Anna van Bronckhorst, zij had nog drie jong overleden kinderen. Charles zelf is twee keer getrouwd geweest maar had geen kinderen. Hij had ook geen testament en was aan het eind van zijn leven handelingsonbekwaam door “imbexiliteit”. |
| 2. | Louise Brigitte, Maria Catharina en de twee Sabines uit het overzicht hebben meerdere voornamen maar deze werden in publicaties en mogelijk ook door de dames zelf door elkaar gebruikt, in verschillende volgorden. Maria Catharina komt bijvoorbeeld ook voor als Catharina Maria en als Catharine Jozepha of met de Franse schrijfwijze van die namen zoals Catherine Josephine. |
| 3. | Louise Brigitte of Brigitte Louise, prinses de Rubempré trouwde in eerste huwelijk in 1689 met Friedrich Carl Reingraf Salm etc (hij overlijdt 1696). Ook dit echtpaar had geen kinderen. Carl laat bij zijn dood een flinke schuldenberg na, hetgeen tot één van de vele processen voor de familie Rubempré leidt. Louise hertrouwt met Philippe van Merode Montfort. |
| 4. | Sabine Claire (Clara) de Rubempré is een oudtante van Maria Catharina Jozepha de Merode, prinses van Rubempré. Zij is volgens diverse onderzoekers overleden in 1715. Bij dit onderzoek zijn echter notarisakten uit april en september 1716 gevonden waarin Sabine zelf haar handtekening zet, dus haar overlijden heeft later plaatsgevonden. Dat jaar is gevonden; zij blijkt in november 1718 in Brussel gestorven te zijn en is daarna in Everberg in het familiegraf bijgezet. Haar zus Louise is haar enig erfgenaam. |
| 5. | Sabine Maria de Merode Montfort, een andere Sabine, maar ook prinses van Rubempré leed in het laatste deel van haar leven aan geestesziekten; zij overleed als weduwe van August von Salm Reif(f)erscheidt in februari 1773, al worden ook andere data genoemd. Over Sabine wordt in 1773 geschreven dat zij “woonachtig was op een ver afgelegen plaats in Duitsland en al vele jaren leed aan een merkelijke imbexiliteit”. Opmerkelijk is dat dezelfde omschrijving voor de geestesziekte waaraan haar oom Charles François zou hebben geleden. Sabine Maria had geen kinderen en haar nichtje Maria Catharina Jozepha de Merode Rubempré is haar enig erfgename omdat Maria’s vader, Sabines broer Maximilliaan de Merode Monfort (1769) al was overleden. Zo ook Honorine (1768), de zus van Maria Catharina. |
| 6. | De prinsen en prinsessen de Rubempré worden in dit verhaal alleen met dat eerste deel van hun adellijke titel genoemd, formeel staan zij meestal als prins(es) de Rubempré en Everberg genoemd, het tweede deel van hun titel. Everberg was ook de plaats van het familiegraf. Daarnaast bezaten de verschillende leden van dit geslacht de nodige andere titels. Dat waren er zoveel dat deze ook tijdens hun leven niet allemaal genoteerd werden en de schrijvers dit afkapten door “etcetera” toe te voegen. Die lijn volgen we hier ook. |
| 7. | Via het huwelijk van Maria Catharina de Merode Montfort, prinses de Rubempré (en Everberg) met Philips Maximilliaan de Merode Westerlo kwamen twee takken van de oude adellijke familie De Merode na eeuwen weer samen. |
Maria Catharina: laatste erfopvolger, enig overgebleven erfgename
Maria Catharina Jozepha was met haar zuster Honorine voorbestemd het omvangrijke goederenbezit van hun vader Maximiliaan Leopold de Merode Montfort, prins van Rubempré te erven. Maar Honorine overlijdt in 1768 op jonge leeftijd, zij werd maar zo’n 23 jaar oud. Een jaar later volgt vader Maximiliaan haar in de dood. Maria Catharina is in 1769 dan ook enig erfgename van een enorm bezit dat via het huwelijk met Philippe van Merode Westerlo en na zijn overlijden in januari 1773 nog eens flink aangroeit, grofweg met een derde. Het toeval wil dat in 2023 een interessant boek is uitgebracht over Maria Catharina. Het is geschreven door historica Freeke Meyer en uitgegeven in Gorrendijk onder de titel: “Hoog geboren, ambitieus en eigenzinnig, Marie Catherine Josephe, gravin van Merode, prinses van Rubempré en Everberg’. Daarnaast heeft deze auteur korte artikelen over haar geschreven. Uit haar werk zijn enkele persoonlijke details gebruikt om een completer beeld te geven van deze vrouw uit de periode van de fidei-commiskwestie.

