De aanleg van de trekvaart tussen Leiden en Haarlem in 1657 bracht niet alleen een sterk verbeterde verbinding tussen deze belangrijke Hollandse steden maar vormde ook een aantrekkelijke mogelijkheid voor welgestelde stedelingen om aan deze vaart een buitenverblijf te bouwen. In het lange Noordwijkerhoutse deel van de trekvaart tussen de Bartenbrug in het noorden en de grens met Noordwijk in het zuiden tellen we vier woningen die oorspronkelijk met dat idee gebouwd zijn, te weten Voorburg, Sixenburg, Houtlust en Veenhuizen. Daarnaast zijn er nog enkele gebouwen die hun bestaan te danken hebben aan de aanleg van de vaart zoals de herbergen aan de Delfweg en de ’s-Gravendam en het Commissarishuis in Halfweg Lisse. Het Heerenhuis op het Leeuwenhorstterrein heeft enige tijd als buitenverblijf gefunctioneerd maar dit gebouw bestond al voor de komst van de trekvaart. Daarnaast is boerderij Duin en Dal gebouwd om aan de vaart als poort- en tolgebouw voor de gelijknamige buitenplaats aan de Herenweg te dienen en heeft die functie tot in de twintigste eeuw behouden. Maar de woning werd primair voor het boerenbedrijf gebouwd. Het bestaande hek bij deze in 1862 herbouwde boerderij herinnert nog altijd aan de tolfunctie. Het perceel was bij de aanleg van de vaart eigendom van de Leidse kerkgeleerde Jacobus Trigland, die het misschien heeft gekocht met het plan er een woning te bouwen maar dat is nooit gebeurd. Op een kaart is op het Triglandperceel een afgesloten terrein weergegeven, het is een aanwijzing voor Triglands bouwplannen.

Bij de aanleg van de trekvaart is gebruik gemaakt van de loop van haar voorganger, de Swet. De vaart is dan ook in recordtijd voltooid. De bochten in de Swet zijn op deze kaart uit 1657 met een dunne lijn aangegeven. De loop van de Swet is ook nu nog altijd herkenbaar in het landschap.
Derde poging tot reconstructie: hobbels bij het onderzoek
Helaas zijn op Duin en Dal na alle genoemde gebouwen verdwenen. Sixenburg, dat zich nog in originele status bevond sneuvelde als laatste onder de slopershamer aan het eind van de vorige eeuw. De buitenplaats Houtlust is eerder op deze website besproken naar aanleiding van een familiewapen dat als gevelversiering in de muur was aangebracht en ook op latere gebouwen werd ingemetseld. Onderzoek naar dit wapen leerde dat de bouw van buitenplaats Houtlust verbonden is met de Leidse burgemeester Hermanus Schuijl. We kunnen het jaar 1668 als bouwjaar aanhouden omdat in dit dat jaar sprake is van “het nieuw getimmerde huis” van Schuijl. Zijn familiewapen met drie op gansjes lijkende vogels is bewaard gebleven in de kleuren wit en blauw, hoewel de Leidse familie zelf gebruik maakte van een goudkleur voor de ganzen en een rode achtergrond. Dit familiewapen is in een eerste verhaal in het Noordwijkerhouts Weekblad besproken. Maar in de zomer van 2023 bleek dat de gansjes in het wapen van Houtlust als eenden waren bedoeld en dan als eendjes zonder pootjes of zogenaamde merletten. De merlet als symbool komt in menig familiewapen terug. De vergissing lag voor de hand want de familie Schuijl liet zelf de eendjes op ganzen lijken in de varianten van het familiewapen die men liet maken en de “afgehakte pootjes” die je normaal bij merletten op wapenschilden terugvindt heeft men helemaal weggelaten. Zo leer je nog eens wat en het was reden om het originele verhaal op deze website aan te passen en als tweede versie ook wat uit te breiden.

Drie wapenvarianten van de Leidse burgemeester Harmen (of Herman) Schuijl. Rechts het wapen dat op Houtlust was ingemetseld. In het midden een variant dat in een Leids boek met stadsbestuurders is opgenomen en links een wapensteen die in de Zijlpoortbrug zou zijn ingemetseld volgens de literatuur. Dit bleek onjuist maar deze wapensteen is door het speurdersduo Bert en Nel Hogervorst-Van Kampen teruggevonden in de muur van museum de Lakenhal in Leiden en op foto vastgelegd.
Een complete beschrijving van de eigenaren- en bewoningsgeschiedenis van Houtlust als boerderij en buitenplaats was toen nog een te grote hobbel door het ontbreken van archiefmateriaal. Een ander probleem bleek de historische schrijfwijze van achternamen van eigenaren. De naam Schuijl wordt ook geschreven als Schuil, Schuill, Schuijll, Schuyl en ook als Schulius, Schuijlius en Schulius. Deze laatste drie vormen de versie in Latijn. Dat is terug te voeren op een lastige factor in dit onderzoek, het feit dat deze familie talrijke predikanten in haar gelederen kende die hun naam ook in Latijnse vorm gebruikten. Bovendien waren predikantenfamilies traditioneel niet erg honkvast. Men werd “beroepen” tot verschillende dorpen en steden. Als voorbeeld noemen we Susanna Schuijl die in 1609 trouwt met Dionysius van Spranckhuijzen. Zij leert hem kennen als student theologie aan de universiteit Leiden waar haar broer Everart ook studeerde. Hij krijgt een aanstelling als predikant in Asperen, Puttershoek, Haarlem, Woudrichem en uiteindelijk in Delft waar in 1626 en 1627 de laatste twee kinderen geboren worden. Maar van de achttien jaar huwelijk daarvoor kennen we geen geboorten van kinderen omdat van de vijf dorpen waar Dionysius eerder op de kansel stond geen doopgegevens bekend zijn. De naam van een derde kind komt pas bovendrijven als zij als erfgename van burgemeester Schuijl een legaat ontvangt.
Het samenstellen van deze familie met behulp van doop-, trouw- en overlijdensakten was door het zwervend bestaan van deze predikanten een “heidense” klus, maar noodzakelijk om te begrijpen wie en wanneer eigenaar van Houtlust werd. Na weken puzzelen volgt hier een derde poging tot reconstructie van de geschiedenis van deze bekende locatie aan de trekvaart met speciale aandacht voor de verbondenheid van predikantenfamilies aan de woning, het dorp Noordwijkerhout en de Bollenstreek. En zoals hieronder nog zal blijken is het Houtlust dat we kennen van foto’s niet de oorspronkelijke buitenplaats maar een herbouw op deze locatie. Het bezit van de predikanten is tot 1799 nooit voor het boerenbedrijf gebruikt en daarmee vormt het een uitzondering in Noordwijkerhout, want op nagenoeg alle andere herenhuizen, buitenplaatsen en -verblijven leefden boeren of werd vee gehouden.
De familie Schuijl, een netwerk van predikanten
De verbondenheid van de familie Schuijl met de Bollenstreek begint bij de aanstelling van Harmen of Herman Schuijl als vaste predikant van de dorpen Noordwijkerhout en Voorhout. De Staten van Holland stemden in met de aanstelling in Noordwijkerhout in april 1599 maar Herman was al vanaf de zomer van het jaar ervoor actief als invaller, een functie die hij in menig dorp heeft vervuld. Formeel was hij jaren daarvoor al aangesteld als predikant in Voorhout en zo staat hij ook vaak vermeld. Bovendien woonde hij er ook met zijn gezin. In feite werd hij verzocht Noordwijkerhout “erbij te doen”. Hiervoor werd hij door de Staten van Holland in 1603 beloond met een toeslag van dertig pond op zijn “tractement, soo lange hij neffens de kercke van Voorhout de kerckedienst in Noordtwyckerhout” zou verzorgen. Herman Schuijl was een belangrijke man voor de classis Leiden. Hij komt over als één van de mannen die het voortouw heeft genomen, zowel organisatorisch als theologisch in de voor de gereformeerde gemeenschap moeilijke beginjaren. Als we de Beeldenstorm van 1566 als begin van de Reformatie aanhouden zal duidelijk zijn dat in het eerste kwart eeuw de gereformeerde gemeenschap nog structuur en organisatie moest opbouwen in het gewest Holland. Het moeizame proces is terug te lezen in de verslagen van de classis Leiden en met name het opleiden en aanstellen van voldoende predikanten vergde tijd en geduld. Leiden bood via haar universiteit vanaf 1575 een opleiding maar de uitstroom van predikanten kwam maar langzaam op gang. Priesters en pastoors die de oversteek naar de Reformatie hadden gemaakt, vaak min of meer uit lijfsbehoud, boden slechts tijdelijke oplossingen. Hun functioneren leverde ook in de Bollenstreekdorpen discussie op rond hun kwaliteiten en de oprechtheid van hun keuze..