Maria Catharina gravin van Merode, prinses van Rubempré was een dochter van Catharina Ockerman, de “linnenmeid” in het huishouden van haar vader Maximilliaan de Merode Rubempré. Naast standsverschil was zij ook nog eens zo’n negen jaar ouder. Het huwelijk van Maria’s ouders in 1742 bracht dan ook veel commotie teweeg in hoogadellijke kringen en het leidde zelfs tot een zeven maanden durende separate opsluiting van de twee geliefden. Hij in de Citadel van Antwerpen, zij in een klooster. Maar het huwelijk was volgens de regels gesloten en dus rechtsgeldig. De geboorte van Maria Catharina bekrachtigde de relatie. Bij haar huwelijk in 1759 met Philip, graaf van Merode, markies van Westerlo was Maria nog net geen 16 jaar oud. Haar eerste kind Honorine wordt geboren als zij achttien is. Daarna volgen nog drie kinderen. Maria Catharina wordt in haar dertigste levensjaar weduwe van Philippe, die in januari 1773 overlijdt. Op zijn naam is in 1772 nog een eerste verzoek in de fidei-commiskwestie neergelegd bij het Hof van Holland, een tweede staat op naam van Maria Catharina zelf en dateert uit de periode voor haar tweede huwelijk. Zij raakt datzelfde jaar zwanger van dochter Pauline die geboren wordt uit een geheime liefdesrelatie met Chretien graaf van Lannoy de la Motterie. De zwangerschap kwam Maria niet goed uit, niet alleen vanwege het buitenechtelijke karakter maar ook vanwege de status die zij inmiddels als ambitieus eigenaresse en beheerder van het enorme familiebezit probeerde op te bouwen. Uiteindelijk is zij met de vader van dochter Pauline getrouwd in 1774 maar het kind zou zij enige tijd min of meer verborgen hebben gehouden in Straatsburg. Maria Catharina groeide uit tot een voor haar tijd opmerkelijk onafhankelijk en zelfstandig opererende vrouw, machtig, steenrijk en uiteindelijk breed gerespecteerd in de hoogste adellijke kringen in Vlaanderen.
Aanleiding fidei-commiskwestie
In vijf jaar tijd verloor weduwe Maria Catharina dus haar zus Honorine, haar vader Maximilliaan en haar man Philip. Terwijl verwerking van dit verlies zowel in emotioneel als zakelijk opzicht veel van haar moet hebben gevraagd weet zij op 18 maart 1772 een overeenkomst te sluiten in een juridische kwestie die al zestig jaar loopt. Haar man Philip is dan nog in leven en gaat met Maria Catharina akkoord met de betaling van een bedrag van 150.000 gulden om de claim van erfgenamen van Charles François van Bourgondiën af te kopen. Zelfs voor deze rijke Vlamingen was dit een enorm bedrag. In feite accepteerden zij daarmee dat de claim die na het overlijden van Charles in 1707 door zijn weduwe was ingediend terecht was. Voor de achtergrond moeten we ver terug in de tijd, naar het leven en de bezittingen van Charles François, die erfde van zijn vader Quillaume/Willem van Bourgondiën (Bourgoigne/Bourgonje), zijn moeder Maria Anna van Bronckhorst en zijn tante Adriane Françoise van Bronckhorst. Door zijn tante Van Bronckhorst was hij via testament aangewezen als enig erfgenaam, zij het met een fidei commis bepaling. Hij mocht haar bezit, waaronder haar helft in kasteel en heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst dus niet verkopen.
Charles François van Bourgondiën trouwde in eerste huwelijk met Marie Jeanne de Rubempré, een opmerkelijke gebeurtenis. Zij was namelijk zijn tante en schoonzuster van zijn moeder! Zo’n relatie zal de nodige discussie in de familie gegeven hebben. Marie Jeanne overlijdt in 1685. Charles hertrouwt daarna met Honorine Marie de Bette. Zij is dochter van Ambroise de Bette, markies van Leede en Dorothea de Croy. Honorine de Bette heeft haar man zo’n negen jaar overleefd, zij overlijdt in 1716. In de laatste fase van zijn leven wordt Charles “imbeciel” genoemd en heeft hij onder curatele gestaan. Uit documenten blijkt dat er geen officieel testament was van zijn hand maar wel is er sprake van schenking van bezit, bij leven/inter vivo dat hij op papier zou hebben vastgelegd. Of hij toen volledig bij zinnen was blijft onduidelijk. Feit is dat in eerste instantie zijn weduwe Honorine de Bette en later haar erfgenamen onder de naam Van Leede een proces tegen de wettelijke erfgenamen van Charles opstarten. Dat zijn Charles moeder Maria Anna Scholastica en na haar dood in 1713 haar twee dochters Louise Brigitte en Sabine Claire. Deze halfzussen van Charles nemen het proces over.

Document uit 1716, uit de juridische strijd tussen de familie De Bette van Leede en de twee halfzussen Louise Brigitte en Sabine Claire, prinsessen van Rubempré.