Dwars door alle theologische besognes van de leden van de classis Leiden liep een democratiseringsproces. Terwijl in de oude Roomse kerkstructuur duidelijk was wie waarover iets te vertellen had zien we bij de vestiging van het lutherse en calvinistische geloof een groot aantal partijen die medezeggenschap opeisen. De kerkenraad, de heer of vrouwe van het dorp, de baljuw, de dorp- of stadbestuurders en kerkmeesters, iedereen wilde meepraten of eiste een positie in de besluitvorming op. De classis worstelde met dit proces. We zien veel instroom van geschikte predikanten van buiten het gewest Holland. Het slagen van de Reformatie in dit gewest is dan ook in belangrijke mate gedragen door het binnenhalen van predikers uit de Zuidelijke Nederlanden. Dit betrof mannen die zelf voor het gewest kozen vanwege de betere economische kansen of door vervolging tot die keuze gedwongen werden. Hoe die keuze in het geval van Herman Schuijl precies tot stand kwam blijft onduidelijk maar zijn achtergrond en opleiding speelden een rol. Zijn voorouders vormden een gegoede familie in het gebied pal ten zuiden van de grens van België met Nederland, in wat nu de gemeente Lontzen is, niet ver van Luik. Door het huwelijk van zijn grootouders Arnold Schuijl en de mogelijk adellijke dame Elisabeth Putisken, afkomstig uit Waldhorn ontstond de familienaam Schuijl van Waldhorn. Onder hun nazaten is het gebruik van de toevoeging Van Waldhorn echter geen gemeengoed. Arnold en zijn zoon Wijnant Schuijl van Waldhorn staan bekend als bestuurders en forestiers. Dit laatste houdt in dat zij bos- of domeinbeheerders waren voor de Spaanse koning in het toen nog onverdeelde Limburg.
Binnen gegoede families was de opleiding van kinderen heel gewoon. Herman Schuijl, die volgens vermeldingen van zijn leeftijd in 1552 in Waldhorn geboren zou zijn moet een klassieke opleiding doorlopen hebben, waarbij Latijn een hoofdvak vormde. Hij wordt in 1582 aangesteld als “rector” in Culemborg. Dat is dan hoogstwaarschijnlijk als rector van de Latijnse school, een functie die we net als het beroep van predikant en medicus veel tegenkomen onder zijn nageslacht. Na een aanstelling als predikant in Noordeloos ontwikkelt hij een prominente rol in de classis Leiden. Hij wordt begeerd door menige gereformeerde gemeenschap maar kiest uiteindelijk voor Voorhout waar hij tot 1614 predikant is en de laatste vijftien jaar ook Noordwijkerhout bedient. Van zijn vijf kinderen die we leren kennen als volwassenen is oudste zoon Wijnant in Culemborg geboren, van de andere vier is het geboortejaar niet bekend maar rekening houdend met de leeftijd van hun moeder Adriaentje van den Bosschaert, die in 1550/51 geboren is, liggen hun geboortejaren ook nog ruim voor het jaar 1600. Uit het gezin van vijf ontstaan vier nieuwe predikantengezinnen, alleen zoon Jan Harmenszoon kiest voor een beroep als zeemtouwer of leerbewerker in Leiden. Het predikantenberoep wordt een traditie in de familie Schuijl, maar ook bij aangetrouwde families. De schoonzus van Harmen Schuijl trouwt met ene Jan Harmenszoon, een boekverkoper die voor zijn overlijden korte tijd predikant in Noordwijk is. Zijn weduwe trouwt vervolgens met Daniël Jacobszoon, predikant in Sassenheim. Daarom eerst een familieschema. Bij de belangrijkste leden zijn geboorte- en overlijdensdata vermeld.

In 1614 wordt Harmen Schuijl als predikant voor Noordwijkerhout opgevolgd door zijn schoonzoon Pieter Carpentier of Petrus Carpentarius, getrouwd met Annetje Schuijl. Ook Petrus combineert dat met de aanstelling in Voorhout en woont tot aan zijn dood in 1661 in dat dorp. Hij wordt in april 1662 opgevolgd door Jacob Boerhave, de vader van de beroemde Herman Boerhave, niet toevallig een medicus, want dat beroep is gewild binnen predikantenfamilies. Toch had Carpentier in 1647 in Noordwijkerhout zijn werk al beëindigd. Hij was daar opgevolgd door Daniël Peenen, ook weer een predikant uit een Vlaamse migrantenfamilie. Het aantal gereformeerden in Noordwijkerhout bestond weliswaar uit nog geen tien gezinnen en men kon nauwelijks voldoende kandidaten vinden voor een kerkbestuur maar toch meende men aanspraak te kunnen maken op een eigen predikant. En de nieuwe predikant Peenen geeft uit bronnen de indruk dat hij vooral geïnteresseerd was in studie en publicatie van theologisch werken. De dagelijkse geestelijke verzorging van een kleine gemeenschap gaf hem daarvoor alle tijd.
Mogelijk speelde bij het afstoten van Noordwijkerhout door Pieter Carpentier de gezondheid van zijn vrouw een rol. Als Annetje Schuijl overlijdt op 20 januari 1649 wordt haar boedel gedetailleerd opgemaakt en dat geeft een inkijkje in de vermogensopbouw van dit echtpaar. Het bescheiden salaris of tractement van predikant Carpentier blijkt aangevuld te zijn met ontvangsten voor kostgangers, die mogelijk onderwijs volgden bij het predikantenechtpaar. De vermelde namen wijzen in de richting van gegoede families. Het verdiende geld werd omgezet in een uitvoerig beschreven en rijk ogende inboedel. Daarnaast blijkt het echtpaar niet in onroerend goed te hebben geïnvesteerd maar vooral in obligaties. De waarde daarvan bedraagt in totaal bijna zestienduizend gulden, een opmerkelijk bedrag. Alleen de jaarlijkse rente bracht misschien al meer op dan het predikanten tractement van enkele honderden ponden of guldens.
Met de dood van Annetje hield de verbondenheid van de familie Schuijl met het dorp Voorhout echter niet op want Petrus Carpentier zal er nog tot zijn dood in 1661 predikant blijven en de woning van de familie nalaten aan zijn nichtje, de ongetrouwde Adriana Schuijl, dochter van Wijnant Schuijl en Carolina Stoop. Zij was stokoud volgens de notaris in haar laatste testament, had al twee keer eerder een testament op laten maken en verkoopt de woning van de predikantenfamilie naast de Voorhoutse kerk pas in 1696. Maar ook in Noordwijkerhout verdwijnt de naam Schuijl niet. Tien jaar na de dood van Annetje Harmensdochter Schuijl noteren we eerste aankopen van weiland in de Hooge en Laageveense polders door haar neef Harmen Janszoon Schuijl, de Leidse burgemeester.
Jan Harmenszoon Schuijl (circa 1590-1643)
Terwijl het voorbeeld van Petrus en Annetje Carpentier-Schuijl laat zien dat opbouw van vermogen gemeengoed was in predikantenfamilies mogen we ook andere uit het Limburgse vertrokken leden van de Schuijlfamilie tot de financiële middenklasse van die tijd rekenen. Het koopmanschap van vader en zoon Schuijl in Leiden en Amsterdam is een voorbeeld waarbij goed opgeleide familieleden hun fortuin in het gewest Holland kunnen opbouwen. Koopman Everardus Schuijl, zijn voornaam komt tot wanhoop van onderzoekers veel voor, bereikt zelfs een status dat hij korte tijd bewoner van het Huis Dever in Lisse kan worden. Ook Jan Harmenszoon Schuijl zag als enige binnen zijn ouderlijke gezin meer in handel en ambachtelijk werk dan in een carrière als predikant. Jan is in Voorhout geboren, althans dat nemen we aan want bij zijn huwelijk in Leiden staat aangegeven dat hij “jongman van Voorhout wonend in Leiden” was. Hij was zeemtouwer van beroep, dat vak is uit te leggen als bewerker van huiden of leer.
Bij zijn huwelijk in 1612 was zijn “meester” Cornelis Huibertszoon getuige, hetgeen laat zien dat Jan Hermanszoon Schuijl dat jaar nog geen zelfstandig ondernemer was. Maar veel weten we niet over hem. In 1620 weet hij een huis te kopen nabij de Zijlbrug in Leiden, waarbij hij buiten de stad woonde in gebied dat nog wel onder Leids bestuur viel, de zogenaamde vrijdom van de stad. Maar dat huis wordt door Jan in 1638 weer verkocht. Mogelijk had hij een tweede huis of is hij vervolgens in gaan wonen bij zijn zoon Harmen. Die zoon is zover we weten het enig volwassen geworden kind dat Jan heeft gekregen met de Leidse Annetje Pietersdochter van Borssen. Haar ouders woonden in Bergen op Zoom en bij hen kunnen Jan en Annetje enkele leningen afsluiten. Ook ontvangen zij een kleine erfenis. Uit de gegevens rond zijn persoon kunnen we niet afleiden dat zij een vermogend echtpaar vormden. Met zijn beroep onderscheidde Jan zich van de rest van zijn familie maar hij heeft altijd contact met hen gehouden en treedt op als voogd of getuige voor familieleden bij belangrijke gebeurtenissen. Jan Hermanszoon Schuijl is in 1643 overleden, zijn overlijdensakte vermeldt echter een omgekeerde voornaam en patroniem, waardoor er nog enige twijfel is over zijn persoon maar zijn zoon Herman Janszoon was nog springlevend en veel alternatieve kandidaten met de achternaam Schuijl zijn er niet. Zijn weduwe Annetje Pietersdochter Borssen overlijdt hoogstwaarschijnlijk vijf jaar later, haar naam wordt zelf niet eens vermeld in het register, maar wel is duidelijk dat de overledene een relatie had met Jan Hermanszoon Schuijl en dan ligt het invullen van Annetje als zijn echtgenote voor de hand. In 1639 regelt Herman Schuijl met zijn ooms en tantes de overdracht van de gezamenlijk geërfde predikantenwoning van zijn grootouders in Voorhout. Oom en tante Petrus Carpentier en Annetje Schuijl worden eigenaar. Herman neemt hierbij de plaats van zijn vader over.