Louis Brigitte, prinses de Rubempré overlijdt in 1730, zij werd zo’n 60 jaar oud. Maar haar zus Sabine Claire is al eerder, in 1718 overleden. Het proces van de erfgenamen van Honorine de Bette tegen de familie Rubempré zal na de dood van Louise Brigitte nog tientallen jaren lopen en komt pas in 1772 met het sluiten van genoemde overeenkomst en betaling van 150.000 gulden tot een einde. In haar boek over Maria Catharina de Merode Rubempré heeft historica Freeke Meyer een overzicht opgenomen van de jaarlijkse inkomsten van Maria uit haar goederen zoals afkomstig uit enerzijds de Rubempré-familie anderzijds de familie Merode Westerlo. Jaarlijks fluctueren die inkomsten vanaf 1774 tot 1780 tussen 65- en 85.000 gulden, maar daarbij dient te worden aangetekend dat in de twee jaar voor 1774 de nodige Hollandse goederen waren verkocht, waaronder de Boekhorst. Na 1780 lopen de inkomsten op naar bedragen ruim boven de 100.000 gulden per jaar. Grofweg tweederde van de inkomsten wordt gegenereerd uit het Rubemprébezit. De getallen leveren een mooi verhoudingsgetal op ten opzichte van het bedrag van 150.000 gulden dat Maria en haar tweede man Chretien graaf van Lannoy op moeten brengen om de claim van de erfgenamen De Bette van Leede te kunnen betalen. Het bedrag staat in de relevante periode van de fidei-commiskwestie dus ongeveer gelijk aan twee jaarinkomens. Waarbij Maria Catharina eerstverantwoordelijke was voor de betaling, want de claim was aan haar familiebezit verbonden. Zij heeft nog met haar eerste man Maximilliaan besloten het bedrag aan Emanuel François de Bette, markies van Leede te betalen en samen besluiten zij dit te financieren vanaf 1772 met verkoop van Hollands bezit.
Problemen door slordigheid?
Echter blijkt een andere erfenis een stokje in de spaken van het besluit tot verkoop te steken. Dat betreft het testament en nalatenschap van overgrootmoeder Maria Anna Scholastica van den Tymple die in 1713 is overleden en in haar testament een fidei-commis had vastgelegd op al haar goederen ten gunste van haar twee erfgenamen, haar dochters Louise Brigitte en Maria Claire, beide prinses van Rubempré. Als kleindochter van Louise Brigitte richt Maria Catharina de Merode Rubempré zich in 1772 en 1773 in twee verzoeken tot het Hof van Holland om van de wijze rechters permissie te krijgen om de verkochte Hollandse goederen over te laten schrijven door de verschillende dorpsbesturen zonder daarin nog beperkt te worden door het fidei-commis dat zestig jaar eerder was vastgelegd door overgrootmoeder Maria Anna Scholastica van den Tymple. In feite wil zij van het fidei commis ontslagen of bevrijd worden. Het Hof van Holland stemt toe. De reden voor goedkeuring is eenvoudig maar ook opmerkelijk omdat het argument van Maria Catharina en haar juridische adviseurs blijkbaar tientallen jaren onopgemerkt was gebleven. Rond 1762 had haar vader Maximilliaan de Merode Rubempré nog eens gekeken naar de erfenis die zijn moeder Louise Brigitte en tante Maria Claire de Rubempré van hun halfbroer hadden ontvangen. Maar blijkbaar heeft hij met zijn adviseurs niet geconcludeerd dat de goederen die de twee zussen van hun halfbroer Charles François hadden geërfd helemaal niet onder het fidei-commis mochten vallen dat hun moeder Maria Anna Scholastica in haar testament had vastgelegd. Dit besloten testament dat helaas alleen gedeeltelijk terug gevonden is was in november 1713 geopend waarna de erfgenamen het fidei-commis blijkbaar verkeerd hadden geïnterpreteerd, misschien omdat Maria Anna Scholastica zelf onterecht een claim had gelegd op de nalatenschap van haar zoon Charles François van Bourgondiën. Dat waarschijnlijk omdat haar overgrootmoeder Willemina van Bronckhorst was, een halfzus van Willem van Bronckhorst. Willemina was daarmee een schoonzuster van Anna van Woerden van Vliet, de eigenaresse van kasteel en heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst die haar zwager Willem als enig erfgenaam had aangewezen. Maria Anna Scholastica vond zich blijkbaar nauwer verwant dan andere leden van de Bronckhorst familie.
Onder de nalatenschap van Charles François als erfopvolger van Anna en haar zwager Willem viel ook het kasteel en heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst. Kern van het probleem van zijn nalatenschap blijft het ontbreken van een testament. Hij zou wel op papier schenkingen of nalatenschap vastgelegd hebben maar de rechtsgeldigheid daarvan blijft door zijn geestelijke gesteldheid onduidelijk. De schenkingen op papier verklaren waarom zijn weduwe Honorine de Bette van Leede een claim neerlegt bij de twee halfzussen van Charles en hun moeder en het verklaart ook waarom de heerlijkheid van de Hooge en Laage Boekhorst in 1712 in de leenregisters op naam wordt gezet van Maria Anna Scholastica omdat zij zich als wettig erfgename van haar zoon had opgeworpen. In 1772 blijkt uit de verzoeken aan het gerecht dat het op haar naam stellen van de heerlijkheid de Boekhorst mogelijk ten onrechte gebeurd is.
Maria Anna Scholastica heeft dit bezit of leenrecht mogelijk om meer redenen naar zich toe kunnen of willen trekken. Charles François die in juli 1707 is overleden had al in 1665 behoorlijk wat bezit ontvangen uit de nalatenschap van Louis Charles van den Tymple, van Brabant. Charles was toen maar zo’n zes jaar oud en stond onder voogdij van zijn moeder en zijn oom, baron Van Bronckhorst. Louis van den Tymple was een broer van Maria Anna Scholastica. Als voogd over haar jonge zoon is Maria het geschonken land misschien als haar eigen bezit gaan beschouwen. En onbekend, niettemin relevant, speelt misschien op de achtergrond ook nog een rol dat Charles in eerste huwelijk trouwde met Jeanne Maria de Rubempré, nota bene een schoonzus van zijn moeder. Wettelijk gezien was zij zijn tante, zij hadden geen natuurlijke familieband. Jeanne was de zus van Philippe Anthony, prins van Rubempré, de echtgenoot van Maria Anna Scholastica van den Tymple. Na de dood van deze eerste echtgenote Jeanne Maria medio 1685 heeft Charles mogelijk geprofiteerd van haar nalatenschap, al blijft dat een aanname. De ingewikkelde familierelatie verklaart de vele processen die hij met zijn moeder uitvocht maar waarvan de inhoud helaas (nog) niet gevonden is.
Anthony de Rubempré is twee maanden voor zijn stiefzoon Charles in mei 1707 overleden, dus Maria Anna Scholastica kreeg dat jaar het nodige te verwerken, zowel emotioneel als zakelijk. Bovendien was zij toen ook al jaren in een juridische strijd gewikkeld met de erfgenamen van Adriane Françoise van Bronckhorst, die in haar testament met een fidei commis al haar bezit, waaronder haar helft van de Boekhorst had nagelaten aan haar neef Charles François van Bourgondiën. Die juridische strijd zal via een ander juridisch traject ook tientallen jaren aanhouden en eindigt met de toekenning door de Hoge Raad in Den Haag van een bedrag van ruim 66.000 gulden aan Maximilliaan de Merode Monfort, prins van Rubempré en zijn zwager August von Reiferscheidt zu Salm, echtgenoot van Sabine Maria de Merode Montfort. Of dat geld ook ontvangen is door de prins is niet bekend, daar mogen we wel van uitgaan aangezien bewijs voor het tegendeel ontbreekt. Het bedrag was toegekend wegens niet door de prins de Rubempré ontvangen erfenis van Adriane Françoise van Bronckhorst en haar ervende neef Charles François, plus misgelopen huurinkomsten over die erfenis vanaf 1707.
Waarschijnlijk houdt beëindiging van dit proces en de betaling van dit grote bedrag verband met het feit dat in 1762 een extract uit het besloten testament van Maria Anna Scholastica gezonden wordt aan alle besturen van dorpen waarin onroerend goed van haar familie geregistreerd stond. Het extract betreft alleen de vermelding dat uitsluitend haar testament uit september 1707 geldig is en alle oudere versies geen enkele waarde meer hebben. Vervolgens wordt de fidei commis bepaling vermeld die zij ten aanzien van haar nalatenschap had ingesteld met haar twee dochters Louise Brigitte en Sabine Clara als haar enige erfgenamen. Dit testament uit september 1707 is kort na de dood van haar man Philippe en zoon Charles François opgesteld maar in het fidei commis wordt niet expliciet vermeld dat goederen uit de nalatenschap van Charles niet aan haar maar aan zijn twee halfzussen waren nagelaten. Dit document bevestigt de verwarring die in 1772, dus tien jaar later aanleiding vormt voor Maria Catharina de Merode Rubempré om het Hof van Holland te vragen van het betreffende fidei commis uit 1712 ontslagen te mogen worden omdat haar Hollandse erfgoederen per abuis daaronder waren opgenomen. Maria Anna Scholastica had volgens het verzoek onderscheid of “distinctie” moeten maken in haar testament tussen haar eigen nalatenschap en die van haar zoon maar heeft dit (al dan niet bewust…JD) nagelaten. In Noordwijkerhout wordt het extract ook ontvangen en overgenomen door het dorpsbestuur waarbij het bezit in dit dorp wordt bijgeschreven. Dat stond op naam van de graaf van Wacke geregistreerd, zelfs zonder de naam van de graaf te noemen! Ook in Noordwijk is dit terug te vinden in bijvoorbeeld de dorpsbelastingen. Vermoedelijk is een afschrift van de bijschrijving naar Brussel gestuurd. Dit document laat zien dat tientallen jaren lang geen wijzigingen of overdrachten zijn doorgevoerd in de eigendomsregisters van vele dorpen, terwijl er via erfopvolging toch nieuwe eigenaren bekend waren. Het maakt allemaal een slordige indruk.