Herman Janszoon Schuijl (ca 1615-1681)
In tegenstelling tot zijn vader komen we de naam van Herman Schuijl wel regelmatig tegen in de archieven, maar dat is dan voornamelijk als bestuurder van de stad Leiden. Eigenlijk weten we nauwelijks waar Herman zijn latere fortuin mee opgebouwd heeft. Als thesaurier wordt hij meerdere keren genoemd en dat zouden we naar onze tijd kunnen vertalen als financieel controleur, penningmeester of schatkistbewaarder. In maart 1643 vestigt Herman een hypotheek bij de familie Van Rees met als onderpand een huis bij de Zijlpoort dat nog in de boeken van de stad geregistreerd staat op naam van zijn vader. Zeven jaar later wordt dit huis door hem aan dezelfde hypotheekverstrekkers verkocht. Zelf woont hij waarschijnlijk vanaf die tijd aan de Nieuwe Rijn, nu het Utrechtse Veer, maar hij had meer huizen. Bij de Zijlpoort is eeuwen later ter herinnering aan deze burgemeester zijn familiewapen Schuijl ingemetseld, maar inmiddels is dat verhuisd naar de Lakenhal.
Als Herman in 1654 trouwt is hij al zo’n veertig jaar oud, maar over zijn leven voor dat jaar is niet veel gevonden. Toch heeft hij zich al opgewerkt in de rangen van het stadsbestuur. Zijn huwelijk geeft daar een aanwijzing voor. Zijn bruid Theodora Gool is weduwe van Johan van Dijck, burgemeester in Den Briel, met wie zij tien jaar eerder getrouwd was. Haar familie uit adellijke kringen had enig vermogen, zonder hen rijk te kunnen noemen. Als Theodora van vergelijkbare leeftijd als Harmen Janszoon was verklaart dat mogelijk dat dit echtpaar geen kinderen heeft gekregen. Ook het testament dat zij een jaar na het huwelijk opmaken levert een aanwijzing. Theodora had ook uit haar eerder huwelijk geen kinderen die zij als haar erfgenaam kan laten optekenen. Het echtpaar vernieuwt de gemeenschap van goederen in hun langstlevenden testament. Dat is niet de definitieve regeling van hun nalatenschap, er volgen tot hun dood in 1681 nog nieuwe versies van zowel een gezamenlijk als individueel testament.

Kaart aanleg trekvaart: de percelen waarop Houtlust gebouwd is zijn weergegeven. Van twee andere percelen is uit de overdrachtsakte te herleiden waar deze precies lagen.
Als stadsbestuurder is Harmen nauw betrokken geweest bij de aanleg van de trekvaart tussen Leiden en Haarlem. Hij is tresorier of thesaurier “extraordinaris”, dus een buitengewoon of speciaal voor dit grote project aangesteld financieel beheerder. Die trekvaart wordt in 1657 opgeleverd en een jaar later zien we een eerste aankoop van Harmen van een perceel grond in de Lageveense polder. Die wordt snel gevolgd door nieuwe aankopen, opvallend genoeg aan beide zijden van de trekvaart en allemaal op steenworp afstand van het Commissiehuis van de steden Haarlem en Leiden dat precies halverwege de trekvaart stond in het buurtschap Halfweg Lisse. Voor het bestuur van de trekvaartonderneming een belangrijke plek en gezien zijn functie is de bouw van een woning of verblijf door Harmen Schuijl dicht bij het Commissiehuis een logische keuze. De eerste aankoop van Noordwijkerhoutse grond uit september 1658 betreft twee partijen land met een naam, het Sackerlant en De Gouden Bodem. Beide percelen zijn zo’n twee hectare groot en grenzen direct aan het jaagpad van de vaart. De tweede aankoop in oktober betreft echter terrein tegenover het Commissiehuis aan de overkant van de trekvaart. Nu vinden we op dat perceel het treinstation Lisse. Een derde aankoop is weer een perceel aan de Noordwijkerhoutse zijde, maar ook gelegen direct aan de weg langs de trekvaart. Omdat pas tien jaar later nieuwe aankopen volgen en dan al sprake is van een “nieuw getimmerd huis” mogen we ervan uitgaan dat Houtlust door Herman Schuijl gebouwd is op een perceel dat al in 1658 was overgedragen door verkoper Hendrik Matheuszoon Heemskerk of de Noordwijkse boer Pieter Leendertszoon van der Plas.

In 1668 stond het “nieuw getimmerde” Houtlust er dus al maar de vraag is hoe lang dan. Daar is nog een leuke aanwijzing voor gevonden. Voor dit gedeelte van de trekvaart heeft de Leiderdorpse steenhandelaar en kalkbrander Jacob van den Berg enorme hoeveelheden steen geleverd, allemaal per schuit aangevoerd. In zijn nalatenschap is ook een overzicht opgenomen van leveranties voor de trekvaart, vaak gaat het om honderdduizenden stenen. De rekeningen gaat naar de thesauriers van de steden Haarlem en Leiden of naar instellingen. Maar er worden ook rekeningen voor veel kleinere partijen genoemd die op naam staan van personen of particulieren, in een enkel geval met de toevoeging “voor eigen”. Twee relatief kleine leveringen staan op naam van Herman Schuijl. Bewijs is het niet maar er valt ook niet uit te sluiten dat deze leveranties uit 1657 al bedoeld waren voor de aanleg of bouw van Houtlust door deze Leidse burgemeester of voor het bouwrijp maken van zijn percelen.

Met nieuwe aankopen vanaf 1667 wordt Hermans bezit aan de Trekvaart in Lisse en Noordwijkerhout flink uitgebreid. De Leidse burgemeester krijgt op zijn verzoek toestemming van de Staten van Holland eigenaar te mogen worden van het Houtvesterslaantje dat op de grens met Halfweg Lisse ligt, achter het Commissiehuis. Hij dient hiervoor wel jaarlijks zes gulden erfpacht te betalen aan de Houtvesterij Holland. In dit deel van de Laage- en Hoogeveense polders lag vanouds een groot bos, waarvan de Houtvesterij percelen in eigendom had of er erfpachtrechten kon claimen. Houtlust, de naam van Hermans buitenverblijf verwijst naar dit bosrijke gebied.
Opmerkelijke testamenten
Tien jaar na hun huwelijk, in juli 1664, levert Herman in een gesloten envelop een zelfgeschreven testament in bij de notaris. Dat mag pas bij zijn dood geopend worden. Niettemin maakt twee maanden het echtpaar een nieuw langstlevenden testament op waarin zij elkaar tot enig erfgenaam benoemen met nog wat legaten voor familieleden. Weer een jaar later maakt Theodora Gool een nieuw, eigen testament op. Opmerkelijk is dat zij daarbij haar broer Adriaen Gool tot haar enig erfgenaam benoemd en al haar eerdere testamenten nietig verklaart. Dat doet zij “om haar moverende redenen” maar we zullen helaas nooit weten welke dat waren. Daar blijft het niet bij want een jaar voor beider overlijden in 1681wordt nog een wijziging aangebracht in de legaten die in het gezamenlijk testament van 1664 waren opgenomen. Uiteindelijk is de inhoud van dat testament uitgangspunt voor de verdeling van de nalatenschap. Het lijkt alsof het echtpaar tijd nodig had om te berusten in het feit dat zij geen kinderen als erfgenaam konden noemen.
De nalatenschap is omvangrijk. Herman Janszoon Schuijl wordt in zijn overlijdensjaar president of eerste burgemeester van Leiden genoemd en was eigenaar van vijf huizen en een paardenstalling in zijn stad en talrijke percelen land in Lisse, Warmond en Leiderdorp. Dat alles naast zijn buitenverblijf Houtlust in Noordwijkerhout met daarbij zo’n zeven hectare bos- en weiland. Die woning wordt op slechts 300 gulden getaxeerd door de lokale bestuurders. Over zijn totale bezit wordt vijf procent erfbelasting betaald, hetgeen wordt afgerekend per stad of dorp waar het bezit gelegen was of toegerekend werd. In totaal zou de waarde voor de erfbelasting bijna 18.000 gulden bedragen. Kort daarna volgt nog een tweede aanslag voor het aandeel van de kort na Herman overleden Theodora Gool. Onder haar bezit geen onroerend goed maar aandelen in eerdere nalatenschappen binnen haar familie. Bij elkaar een waarde van circa 2.000 gulden. Dat klinkt in verhouding tot haar echtgenoot als een bescheiden vermogen, maar roerende zaken zoals haar parelketting en diamanten ring die aan haar nichtje Maria Gool waren gelegateerd in haar testament vielen buiten de taxaties.
De vermogens werden over het algemeen behoudend of conservatief getaxeerd, dus lager dan je zou verwachten, al kon het beleid per dorp verschillen. Herman Schuijl heeft de kinderen van zijn overleden neef Florentius Everardszoon Schuijl tot erfgenamen van Houtlust benoemd, samen met hun moeder Susanna Rijsburg. Voor Anna en Cornelia Spranckhuijzen, dochters van zijn tante Susanna Schuijl is een legaat van 600 gulden gereserveerd.
Houtlust, lijst eigenaren en bewoners
Alvorens de verdere geschiedenis van Houtlust te beschrijven een overzicht van eigenaren tot 1800.
| Vanaf | Eigenaar | Details |
| 1668 | Hermanus Schuijl | Overlijdt in 1681; bouwt het buitenverblijf |
| 1681 | Erven Hermanus Schuijl | Kinderen Florentius Schuijl met hun moeder Susanna Rijsburg. |
| 1700 | Jacobus Wolff Petronella Carremans | Vachteploter, wonend op ‘t Noord-Rapenburg in Leiden. Zij dopen het huis om in “Wolvenrust”. |
| 1720 | Willem en Cornelis Havius | Willem is provinciaal klerk van het gewest Holland; Cornelis is rentmeester van de domeinen van Eindhoven en werkt voor de prins van Oranje. |
| 1732 | pm | De woning wordt pas voor het eerst vermeld in de dorpsbelastingen! |
| 1737 | Pieter Lamens | Gedwongen verkoop na faillissement. |
| 1741 | Johannes van Blommestijn Helena de Roos | Predikant te Lisse. Naam woning is weer Houtlust. |
| 1772 | Willem (van) Blommestijn Catharina Grommée | Raad en regerend burgemeester van Delft, medicus. |
| 1789 | Diderik Blommestijn Dina Onderdewijngaert | Raad en schepen van Delft, medicus. |
| 1799 | Jan van Eesen Jan Dionys Viruly | Durfinvesteerders uit Rijswijk en Den Haag. |
| 1799 | Afschrijving of afbraak | De bronnen zijn niet duidelijk of het huis niet alleen afgeschreven was voor de dorpsbelasting maar ook afgebroken. |
Erfgenamen: Florentius Schuijl en Susanne Rijsburg met hun kinderen.
De benoeming van de kinderen van zijn neef Florentius Schuijl als zijn erfgenamen is door burgemeester Herman mogelijk mede bepaald door de contacten die hij binnen zijn familie had. De predikantenfamilie Schuijl was wijd verspreid over het land en verhuisde ook nog eens regelmatig. Het testament van Herman Schuijl waarin hij zijn neef tot erfgenaam benoemt wordt opgemaakt in de tijd dat Florentius in Leiden studeert. Florentius Schuijl is in Schiedam geboren in 1619 als zoon van predikant Everard Schuijl en zijn echtgenote Maria van Cuijl. Everard had zijn opleiding gehad aan de universiteit Leiden en was voor zijn aanstelling in Schiedam al beroepen tot Westmaas en Oud-Beierland. Na Schiedam wordt Den Bosch zijn eindstation. Zoon Florentius werkt als rentmeester in Brabant maar volgt ook een opleiding wijsbegeerte aan de universiteit Utrecht en studeert daarna nog filosofie in Leiden en Den Bosch, waarbij hij met de laatste stad terugkeerde naar de plek waar hij opgroeide. Hij trouwde in 1645 in Den Bosch met Susanna Rijsburg en in 1646 wordt daar hun eerste kind Cornelia geboren. Daarna volgen nog negen kinderen, het laatste kind echter in Leiden, want zijn belangstelling voor geneeskunde en plantkunde maakt dat Florentius een studie volgt in Leiden aan de universiteit, waar hij enkele jaren later tot rector magnificus wordt benoemd. Hij wordt in datzelfde jaar 1666 officieel poorter van Leiden met zijn neef burgemeester Herman Janszoon Schuijl als borg. Florentius Schuijl heeft diverse artikelen en boeken op het gebied van plant- en geneeskunde gepubliceerd. Hij overlijdt in Leiden in 1669, twaalf jaar voor de toekenning van Houtlust aan zijn echtgenote Susanna en hun acht volwassen geworden kinderen.

Weduwe Susanna regelt na de dood van haar echtgenoot de financiële zaken van haar jonge gezin, zij krijgt al snel steun van schoonzonen Joachim en Johan Raven, notarissen in Leiden. De familie Raven was ook al actief voor burgemeester Harmen Janszoon. Tussen het oudste en jongste kind liggen twintig jaar. In de tabel hieronder de diverse gezinsleden, hun beroepen of inkomstenbronnen. Het geeft een goed beeld van de maatschappelijke positie van deze familie, de hogere middenklasse.
| Erven Schuijl | Geboren | Getrouwd in…, met… | Beroep echtgenoot |
| Cornelia | 9-7-1646 | 1670 Joachim Raven | Notaris Leiden |
| Ida ** | 3-5-1648 | Ongetrouwd | ** Kledingindustrie Leiden? |
| Maria | 16-8-1650 | 1683 Barthold van Eck | Predikant in Den Bosch |
| Adriana | 9-4-1652 | Jong overleden | |
| Susanna | 23-12-1653 | 1685 Jan Raven | Secretaris Hof van Holland |
| Everard Schuijl | 1-7-1655 | Ongetrouwd; erft niet vanwege vroege dood | Advocaat Leiden, Den Bosch, secretaris Leiderdorp |
| Cornelis | 15-8-1659 | Jong overleden | |
| Florentia | 9-8-1662 | 1684 Johan vd. Treeck | Medicine docter Leiden |
| Anna Hermana | 28-8-1664 | 1690 Geerlof Suijckers | Advocaat Leiden, Den Haag |
| Carolina Adriana | 5-12-1666 | 1690 David Graswinkel Huw in Noordwijkerhout | Advocaat en kapitein van de schutterij in Delft |
** Als de ongetrouwde Ida Schuijl in 1619 overlijdt laat zij geen onroerende goederen na, maar wel obligaties die een waarde van bijna 15.000 gulden vertegenwoordigen. De rente leverde een ruim jaarlijks inkomen. Mogelijk had zij inkomsten uit de Leidse kledingindustrie.
Weduwe Susanna Rijsburg woont in deze periode in de Nieuwesteeg in Leiden, waar haar dochter Ida na haar moeders dood blijft wonen. Het gezin besluit wat onroerend goed te verkopen. In 1685 wordt in Noordwijkerhout weiland De Gouden Bodem en een deel van het Houtvesterslaantje verkocht aan jonkheer Jan Six, die een paar jaar later zijn Sixenburg zal bouwen, iets ten noorden van Houtlust. Het is een buitenverblijf annex boerderij en een huwelijkscadeau voor zijn zoon Nicolaas. De verkoop van Houtlust levert de weduwe Schuijl “tien hondert” gulden op. Dat is precies het bedrag dat zij aan erfbelasting moet betalen over hetgeen haar gezin van burgemeester Harmen Janszoon en zijn vrouw als nalatenschap had ontvangen. Daarnaast moet de weduwe ook het legaat van 600 gulden voor de twee ervende nichtjes Spranckhuijzen zien te financieren. Maar Houtlust met de landerijen in de Lage- en Hoogeveense polders in Lisse en Noordwijkerhout laat zij tot het jaar 1700 verder ongemoeid. In 1690 wordt in de Witte Kerk het huwelijk voltrokken tussen Carolina Adriana Schuijl en David Graswinkel, beiden woonden in Delft. Ongetwijfeld heeft het gezin geweten dat overgrootvader Herman Schuijl predikant in dezelfde Noordwijkerhoutse kerk was, net als oudoom Petrus Carpentier. Het feest zal gevierd zijn aan de Trekvaart, op Houtlust.
Het overlijdensjaar van Susanna Rijsburg is niet precies gevonden, waarschijnlijk was dat 1701. Een jaar daarvoor wordt zij zelf nog genoemd als verkoopster van Houtlust met de Noordwijkerhoutse weilanden en bospercelen. De erfenis van neef en burgemeester Harmen Janszoon bedroeg naast de woning in totaal 32 morgen of 29 hectare aan weilanden. Maar de percelen in Lisse worden pas na Susanna’s dood door haar erfgenamen verkocht. Van de acht kinderen was in 1694 zoon Everard, die secretaris was in Leiderdorp en advocaat in Leiden en Den Bosch, afgevallen als deelnemer in de Houtlusterfenis. Hij heeft zijn aandeel in een besloten testament aan zijn moeder nagelaten, niet aan broers of zussen. Dat testament is in 1698 geopend en kort daarna besluit de familie tot verkoop van Houtlust.
Wolvenrust, Jacobus de Wolff, eigenaar 1700-1719
Eén dag voor Kerstmis 1700 vindt de overdracht plaats van Houtlust. De omschrijving luidt: “…zekere hofstede gelegen onder de heerlijkheid van Noordwijkerhout in de Hoogeveense polder aan de Trekweg omtrent Halfwegen Haarlem en Leiden, nabij de heer Six, voorzien met een bekwaam huis met verscheidene vertrekken, huismanswoning, stalling, tuin, boomgaarden en verdere beplanting en aankleven van dien, tesamen groot acht morgen en honderdtwaalf roeden volgens de meting en kartering van Jan de Smeth, doch bij nadere meting groot bevonden omtrent negen morgen…….met nog vier partijen hooi- of weiland, gelegen naast de ander achter de voornoemde hofstede, tesamen groot vier morgen vijfhonderd en zestien roeden……nog een partij land met elst bepoot genaamd het Houtvesterslaantje…”. Over het bezit moet jaarlijks een oud erfpachtrecht van de Houtvester en het klooster Leeuwenhorst betaald worden, respectievelijk 3 gulden en 2 kapoenen (haantjes).