Pas kort voor het verzoek van Maria Catharina de Merode Rubempré aan het Hof van Holland om bevrijd te worden van het fidei commis heeft zij of haar vader ontdekt dat de goederen uit de nalatenschap van Charles François van Bourgoigne helemaal niet onder het fidei commis van Maria Anna Scholastica hadden mogen vallen. Letterlijk stelt het verzoek uit 1772: “…dat de fideicommissaire registratie van de goederen als abusievelijk en zonder enige grond geschied was…”. Alvorens conclusies rond de “abusievelijkheid” te trekken is het goed om nog eens de vele tijd vretende rechtzaken door te lopen waar de erfopvolgers uit deze familie mee geconfronteerd werden en dat tegen de achtergrond van het enorme bezit van deze familie in de Zuidelijke Nederland en het gewest Holland en Zeeland. Voor deze familie was kasteel en heerlijkheid de Boekhorst slechts één bladzijde in een heel dik kasboek. De processen duurden soms tientallen jaren en daardoor is te begrijpen dat men als erfopvolger soms de bomen en het bos niet van elkaar kon onderscheiden.
| Jaar | Erfopvolging: processen en erfenissen die een rol speelden |
| 1624 | Testament van Anna van Woerden van Vliet; Willem van Bronckhorst is enig erfgenaam, ontvangt kasteel en heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst. Fidei commis opgenomen om kasteel binnen de familie te houden. |
| 1635 1636 | Overlijden van Willem van Bronckhorst en zijn vrouw Maria van Warlusel. Dochters Maria Anna en Adriane Françoise delen de nalatenschap, ook de Boekhorst. |
| 1642 | Circa. Maria Anna van Bronckhorst overlijdt; enig erfgenaam is haar zoon Quillaume of Willem Charles van Bourgondiën. Haar helft van de Boekhorst komt op zijn naam. |
| 1664 | Overlijden van Louis Charles van den Tymple, broer van Maria Anna Scholastica van den Tymple, die moeder is van Charles François van Bourgondië, graaf van Wacke. Louis laat de nodige goederen in Holland na aan zijn neefje Charles François maar bijvoorbeeld ook de heerlijkheden Horst en Sint Pietersrode. Voorwaarde is dat zijn neef de naam en het familiewapen Van den Tymple zal gaan voeren. Dat is nooit gebeurd. Zijn moeder Maria Scholastica heeft vermoedelijk hierover processen tegen haar zoon gevoerd en neemt zelf de heerlijkheden van haar broer over, maar Charles ontvangt wel de onroerende goederen in het gewest Holland. |
| 1667 | Quillaume Charles van Bourgondiën overlijdt, zijn helft van de Boekhorst komt op naam van zijn enige zoon Charles François van Bourgondiën. |
| 1669 | Charles François van Bourgondiën is enig erfgenaam van zijn kinderloze tante Adriane Françoise van Bronckhorst, haar helft van de Boekhorst wordt als leen echter op naam van verre neef Lambrecht van Bronckhorst geregistreerd. Hij was voogd van Charles. Dit kan verschillende redenen gehad hebben, één reden is het onterecht gebleken beslag dat op het eigendom van het kasteel was gelegd door derden. Een gedwongen verkoop was voorkomen door het leen in twee helften gesplitst te houden. |
| 1685 | Charles François van Bourgondiën erft mogelijk uit de nalatenschap van zijn eerste echtgenote, Jeanne Maria de Rubempré, nota bene zijn (wettelijke) tante en zus van zijn stiefvader Philip Antony de Rubempré die de moeder van Charles trouwde, Maria Anna Scholastica van den Tymple van Brabant. |
| 1696 | De eerste echtgenoot van Louise Brigitte, prinses van Rubempré overlijdt en laat een schuldenberg achter; Louise claimt later bij zijn erfgenamen een groot bedrag, 1000 gulden per jaar voor een x-aantal jaren. Uitslag nog niet gevonden. |
| 1707 | Overlijden van Philip Anthony de Rubempré in mei; erfgenamen: zijn echtgenote Maria Anna Scholastica en zijn twee dochters Louise Brigitte en Sabine Claire, prinsessen de Rubempré. |
| 1707 | Overlijden van de wegens imbeciliteit onder curatele geplaatst Charles François van Bourgondiën op 16 juli; erfgenamen: zijn moeder Maria Anna Scholastica van den Tymple en zijn halfzussen Louise Brigitte en Sabine Claire. |
| Vanaf 1707 | Proces gestart door broers Lambrecht en Schelto Willem Van Bronckhorst als erfgenamen van Adriane Françoise van Bronckhorst voor haar Hollandse goederen versus Anna Scholastica van den Tymple. Deelovereenkomst circa 1719: Schelto Willem van Bronckhorst erft een deel van de erfenis van Adriane Francoise van Bronckhorst; zijn broer Lambrecht is eerder overleden. Hieronder vallen de boerderijen Sprockelenburg en Kijkduin in Noordwijk/erhout. Dit proces krijgt na de dood van Schelto Willem van Bronckhorst in 1727 een vervolg. |
| Vanaf 1707 | Proces gestart door Honorine de Bette van Leede, weduwe van Charles François van Bourgondiën; zij overlijdt in 1716, proces wordt door haar erven voortgezet en gevoerd tegen de familie De Rubempré, met name Louise Brigitte en haar erven. |