Koper op de openbare veiing op de Burcht in Leiden is stadsbewoner Jacobus de Wolff, getrouwd met Petronella Karremans. Het echtpaar is van gevorderde leeftijd, voor beiden was het een tweede huwelijk. Jacobus was vachteploter en oud genoeg om Harmen Janszoon Schuijl, die Houtlust bouwde, nog gekend te hebben. Zij hadden een vergelijkbaar beroep, want Harmen heeft als zoon van een zeemtouwer heel wat dierenvellen bewerkt en dat vak mogelijk ook na de dood van zijn vader voortgezet. Het valt dus niet uit te sluiten dat Jacobus de Wolff buitenplaats Houtlust kende. Toepasselijk doopt hij Houtlust om in Wolvenrust. Jacobus was vachteploter in Leiden, had daar enkele huizen en wat grond dus was niet geheel onbemiddeld, maar zeker niet rijk te noemen. De koopsom voor Houtlust met de weilanden bedraagt 7.300 gulden waar nog bijna 300 gulden aan belasting en kosten bij wordt opgeteld. Dat is een fors hoger bedrag dan de taxatiewaarde volgens het dorpsbestuur van Noordwijkerhout dat in 1695 werd vastgesteld toen Everard, één van de ervende kinderen Schuijl overleed. Het bestuur waardeerde de woning met weilanden op slechts 1.855 gulden. Voor het echtpaar De Wolff was de koop dan ook een grote investering gezien de omvang van hun vermogen, dat terug te vinden is in de erfbelasting die in 1720 wordt afgesteld. Jacobus en Petronella zijn kort na elkaar gestorven in de herfst van 1719. Ervende kinderen zijn er niet. Jan Coddelier, een ver familielid ontvangt en regelt hun nalatenschap. De buitenplaats zal door hem verkocht worden op 30 december 1719 aan de heren Havius.
Achtergrondinformatie; bewoning vormt een vraagteken
Hoewel Houtlust of Wolvenrust in 1719 al zo’n vijftig jaar oud was bij de dood van Jacobus de Wolff is tijdens dit onderzoek geen enkele vaste bewoner van de woning in die periode gevonden in de dorpsbelastingen van Noordwijkerhout. Er zijn vijf jaaroverzichten van de belasting beschikbaar, die doorgaans een betrouwbaar en controleerbaar beeld van de bewoners van het dorp geven maar een bewoner van Houtlust valt niet te ontdekken. Dat zou je wel verwachten, want ook al staat vast dat de families Schuijl en De Wolf de buitenplaats gebruikten voor korte of langere perioden, zij woonden er zeker niet het hele jaar. Maar een gebouw heeft onderhoud en toezicht nodig dus het ligt voor de hand dat er een bewoner was die op de woning paste. Namen worden niet genoemd en dat zal op een uitzondering na ook na de verkoop in 1719 nog lang het geval blijven. Opmerkelijk is dat ook het gebouw tot 1732 niet lijkt te bestaan voor de belastinginners. Dat heeft te maken met de op ons als slordig overkomende administratie van dorpsbestuurders. In 1632, 1732 en 1832, dus één keer per 100 jaar is inventarisatie opgemaakt van de gehele bebouwing van een dorp of stad. Tussentijds diende men nieuwe of afgebroken woningen tussen te voegen of te verwijderen. Dan werd ook de gehele voorraad woningen opnieuw genummerd. Tot 1832, maar ook nog tientallen jaren daarna heeft het bestuur van Noordwijkerhout van die nummering een potje gemaakt. Het kan onderzoekers tot wanhoop drijven, want huisnummers worden genoemd in documenten, maar konden allang veranderd zijn. Men begon vaak gewoon opnieuw met tellen of in een andere volgorde.
In 1732 vermeldt de dorpsbelasting dat de nieuwe kopers, de heren Havius “…in eigendom hebben een hofstede nooit tevoren in de verponding getaxeerd geweest, alsnu in huur geoordeeld wordt jaarlijks waardig te wezen 24 gulden…”. Vervolgens wordt de huurwaarde nog twee keer bijgesteld naar uiteindelijk 54 gulden. Daarover werd dan 4 gulden en 10 stuivers aan jaarlijkse verpondingsbelasting geheven. Die verhoging kan een aanwijzing zijn dat de woning bij nader inzien niet als boerderij werd aangemerkt, want boerengebouwen werden volgens een laag tarief getaxeerd, buitenverblijven volgens het hoge. Als in 1795 de Bataafse Republiek wordt uitgeroepen in ons land wordt onder meer de woningadministratie door de ijverige republikeinen aangepakt. Dat is niet alleen uit idealisme, men rekende er waarschijnlijk op meer belasting binnen te kunnen halen. Het leidt in Noordwijkerhout tot het schrappen van maar liefst vijftien nummers of woningen, een achtste deel van het totaal. Zij stonden nog in de administratie maar waren lang daarvoor afgebroken of verkrot. Maar men gebruikt niet altijd de term afbraak voor woningen. Het “afschrijven” van woningen levert dan ook nieuwe vragen op, zoals we hierna nog zullen zien in het geval van Houtlust.
Willem en Cornelis Havius, eigenaren van 1720-1737
Enkele jaren na Houtlust heeft de familie Schuijl ook bijna al haar weilandbezit in Lisse afgestoten. Als Houtlust opnieuw ter veiling wordt aangeboden in december 1719 door de erfgenaam van de familie De Wolff betreft dit dan ook alleen de woning met weilanden en bossen in Noordwijkerhout. De omschrijving in de overdrachtsakte, die meestal gewoon werd overgenomen van de vorige overdracht, bevat dit keer enkele interessante details. Er is sprake van een stal voor “vier paarden en vier koebeesten”. Op zichzelf niet bijzonder, want bij elke woning dus ook de buitenplaatsen werd wel een stal gebouwd. In de omschrijving wordt aangegeven dat ruim vier hectare land is beplant met bos, vooral elzen, in die tijd populair hakhout voor de kachel. Het bos is nu nog bescheiden van omvang, dat zal in de volgende eeuw fors toenemen. Ook is er sprake van een tuinmanswoning en in 1727 treffen we in de verpondingsbelasting voor het eerst de vermelding van een vaste bewoner van Houtlust aan, er is sprake van “de tuinman van de heer Havius”. Waarschijnlijk kende het dorpsbestuur de naam van de goede man niet. Hij wordt een jaar later opnieuw als belastingplichtige vermeld, maar verdwijnt daarna uit de boeken.
De koopsom voor de broers Havius bedraagt 3.700 gulden en dat is slechts de helft van het bedrag dat Jacobus de Wolff twintig jaar eerder nog had geboden op de openbare veiling. Willem en Cornelis Havius kopen Houtlust ook op zo’n veiling. Zij zijn in Den Haag geboren maar hadden familiebanden in de Bollenstreek, met name Rijnsburg. Grootvader Mathias, oud-oom Willem, vader Diderick en broer Mathias waren rentmeester of commies voor de kloosters Rijnsburg en Leeuwenhorst. Koper Willem was rentmeester en advocaat bij het Hof van Holland en werkzaam voor dezelfde kloosters maar ook voor de Ridderschap Holland. Hij was vooral in Den Haag actief, waar hij ook overleden is in 1752. Zijn broer Cornelis overleed vijf jaar eerder. Hij had een functie bij de domeinen in Eindhoven en was beheerder voor de prins van Oranje. De broers Havius zullen Houtlust zo’n zeventien jaar in bezit houden maar met welk doel dat was blijft onduidelijk. Mogelijk vormde de woning een tijdelijk verblijf bij werkzaamheden voor de kloosters of voor bezoek aan familie zoals broer Mathias.
Als rentmeesters zagen zij de aankoop misschien als een investering die terug verdiend kon worden door de weilanden te verhuren en het hakhout uit de bossen openbaar te verkopen. De veilingopbrengst van hout zien we vaker terug als motivatie voor investeringen, het kon aardig wat geld opbrengen. Houtlust vooral als buitenplaats gebruiken lijkt minder logisch gezien de afstand tot de dagelijkse beslommeringen van de broers. Er zijn geen directe aanwijzingen voor de achtergrond van de aankoop gevonden maar mogelijk speelde een relatie met de familie Schuijl ook hier nog een rol. Naast predikanten heeft deze familie tot in de 18e eeuw domeinbeheerders en rentmeesters in de Zuidelijke Nederlanden voortgebracht, met name rond Den Bosch. Cornelis Havius zou als domeinbeheerder in Eindhoven contacten met hen gehad kunnen hebben, zo ook met de predikanten Schuijl waarvan meerdere generaties in Den Bosch, Berlicum en Lith op de kansel stonden. Hoe dan ook, de broers besluiten in 1737 afstand te doen van Houtlust, dat in omvang iets groter is geworden want zij kochten in 1723 nog een perceel weiland van de bakkersweduwe Van Leeuwen. Dat was twee hectare groot. Totale omvang bij de verkoop is 15 morgen en 300 Rijnlandse Roe, dat staat ongeveer gelijk aan dertien en een halve hectare.
Pieter Lamens, hij kwam, zag en verdween weer snel, 1737-1741
Voor zevenduizend gulden verkopen de broers Havius de buitenplaats dat haar naam Houtlust inmiddels terug gekregen had aan ene Pieter Lamens. We noemen hem “ene Pieter” want er is weinig over de goede man te vinden behalve dan als lijdend onderwerp in een zaak voor het Hof van Holland. Pieter sloot voor zijn aankoop een lening af voor vier een half duizend gulden bij Anna de Zwart, weduwe van de Haagse burgemeester Johan Steenis. Hij wordt genoemd in de belastingregisters en heeft mogelijk daadwerkelijk zelf op Houtlust gewoond maar dat was van korte duur want wanbetaling maakt dat weduwe Anna de Zwart een klacht neerlegt bij het Hof van Holland. Er volgt een behandeling met vrijwillige uitspraak of decreet door de rechters. Omdat Pieter ook na deze uitspraak in gebreke blijft volgt een tweede proces. Hierbij wordt door de rechters besloten tot gedwongen verkoop van Houtlust. De buitenplaats wordt openbaar te koop gezet, zoals gebruikelijk op de Burcht in Leiden en na brede aankondiging in stad en dorpen. Bij een eerste biedingsronde meent Wouter van der Vlugt, een Noordwijkerhoutse boer, slim te zijn en een grote slag te kunnen slaan. Hij biedt slechts vijfhonderd gulden voor de woning met weiland en bos. Een belachelijke prijs. Maar er volgt procedureel altijd een tweede kans om te bieden.
Het resultaat van die tweede ronde is opmerkelijk. Pieter Boers, baljuw en schout van Noordwijkerhout biedt 3.100 gulden en wordt eigenaar van Houtlust in oktober 1741. Een maand later verkoopt dezelfde Pieter Boers de buitenplaats weer, nu voor 3.400 gulden. Hij maakt dus 300 gulden winst. Geschiedschrijving is interpretatie en soms valt niet te achterhalen waarom gebeurtenissen plaatsvinden. Dat is hier ook het geval. Als de baljuw te goeder trouw was en een probleem wilde oplossen voor Pieter Lamens is zijn tussenkomst te begrijpen. Maar fe handeling van Boers, blijkbaar niet gehinderd door de andere dorpsbestuurders is niet het enige geval waarin een baljuw en schout winst pakt door als tussenpersoon overdracht van onroerend goed door te sluizen. Enkele jaren eerder verdiende zijn vader Carolus Boers bij twee overdrachten van de buitenplaats Hofwijk aan het Westeinde een nog veel groter bedrag, bijna duizend gulden. Honderd gulden extra valt nog uit te leggen als dekking van gemaakte kosten en gelopen risico maar duizend gulden is dat niet. En misschien zijn er nog wel meer van dit soort interventies van de familie Boers te vinden. Zij had in de 18e eeuw in de regio heel wat in de melk te brokkelen. Het is des te meer opmerkelijk dat de overdrachten van Houtlust waarbij Pieter Boers als koper en verkoper optreedt ook nog eens onder zijn verantwoordelijkheid als baljuw en schout in het rechterlijk archief van Noordwijkerhout worden opgetekend! Tegenwoordig zouden we dat als oneigenlijk gebruik van bevoegdheden kenmerken. Verliezers zijn in dit geval Pieter Lamens die met een lege portemonnee achterblijft en de weduwe in Den Haag, die een groot deel van haar lening nooit terug betaald zal zien.
Terugkeer familie Schuijl: Johan (van) Blommestijn, 1741-1771

Johan (van) Blommestijn is een zoon van Sara Schuijl en apotheker Gijsbrecht van Blommestijn uit Delft. De naam wordt ook geschreven als Blo(e)mmestein of Blommesteyn. Hij trouwde Helena de Roos uit Delft. Met zijn aankoop keert een Schuijl familielid terug naar Noordwijkerhout want hij is via zijn moeder verwant aan Herman Schuijl, de predikant van Voorhout en Noordwijkerhout. De buitenplaats is daarmee in bezit van de derde van vijf takken uit het gezin van de Voorhoutse predikant Herman Schuijl en Adriaentje van de Bosschaert. De Leidse burgemeester Schuijl bouwde Houtlust, hij is zoon van de tak Jan Hermanszoon. Zijn erfgenaam Florentius is zoon van tak Everart Hermanszoon en Sara Schuijl is kleindochter van de tak Wijnant Hermanszoon. Zie ook het eerdere overzicht. Het is natuurlijk gissen maar het familiewapen dat in de gevel van de woning te zien was is een mooi symbool van de verbinding van meerdere generaties Schuijl met deze buitenplaats.
Vanaf januari 1726 is Johan actief als predikant in de gereformeerde gemeente Jesu Christi in Lisse. In 1732 en 1736 koopt hij huizen in dat dorp maar dat belet hem niet om in 1741 Houtlust aan te kopen uit de failliete boedel van Pieter Lamens. Een paar jaar later wordt nog een ruime hectare weiland bijgekocht aan de Armenlaan. Blommestijn is opmerkelijk genoeg de tweede predikant die een woning koopt aan de Trekvaart, want de Noordwijkerhoutse predikant Vergunst kocht in 1737 boerderij Harmensteijn, hemelsbreed een kilometertje van Houtlust. Die aankoop was een maand na de verkoop van Houtlust aan Pieter Lamens. Had predikant misschien Houtlust willen kopen en viste hij achter het net? We zullen het nooit weten.
Johannes Blommestijn is ook bekend van zijn prominente rol in de Leidse Sociëteit voor Kerkelijke Weduwen. Predikanten hadden een vast inkomen, hun tractement. Voor predikanten in de kleinste gemeenschappen was dat geen vetpot, dus werd er bijverdiend en zover na te gaan valt waren de meeste predikantenfamilies in de regio dan ook niet onbemiddeld. De Classis van Leiden heeft al kort na de Reformatie voor een fonds voor predikantenweduwen gepleit en dat leidde mede tot genoemde Leidse Sociëteit. Blommestijn werkt met zijn medebestuurders aan een betere regulering van het fonds. Hun doel in 1749 is om honderd predikanten jaarlijks een contributie te laten betalen van enkele guldens per maand en nieuwe leden daarnaast nog een toetredingsbedrag. De inkomsten worden geinvesteerd in obligaties en de rente daarover moet het fonds verder laten groeien en wordt gebruikt voor uitkeringen aan weduwen. Blommestijn komt hierbij over als een man die graag de puntjes op de “i” zet zoals ook blijkt uit een contract dat hij afsluit in 1746 met Gerrit Coert Steevenhagen voor de huur van een deel van de woning Houtlust. Gerrit betaalt honderd gulden per jaar en is de eerste gebruiker van de buitenplaats die we als vaste bewoner mogen aanmerken. Na drie jaar blijkt Gerrit echter betalingsachterstand te hebben waarna predikant Johannes hem onverbiddelijk voor het Hof van Holland daagt. In zijn verzoek spreekt hij zijn wantrouwen uit richting Steevenhagen, want hij voorziet dat “…Gerrit Coert Steevenhagen in sijn quaad voorneemen soo wanneer hem sulx niet door geregtelijk middelen wert belet sal voortvaren”. Hij vraagt het Hof een deurwaarder op Gerrit af te sturen. Resultaat is dat hij als huurder en daarmee als belastingbetaler verdwijnt uit de boeken van het dorp en en we daar alleen nog de naam Blommestijn zullen tegenkomen. Johan Blommestijn overlijdt als predikant in ruste in 1771, zijn echtgenote Helena de Roos overleeft hem nog zestien jaar.
Willem (van) Blommestijn, eigenaar 1772-1789
Weduwe Helena besluit in 1772 Houtlust te verkopen aan Willem van Blommestijn. Dat is niet haar zoon, want het predikantenechtpaar kreeg weliswaar vier kinderen maar die zijn vroeg overleden. Willem was een neef, zoon van Harmen Blommestijn, de broer van haar overleden echtgenoot. Hij is medicus, lid van de Delftse Vroedschap en oud-burgemeester van die stad. Tevens was hij bewindhebber in de kamer Delft van de V.O.C. De weduwe ontvangt 3.300 gulden voor Houtlust. Ter vergelijk, de dorpsbestuurders taxeerden hetzelfde bezit voor de erfbelasting op slechts 2.000 gulden, al blijft onduidelijk of dit de gehele waarde was of slechts de helft, want de andere helft was van de weduwe zelf.
Helena laat in haar testament in 1782 vastleggen dat neef Willem haar erfgenaam is voor een kwart van haar nalatenschap, de andere drie kwarten zijn verdeeld over een groot aantal erfgenamen. De oude Lissese familie Vlaanderen ontvangt wat geld, net als leden van de familie Van Hasselt, onder hen namen van predikanten. Opvallend is het legaat voor haar “dienstmeyd” Marijtje van Setten, die zelf ook weduwe is en inwonend bij Helena. Marijtje krijgt 500 gulden als zij ten tijde van het overlijden van Helena nog altijd bij haar inwoont, “maar anders niet”. Een sterk bindende voorwaarde en Marijtje zal nog vijf jaar in moeten blijven wonen om dat legaat te mogen ontvangen want Helena overlijdt pas in 1787.
Twee jaar na zijn aankoop van Houtlust later koopt Willem Blommestijn ruim zes hectare weiland, dat deel uitmaakte van het oude Keutel- of Kotelveen, aan de oostzijde van de vaart. Het is hetzelfde gebied waar ook zijn voorvader Heman Janszoon Schuijl weiland in bezit had. En Willem wordt datzelfde jaar eigenaar van boerderij Veenhuizen, naast de Hoogeveense poldermolen. Hij betaalt 6.500 gulden voor de oude buitenplaats van de familie Van Sypesteijn uit Hillegom. Met de vele weilanden is Willem hiermee grootgrondbezitter in de Hooge en Laage Veensepolder geworden maar of hij er vaak kwam blijft onduidelijk. Hij overlijdt in 1789 in Delft. Zijn zoon Diderik Leendert Blommestijn, net als zijn vader een medicus en burgemeester van Delft volgt hem op als eigenaar van zowel Veenhuizen als Houtlust.
Diderik Blommestijn, eigenaar 1789-1799; Van Eesen en Viruly, eigenaren 1799-1804; Elias Rom, eigenaar 1804-1807.