| 1713 | Testament en nalatenschap van Maria Anna Scholastica van den Tymple; vastlegging van een fidei commis op haar goederen, waaronder zoals in 1772 zal blijken ten onrechte ook kasteel en heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst en andere Hollandse goederen worden gerekend. |
| 1727 | Overlijden en testament Schelto Willem van Bronckhorst; enig erfgenaam is Wilhelmina Theresia van der Laen die later met Barnabé de Villegas zal trouwen. Voorwaarde is dat zij met Friese erfgenamen van Schelto het proces dat medio 1707 gestart is rond de Hollandse goederen van Adriane Françoise van Bronckhorst en haar neef Charles François van Bourgondiën zullen voortzetten. Start van een proces van Friese (vermeende) erfgenamen van Schelto Willem van Bronckhorst tegen Wilhelmina van der Laen en haar man Barnabé Villegas vanwege de door hen ontvangen Hollandse erfenis van Schelto. |
| 1762 1765 | Beëindiging van het proces van de Friese erfgenamen van Schelto Willem van Bronckhorst tegen Wilhelmina van der Laen en haar man Barnabé de Villegas. Aan het echtpaar wordt een betaling van circa 39.000 gulden toegekend door de Friese erfgenamen vanwege onterecht genoten voordeel over de goederen van Schelto. |
| 1762 1765 | Beëindiging van het proces van de Friese erfgenamen van Adriane Françoise van Bronckhorst en haar neef Charles François van Bourgondiën tegen Maximilliaan de Merode, prins van Rubempré c.s. De prins wordt een bedrag van circa 66.000 gulden toegekend door het Hollandse gerecht, te betalen door de Friese erfgenamen wegens onterecht genoten inkomsten. |
| 1772 | Maart. Overeenkomst tussen Maria Catharina Jozepha van Merode Montfort, prinses van Rubempré en Emanuel de Bette, markies van Leede als erfgenaam van Honorine de Bette, weduwe van Charles François van Bourgondiën. Emanuel ontvangt een bedrag van 150.000 gulden en ziet af van elke verdere aanspraak op de nalatenschap van Charles. |
| 1772 | Ontslag of vrijmaking voor Maria Catharina Jozepha van Merode Montfort, prinses van Rubempré en Eversberg van het fidei commis dat door haar voorouder Maria Anna Scholastica van den Tymple Van Brabant per abuis of ten onrechte in 1707 op de Hollandse goederen uit de nalatenschap van Charles François van Bourgondiën was gelegd, waaronder kasteel en heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst. |
| 1772 | Verkoop van kasteel en heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst aan Nicolaas de Stoppelaar, in 1772 nog student, later procureur bij het Hof van Holland. |
Extra: inzicht in het bezit van de erfgenamen van Willem van Bronckhorst (ovl 1635)
In haar verzoeken aan het Hof van Holland zijn door Maria Catharina de Merode Rubempré alle goederen opgesomd die zij als erfopvolger ontvangen had maar die niet onder het fidei commis uit het testament van Maria Scholastica van den Tymple uit 1707 hadden mogen worden gesteld. Dit betreft de goederen die de zussen Louise Brigitte en Sabine Claire, prinsessen van Rubempré uit de nalatenschap van hun halfbroer Charles François van Bourgondiën toegekend waren. Het eerste van de twee verzoeken dient Maria Catharina nog met haar echtgenoot Philips van Merode in maar de vermelde goederen betreffen dan alleen het deel dat de reeds in 1718 overleden Sabine Claire had ontvangen en door haar zus Louise waren geërfd. Dat verzoek is vermoedelijk opgesteld ten behoeve van de zus van Maximilliaan, de aan “imbexiliteit” lijdende Sabine Maria de Merode die mogelijk nog in leven was, want haar echtgenoot wordt genoemd als belanghebbende. Sabine was met haar broer Maximilliaan samen erfgenaam van in 1730 overleden Louise Brigitte, prinses van Rubempré. Haar gedeelte van de erfenis wordt apart via dit eerste verzoek door het Hof van Holland bevrijd van het fidei commis dat erop gevestigd was.
Uit het tweede verzoek wordt duidelijk dat Maria Catharina nu het erfenisdeel van haar vader Maximilliaan eveneens bevrijd wil zien van het fidei commis op de door zijn moeder Louise Brigitte geërfde goederen. Om duidelijk te maken om welke goederen dit nu precies gaat worden die ook hier opgesomd. Er zijn dus twee verzoeken met opgesomde goederen, maar die zijn ingedeeld volgens de erfenis waar zij uit waren voortgekomen. Charles François van Bourgondiën erfde volgens deze gegevens uit drie bronnen. Ten eerste uit de erfenis van zijn moeder Maria Anna van Bronckhorst. Ten tweede uit de erfenis van Louis Charles van den Tymple, zijn oom en ten derde uit de nalatenschap van Adriane Françoise, zijn tante en zijn moeder Maria Anna van Bronckhorst. De goederen uit Adrianes nalatenschap lijken hier onder naam van Charles zelf opgenomen te zijn. Waaronder kasteel en heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst waarvan Charles zelf al voor de helft eigenaar van was.