Als enig erfgenaam heeft Diderik in 1789 naast onroerend goed ook het nodige kapitaal mogen ontvangen uit de nalatenschap van zijn gefortuneerde vader Willem en dat verklaart waarom hij nog in datzelfde jaar in Lisse boerderij Overduin aankoopt, met daarbij 34 morgen of bijna 30 hectare weiland in de Laageveense polder, dicht bij Keukenhof. Bij elkaar heeft hij daarmee zo’n 95 hectare weiland met drie woningen in eigendom in een groot, bijna aaneengesloten gebied aan weerszijden van de Trekvaart. Maar heel lang blijft hij met zijn echtgenote Dina Onderdewijngaert echter geen grootgrondbezitter in de polders aan de Trekvaart. Na een mislukte poging op een openbare veiling in 1794 waarin Diderik de bieding ophoudt verkoopt hij vijf jaar later zijn hele bezit. Tot dat jaar heeft hij minstens drie jaar op Houtlust gewoond want twee van zijn kinderen zijn in de Witte Kerk gedoopt. Het echtpaar zou volgens genealogen naar Kleef, Duitsland vertrokken zijn waar Diderik in 1823 overleden is. Kopers van Houtlust zijn de heren Van Eesen uit Rijswijk en Dionys Viruly uit Den Haag. Zij betalen het ronde bedrag van dertigduizend gulden voor het geheel.
Vraagtekens in de dorpsadministratie.
Net als we al eerder zagen bij de dorpsbelastingen van 1732 waarin Houtlust als woning pas voor het eerst wordt opgenomen in de belastingregisters werpt ook de administratie van het dorp Noordwijkerhout uit de laatste jaren van de 18e eeuw weer vragen op. Volgens de overdrachten van Houtlust, Veenhuizen en Overduin door Diderik Blommestijn zou hij woonachtig zijn geweest op Houtlust in 1799 en dat blijkt ook uit de doop van twee dochters in de Witte Kerk van het dorp. Ook in de overdrachtsakte is nog altijd sprake van Houtlust als een gebouw. Maar in de dorpsadministratie heeft twee jaar eerder op last van de bestuurders van de Bataafse Republiek een opschoning plaatsgevonden van het woningenbestand en daarbij is Houtlust “afgeschreven” en verwijderd uit de lijst. Dit wordt nog eens herhaald of bevestigd in 1801. De dorpssecretaris tekent dit ook aan in het oude verpondingenboek van 1733, het jaar waarin de broers Havius nog eigenaar waren. De verponding wordt vanaf 1797 alleen nog berekend over de huurwaarde van de weilanden van Houtlust.
Het blijft echter onduidelijk wat deze term “afgeschreven” volgens de secretaris precies inhield. Betekende afschrijving ook dat de woning afgebroken was en als dat niet het geval was waarom werd de woning dan als afgeschreven beschouwd? Hoe dan ook, de term strookt niet met wat we uit de jaren erna nog in bronnen terugvinden. De heren Jan van Eesen en Jan Dionys Viruly waren weliswaar eigenaar geworden in 1799 maar het lijkt er sterk op dat zij de aankoop als investering zagen met de hoop snel winst te maken door het geheel op te splitsen. Van Eesen stapt bovendien uit de samenwerking in januari 1801 en verkoopt zijn helft voor zeventienduizend gulden aan Viruly. Zes maanden later verkoopt Viruly buitenplaats Houtlust voor negenduizend gulden aan Johan Elias Rom, militair. Hij was ritmeester bij de Huzaren. Weer een jaar later verkoopt Jan Viruly boerderij Veenhuizen voor zevenduizend gulden. Boerderij Overduin kan Viruly pas in 1811 verkopen, hij vangt daarvoor achttienduizend gulden. In totaal heeft hij alsnog tweeduizend gulden winst weten te maken over zijn risicovolle onroerend goed transacties.
In december 1804 komt Houtlust al weer op de woningmarkt en wordt per openbare veiling in Leiden aangeboden. Mogelijk heeft de verkoop door ritmeester Johan Rom te maken met het feit dat hij kort erna de heerlijkheid Poederoyen aan zal kopen en daar tienduizenden guldens voor neer moet tellen. De openbare veiling wordt aangekondigd in de Haarlemse en Leidse Couranten waarin Houtlust nog altijd als woning zou hebben bestaan en zelfs omschreven wordt als een “hegte en sterke huizinge”. Dat rijmt slecht met de eerdere afschrijving van het gebouw. De veiling slaagt echter niet of wordt in het geheel niet meer gehouden want Johan Rom zal Houtlust pas in 1807 weten te verkopen.

Een trio eigenaren: Hoeuft, Crommelin en Gerlings, 1807-1810, 1836,1854
Johan Elias Rom was getrouwd met Anna Gerlings uit de bekende Haarlemse/Heemsteedse notaris familie. Uit die familie heeft hij de Hillegomse kalkbrander Herman Gerlings gevraagd zijn zaken waar te nemen bij de verkoop van Houtlust want zelf woont hij in Gorinchem. De Haarlemmers David Hoeuft, Herman Crommelin en Cornelis Gerlings nemen Houtlust voor zesduizend gulden over van de ritmeester. Twee jaar later stapt David Hoeuft uit de samenwerking, verkoopt zijn derde deel voor tweeduizend gulden. Voor de heren Crommelin en Gerlings, die via familie nauw aan elkaar verwant waren, betekent dit dat zij nu samen de koopprijs van zesduizend gulden delen. Opmerkelijk genoeg zal Crommelin zijn helft aan Cornelis Gerlings verkopen in 1836 voor slechts 3.300 gulden. Dit terwijl de prijzen voor onroerend goed in het achterliggende kwart eeuw al fors gestegen waren. De overdracht van Houtlust vanaf Johan Elias Rom in 1807 tot en met deze laatste verkoop uit 1836 geeft de indruk van een regeling of investering onder vrienden of familieleden, die er niet op uit waren om winst te maken over elkaars rug. Geld lenen was voor de betrokken heren ook niet nodig, zij waren kapitaalkrachtig genoeg.
Pachters op Houtlust
Kort voor deze onderlinge verkoop in 1836 heeft boer Arie van Moorsel drie percelen weiland aan deze twee eigenaren verkocht. Arie en zijn ouders Joost van Moorsel en Gerritje Smit vormen de eerste boeren die op Houtlust gewoond en gewerkt hebben. Joost en Gerritje zijn in 1806 getrouwd, beiden kwamen uit Haarlem. Het is aannemelijk dat zij kort na hun huwelijk al op Houtlust zijn gaan wonen. Dat is waarschijnlijk in 1807 het geval geweest, het jaar van de verkoop van de hofstede aan het trio Hoeuft, Crommelin en Gerlings. Hun dochter Maria die in 1829 met Machiel Smit uit de Ruigenhoek zal trouwen werd nog in 1806 in Haarlem geboren maar haar broer Arie wordt twee jaar later in Noordwijkerhout gedoopt. In 1829, jaar van een volkstelling, wonen op Houtlust Joost en Gerritje van Moorsel-Smit met hun zonen Arie en Hendrik en dochter Maria met haar man, boerenknecht Machiel Smit. deze Machiel Smit was een zoon van Jacob Smit, oorspronkelijk een jager uit Haarlem, maar boer geworden in de Ruigenhoek. Het echtpaar Smit-Van Moorsel heeft een zoon Jacob die in de telling genoemd wordt, negen maanden oud.
Arie van Moorsel zal zijn ouders in 1832 opvolgen als pachter van notaris Cornelis Gerlings en Herman Crommelin, dat jaar beiden nog eigenaar van Houtlust. Arie en de notarissen Cornelis Gerlings senior en junior kenden een lange relatie als pachter en pachtheren van Houtlust dat midden 19e eeuw een omvang heeft van zo’n 31 hectare. Hiervan bestaat echter slechts twintig procent uit weiland. De omvang van de bossen van Houtlust wordt extra duidelijk als we de kadasterkaart van dat deel van de Hoogeveense Polder inkleuren.
Houtlust 1850

Rekening houdend met de historische beschrijvingen van de hofstede leert deze kaart dat de hoeveelheid bos die in de zeventiende eeuw genoemd werd, zo’n vijf hectare, aanmerkelijk is uitgebreid. In totaal beslaan huis, erf en bossen een oppervlakte van bijna vierentwintig hectare. De weilanden zijn samen ruim zes hectare. Met wegen en sloten komt het geheel op ruim dertig hectare. We vinden een nauwkeurige omschrijving terug in een aangekondigde openbare veiling van Houtlust in 1852. De achtergrond voor deze veiling is het overlijden van notaris Cornelis Gerlings senior. De erfgenamen besluiten Houtlust te verkopen, maar uiteindelijk is de prijs van achttienduizend gulden die Noordwijker Jacob van Tricht op de veiling biedt onvoldoende voor de familie. De veiling wordt opgehouden. De boerderij of hofstede wordt in regionale kranten omschreven in een advertentie. “…Men is van voornemen in de maand Augustus of September in veiling te brengen: De HOFSTEDE, genaamd HOUTLUST, gelegen aan den Trekvaart halfweg de steden Leyden en Haarlem, onder Noordwijkerhout, met derselver boerenwoning, gebouwen en verder getimmeren, boomgaarden, welgeconserveerde bosschen en plantsoen, weltoegemaakt WEI- en HOOILANDEN, alsmede uitmuntende Faisanten-jagt, ter grootte van 31 bunders, 12 roeden en 80 ellen. Dit perceel is inmiddels Uit de Hand te Koop…”.
Als notaris zijnde leg je zo’n opgehouden veiling toch maar eventjes vast voor het nageslacht, al was het maar om toekomstige discussies binnen de familie te voorkomen. Dat is dan ook wat Cornelis Gerlings junior doet uitvoeren bij een collega en die akte levert ons interessante details. Van de zes weilanden zijn vier door de familie Gerlings gekocht van Joost van Moorsel en zijn zoon Arie. Drie weilanden aan de zuidzijde blijken in 1834 door Arie gekocht te zijn op een openbare veiling, één al eerder door zijn vader Joost. Het zijn historische weilanden die eeuwenlang verbonden waren aan de eigenaren van het voormalige kasteel de Hooge Boekhorst in Noordwijkerhout. De Vlaamse familie De Merode Westerlo heeft deze laatste weilanden uit haar bezit tegelijk met boerderij de Hooge Boekhorst verkocht.
De zes weilanden blijken vervolgens door Cornelis Gerlings weer aan Arie van Moorsel verhuurd te zijn voor 225 gulden per jaar. Die huur wordt apart verrekend voor wat hij voor de woning en een deel van de bossen moet betalen, die huur bedraagt 555 gulden. Voor het onderhoud van de woning en de niet door hem gehuurde bossen plus het uitdiepen van sloten mag Arie 150 gulden van zijn jaarlijkse pacht aftrekken. Het jachtrecht in de bossen en op de weilanden wordt verhuurd aan de heer Eijma die daarvoor 64 plus 20 gulden betaald. Dat jachtrecht heeft de familie Gerlings weten te behouden al hebben zij daar in 1845 nog strijd voor moeten leveren bij het gerecht en na hoger beroep bij de Hoge Raad. Dat proces draaide om de vraag of de eigenaar van een “lusthof met geschoffelde paden” op zijn eigen terrein mag jagen buiten de periode waarin de jacht open stond. En dat zonder een akte te hebben of deze te kunnen tonen aan een eventuele jachtopzichter. Jachtwetten waren streng en ingewikkeld.
Dat de veiling in 1852 wordt opgehouden is niet vreemd, dit gebeurde wel meer, ook wat Houtlust betreft want de familie Blommestijn had in 1794 ook al eens een poging gedaan haar bezit te verkopen. Men had bij het ophouden van de prijs zelf een bepaalde verwachting rond de prijs in het hoofd en een rekensom gemaakt van wat verkoop meer zou kunnen opleveren dan de jaarlijkse verhuur van het agrarische bezit. In het geval van Houtlust was de bijna jaarlijkse verkoop van hakhout uit de bossen de belangrijkste inkomstenbron. Gezien de omvang van het bos zou je de familie Gerlings als bosbouwers kunnen kwalificeren. De veilingen van hout in de winter kon behoorlijk wat geld opbrengen. Die veilingen werden meestal kort tevoren in de krant aangekondigd en er zijn heel wat advertenties terug te vinden.

Arie van Moorsel en Maria Boot, zowel eigenaren als pachters
In de krant van 1868 plaatst Arie van Moorsel een advertentie waarin hij naast hout- of timmerhout ook plantmateriaal te koop aanbiedt. Dit zou passen bij het rooien van een perceel met bos waar ook in de veiling akte van 1852 door de familie Gerlings al aan gerefereerd wordt. Zij spreken over de huur van landerijen waarbij in de huurprijs rekening is gehouden met “de vroegere gesteldheid als bos”. Arie is waarschijnlijk al voor 1868 begonnen met het ontbossen van Houtlust want hij kan in 1854 de bouwmanswoning met dertig hectare kopen van de familie Gerlings. Opmerkelijk genoeg is dat voor achttienduizend gulden, hetzelfde bedrag waarvoor deze familie twee jaar eerder de aangeboden prijs op de veiling nog heeft opgehouden.
Arie van Moorsel (1808-1870) trouwde twee keer. In 1832 met Johanna Hoogteijlingen, met wie hij vijf kinderen kreeg. Na Johanna’s dood in 1843 hertrouwde Arie vijf jaar later met de bijna zeventien jaar jongere Maria Boot. Met haar krijgt Arie elf kinderen. Van de zestien kinderen met zijn twee echtgenotes zijn vijf kinderen op jonge leeftijd gestorven. Na de dood van haar man weet Maria met haar grote en nog jonge gezin, de oudste is pas negentien, het boerenbedrijf op Houtlust nog jarenlang voort te zetten. Aan Herman Corneliszoon Gerlings verkoopt zij samen met haar schoonzoon Willem Heemskerk die met Maria van Moorsel getrouwd is twaalf hectare bos- en weiland. Dat is ook nodig om het erfdeel van de kinderen in hun vaders nalatenschap te kunnen garanderen, reden waarom de kantonrechter bij de verkoop betrokken is. Voor de weilanden moet Herman Gerlings 28.000 gulden neertellen. Tegenover de 18.000 gulden die zijn familie twintig jaar eerder nog ontving voor zowel de woning als de dertig hectare bos- en weiland betaalt een lid van dezelfde familie nu dus aanzienlijk meer en dat voor nog geen helft van de bos- en weilandpercelen. Niettemin een logische ontwikkeling gezien de sterk gestegen prijzen voor agrarisch onroerend goed.
Het is niet voldoende voor Maria om het boerenbestaan vol te kunnen houden. Zij sluit enkele leningen af, onder andere twee hypotheken bij dezelfde Herman Gerlings in 1882 voor een bedrag van dertienduizend respectievelijk zesentwintighonderd gulden Voor die lening heeft zij haar woning met ruim vier hectare aanliggende gronden als onderpand gesteld. Als Herman overlijdt worden deze hypotheken vermeld in zijn nalatenschap en zijn erfgenamen besluiten in 1888 over te gaan tot een executoriale verkoop van de woning met de ruim vier hectare grond. Die vindt plaats in de koffiekamer van herberg Piet Gijs, maar ook nu wordt de bieding weer opgehouden. De erfgenamen Herman Gerlings blijven tot het jaar 1900 eigenaar van Houtlust en vele landerijen die volgens de boedelbeschrijving bij elkaar éénendertig hectare groot zijn. Daarmee heeft het Houtlustbezit nagenoeg dezelfde omvang als bijna een eeuw eerder, in de periode dat grootvader Cornelis Gerlings senior eigenaar werd.
In het jaar 1900 beëindigt de familie Gerlings haar oude relatie met de buitenplaats en boerenwoning Houtlust aan de Trekvaart. Op een openbare veiling wordt een deel van de landerijen verkocht aan kapitaalkrachtige Haarlemmers maar ook Noordwijkerhoutse agrariërs grijpen hun kans. Simon Pennings en Jacob Parlevliet kopen beiden een perceel land. De directeur van de Haarlemse hypotheekbank wordt voor ruim tienduizend gulden eigenaar van de bouwmanswoning Houtlust met daarbij zo’n zes hectare aan landerijen. Kort daarop verkoopt hij dit aan drie broers. Wouter, Hendrick en Jan Langeveld, de drie jongste zonen van Dirk Langeveld en Geertrui Prins zijn rond de dertig bij hun aankoop en bollenkweker van beroep. Zij betalen hypotheekdirecteur Adriaan Bertling zijn aankoopbedrag met daarboven zijn snel verdiende winst van vijftienhonderd gulden. Houtlust ontwikkelt zich hierna tot een bedrijf dat tientallen jaren lang succesvol bollen teelt aan de Trekvaart. Met de naam Langeveld trots prijkend op de typerende bollenschuur uit 1930.

Foto Houtlust uit de collectie Peter van den Burg, met dank voor het gebruik!
Ouderdom?
Het oude Houtlust heeft in de negentiende eeuw meerdere wijzigingen ondergaan, zoals te zien op details uit kadasterkaarten. In de veilingakte van het jaar 1900 is sprake van “vernieuwing” van de bouwmanswoning. Wat dit precies betekent ten aanzien van de witte woning die we nog kennen van de foto’s blijft onduidelijk. Betekent “vernieuwing” algehele herbouw of slechts renovatie? De ouderdom van Houtlust blijft vanwege de ook al zo vage afschrijving van de woning in 1797 en deze onduidelijkheid rond de term vernieuwing uit 1900 een beetje mysterieus. Dat het familiewapen Schuijl dat ooit de gevel van de buitenplaats uit 1668 sierde bewaard is gebleven is op zichzelf al een klein wondertje. De witte woning is eind vorige eeuw afgebroken. Waarschijnlijk is het wapen bij die afbraak vrijgekomen en jarenlang bewaard. Door de nieuwe eigenaren van de grond, het echtpaar Aanhane-Van den Berg, is op dezelfde plek een nieuwe woning gebouwd. Het Schuijl familiewapen is met respect voor het verleden in die woning in de gevel gemetseld. Uw schrijver heeft jaren geleden de familie bezocht en hen over de achtergrond van het wapen kunnen bijpraten, onder andere over de mogelijke ouderdom van het wapen. Ook is over het wapen een eerste artikel verschenen in het plaatselijk weekblad. Dat wapen zou inmiddels ruim 350 jaar oud kunnen zijn, al is dat moeilijk te bewijzen, maar wel aannemelijk te maken. Het gesprek heeft er mede toe geleid dat na de ramp van het afbranden van de nieuwe woning het wapen door deze familie voorzichtig uit het verwoeste huis is verwijderd en door hen aan het dorpsmuseum is geschonken. Het is te hopen dat dit symbool van gevarieerde aspecten uit de dorpsgeschiedenis in dat museum aan de Zeestraat in Noordwijkerhout een mooi plekje gaat krijgen.