We weten uit een document uit 1686 dat Adriane Françoise van Bronckhorst eigendom had in Maasland, de Kralingerpolder, Geertvliet, Rijnland, Noordwijk, Lobberdorp, Stad in Overflakkee, Land van Putte, Hekelingen, Voorne en Den Briel. Grofweg komt dit overeen met de goederen die onder de naam van Charles genoemd worden in de opgaven uit 1772.Maria Catharina’s opsommingen hebben voor ons meerwaarde omdat daaruit duidelijk wordt wat de omvang en ligging van de door de familie Van Bronckhorst in de erfopvolging ingebrachte goederen waren. Die lijken in vergelijking met de inbreng vanuit bijvoorbeeld de familie Van den Tymple nogal bescheiden.

Hierboven de totalen van opgesomde goederen zoals die uit de drie bronnen verkregen waren. De in blauw en groen weergegeven bronnen zou je op mogen tellen en vervolgens vergelijken met de inbreng vanuit de nalatenschap van de familie Van den Tymple, Van Brabant. Het merendeel kwam dus uit die laatste familie. We kunnen vervolgens ook zien in welke dorpen de Hollandse goederen lagen in het overzicht hieronder. Een overzicht per perceel levert een te lange lijst op, is hier niet meegenomen.

Uitleg overzichten
In totaal worden 132 nummers genoemd in de opsommingen uit de twee verzoeken aan het Hof van Holland uit 1773 en 1774. Op enkele rechten na betreffen die nummers allemaal onroerend goed, vele percelen, bij elkaar zo’n 327 hectare groot. Voor dit overzicht zijn alle getallen omgezet in Rijnlandse Roe, want in de opgave is ook sprake van bijvoorbeeld de oppervlaktematen “geers en gemet”. Daarvoor zijn gangbare eenheden gebruikt om tot een redelijk betrouwbaar getal te komen. Dat getal is per bron en per dorp opgeteld. Het overgrote deel van weilanden en akkers lag op het eiland Voorne-Putten. Daarnaast valt op dat er bezit was in Castricum, Alkmaar, Egmond, Assendelft, Limmen en Heemstede. Naast uiteraard kasteel, heerlijkheid en weilanden in Noordwijk en Noordwijkerhout. Het overzicht laat goed zien hoe het fidei commis dat door verschillende personen uit de erfopvolging was ingesteld het familiebezit bij elkaar heeft gehouden gedurende de eeuwen. De herkomst van de goederen is op hoofdlijnen te herleiden. Kasteel en heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst is ingebracht door de familie Van Woerden van Vliet. Mogelijk brachten zij ook de landerijen in Heemstede in, die lagen in de omgeving van het kasteel of hofstede Rolland, dat Willem van Bronckhorst via zijn moeder Aleid van Schoten tot circa 1595 in eigendom heeft gehouden. In Noord-Holland liggen rond Alkmaar en omgeving in verschillende dorpen percelen. Die behoren tot de oudere bezittingen van de familie en zijn waarschijnlijk ingebracht door Wendelmoet Corff van Boschuijzen (1485-1555). De familie Corff kwam uit Alkmaar. Zij trouwde met Andries van Bronckhorst (circa 1480-1547). Andries, min of meer de relevante stamvader voor dit verhaal heeft als baljuw een belangrijke rol gespeeld heeft in de geschiedenis van het Zuid-Hollandse Voorne-Putten en heeft daar ook veel bezit opgebouwd. Dat is herkenbaar in dit overzicht.
Mooi voorbeeld hoe het fidei commis in deze familie werkte is de relatie van de familie met de charitatieve instelling van het Hof van Zessen in Alkmaar. Anna van Woerden van Vliet had in haar testament van 1624 al bepaald dat de relatie, het collector- of patronaatschap van dit hofje door haar erfgenamen moest worden doorgegeven. Dat Hof van Zessen was door de familie Corff uit die stad gesticht. Het patronaatschap is ook daadwerkelijk doorgegeven en komt terug in 1769. Dat jaar koopt het Hofje van Zessen in de Laage Boekhorst een woning of voormalige bierstekerij/herberg aan waarbij Maximilliaan van Merode Rubempré heer van de Laage Boekhorst genoemd wordt maar ook als patroon of collector van het hofje. Het gebouw ligt in zijn heerlijkheid de Laage Boekhorst, mogelijk heeft hij de koop ook betaald. In 1769 was Maximilliaan mogelijk nog niet bekend dat zijn heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst niet onder het hier besproken fidei commis van Anna van Woerden en haar vele erfopvolgers viel en hij dus ook niet verplicht was patroon of beschermheer van het Hofje van Zessen te blijven of zich als dusdanig te gedragen.
De onderlinge relatie tussen de drie personen of bronnen die in het overzicht genoemd zijn is in het verhaal op deze website over de Vlaamse eigenaren van kasteel de Boekhorst al aangegeven. Louis Charles van den Tymple van Brabant en zijn zus Maria Anna Scholastica hadden Bronckhorster voorouders. Hun overgrootmoeder Willemina van Bronckhorst is een zus van Andries van Bronckhorst die met Anna van Woerden van Vliet trouwde en Anna’s erfgenaam Willem van Bronckhorst is haar halfbroer. Louis Charles van den Tymple schonk zijn neef Charles François van Bourgondiën via nalatenschap dus goederen die hij zal hebben geërfd van zijn Bronckhorster voorouders. Maria Scholastica van den Tymple gebruikte haar familierelatie met het Bronckhorstbezit toen de erfenis van Charles François van Bourgondiën na zijn dood in 1707 betwist werd door Lambrecht en Schelto Willem van Bronckhorst. Ook zij waren weliswaar nazaten van Andries van Bronckhorst en zijn vrouw Wendelmoet Corff van Boschuijzen maar zij stamden niet uit de lijn van Pieter van Bronckhorst, maar uit die van zijn broer Gijsbert. Pieter en Gijsbert waren zonen van Andries en Wendelmoet. Lambrecht en Schelto waren dus niet meer dan verre neven. En dat geldt ook voor de Friese erfgenamen die in dit verhaal opduiken. Mara Scholastica stelde niet onterecht dat zij nauwer verbonden was aan Andries en Willem van Bronckhorst en daarmee ook aan Anna van Woerden van Vliet als echtgenote van Andries.
Kasteel en heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst is goed beschouwd dus door de claim van Maria Anna Scholastica van den Tymple dat zij via haar overgrootmoeder Willemina een directe verwantschap met het Bronckhorstbezit kende voor haar familie behouden gebleven en zo uiteindelijk eigendom geworden van de familie Van Merode Rubempré. De verwarring over het fidei commis heeft een besluit tot verkoop misschien ook wel vertraagd. De rijke Vlaamse eigenaren hadden weinig belang bij een kasteel dat alleen maar geld kostte. Kenmerkend is dan ook dat zij boerderij de Hooge Boekhorst die wel inkomsten opleverde buiten de verkoop in 1772 gehouden hebben. Die pachtboerderij is tot 1834 eigendom gebleven.

Deze kaart uit het Nationaal Archief laat mooi zien hoe dicht de meeste percelen bouwland of weiland uit het overzicht bij elkaar lagen in de verschillende dorpen waarvan Spijkenisse het bekendste is. De naam van de dorpen is in rood en uitvergroot op de kaart bijgewerkt.Voor het goede begrip: de onderkant is het noorden, de bovenkant het zuiden.
Samengevat.
Over het besluit dat Maria Catharina gravin van Merode, prinses van Rubempré en Eversberg in 1772 neemt om kasteel de Boekhorst (de restanten) in Noordwijkerhout te verkopen zal zij niet lang nagedacht hebben. Zij had geld nodig om het bedrag van 150.000 gulden uit een kort daarvoor afgesloten overeenkomst met Emanuel de Bette markies van Leede te kunnen betalen. Naast het Noordwijkerhoutse kasteel met weilanden zijn door haar talrijke percelen land vanaf 1772 verkocht, zoals in Geervliet, Simonshaven en Sint Annapolder. Tot haar enorme vermogen behoorden tientallen kastelen of buitenplaatsen in Vlaanderen en een emotionele band met het kasteel de Boekhorst in het gewest Holland zal deze vrouw niet gehad hebben. En als die er al was dan was die eerder negatief dan positief want aan het bezit waren vooral juridische, geldverslindende processen verbonden, gedurende tientallen jaren. In haar jonge leven had Maria Catharina al de nodige drama’s, zakelijk en emotioneel te verwerken gehad en de verkoop van het kasteel is de inleiding voor een nieuw drama, met trekjes van de Italiaanse commedia dell’arte want haar koper is de Leidse student Nicolaas de Stoppelaar, een opmerkelijk karakter uit de geschiedenis van Noordwijkerhout. Zie het verhaal de prinses en de student op deze website.
Het is zonde dat het kasteel de Boekhorst verloren is gegaan. Slechts een enkele steen is bewaard gebleven, maar de geschiedenis van de eigenaren is een verhaal waar de meeste soapseries nog een puntje aan kunnen zuigen. Een sleutel waarmee het kasteel op slot gehouden wordt, een man die met zijn tante trouwt, processen die tientallen jaren voortslepen, beslaglegging op het gebouw, opsluiting van geliefden na het huwelijk van een linnenmeid met haar hoogadellijke “meester”, een verloren proces dat een Friese familie ruïneert, liefdesbaby’s, buitenechtelijke relaties en een moeder en zoon die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Het zijn wat voorbeelden die de Boekhorstgeschiedenis zo interessant maken. Jammer van het gebouw, maar gelukkig hebben we de verhalen nog.
Jan Duivenvoorden, maart 2026
