Je bekijkt nu 1757 De “buijtenspoorig kranksinnige” pastoor Romain
1755 De Gecommitteerde Raden van Holland spreken over Johannes Romain als "buitenspoorig kranksinnig"

1757 De “buijtenspoorig kranksinnige” pastoor Romain

Er was eens… een “buijtenspoorig kranksinnige” pastoor in Noordwijkerhout. De term buitensporig krankzinnig is een aangehaald citaat van de Gecommitteerde Raden van Holland uit 1757. Wat we bij die term  moeten voorstellen zal voor altijd een geheim blijven want nergens is de geestelijke toestand van pastoor Jan Romain precies omschreven.

Johannes Franciscus Romain is op 8 december 1716 in Amsterdam geboren. Hij werd katholiek gedoopt in de Franse kapel in die stad als zoon van Laurent Honoré Romain en Ephemia (Femmetje) van der Horst. Omdat we in zijn familie meer geestelijken tegenkomen mogen we er van uitgaan dat het gezin streng gelovig was. Vader Romain was waarschijnlijk bakker aan de Joodebreestraat of Raamgracht want in zijn nalatenschap komen we enkele bakkerswoningen tegen. We weten niet veel van de carrière van de aartspriester Jan Romain. Voor zijn komst naar Noordwijkerhout was hij enkele jaren pastoor in Den Briel, maar daar had hij zelfs niet de beschikking had een schuilkerk omdat die in handen was van de Jansenisten, een aftakking binnen de kerk van Rome. Pastoor Romain waakte over het zielenheil van zijn gelovigen vanuit het huis van een Briellenaar.

In 1753 krijgt hij een aanstelling in Noordwijkerhout. Hoe hij aan zijn benoeming is gekomen is niet duidelijk. De bisdommmen waren met de Reformatie opgeheven en Holland werd door Rome gezien als zendingsgebied. Maar dat betekende niet dat de kerkelijke organisatie geheel verdwenen was. Via kapittels en vicarissen werd de katholieke burger ondersteund. Het vrij plotselinge vertrek van pastoor Hoefens die slechts twee jaar in het dorp heeft gewerkt vormde aanleiding voor de kerkmeesters van de Statie Noordwijkerhout om een nieuwe pastoor te zoeken. Voor Johannes Romain lag het dorp een stuk dichter bij zijn geboorteplaats Amsterdam. Hij trekt in de pastorie die niet zo lang daarvoor gebouwd is bij de kerkboerderij aan de Kerkstraat, voorganger van de Victorkerk. De boerderij die door de familie Verdel veertig jaar eerder verkocht was aan de kerkmeesters moet midden 18e eeuw al behoorlijk oud geweest zijn, maar de pastorie was dus vrij nieuw. Een eigen kerk en een goede woning was voor Romain dan ook een behoorlijke verbetering ten opzichte van zijn situatie in Den Briel.

Heel lang heeft de grote katholieke gemeenschap niet kunnen genieten van haar nieuwe pastoor. In april 1757 richten de kerkmeesters Hendrick en Pieter Heemskerk, Jan Meeszoon van Bourgondien, Cornelis Brelofsbergen en Johannes Thijssen zich tot de baljuw en welgeboren mannen die samen de Hooge Vierschaar van de dorpen Noordwijkerhout, Hillegom, Lisse en Voorhout vormen. Dit hoogste college burgerrechtspraak buigt zich over hun verzoek om “Johannes Franciscus Romain, Rooms werelds priester” uit de pastorie te “evacueren” omdat hij “verre buijten sinnen en verstandt geraakt is, (zo)dat deselve (hij) in sonderheijd wanneer de quaal van tijd tot tijd heeft toegenomen, volstrekt incapabel geworden is omme in die qualiteijd als Roomsch werelds priester te kunnen continueeren”.

De kerkmeesters stellen in hun brief dat zij uit medelijden met de ongelukkige situatie van haar priester lang “gepatienteert” (geduldig) zijn geweest en daarom ook geen bezwaar hadden dat de overheid al eerder de kapelaan Van Rossen had aangesteld om de pastoor te assisteren maar dat deze kapelaan niet langer onder “het opsigt van een nu geheel zinneloos mensch” kon volharden in zijn werk. Waarbij Van Rossen de pastorie zelfs had moeten verlaten om zich aan de woede van Johannes Romain te kunnen onttrekken. Hoewel de pastoor en zijn “parentage” (ouder, hier zijn moeder) aangegeven is dat hun werk nu geheel vruchteloos was geworden en het beter was dat zij de pastorie zouden verlaten was daar geen gehoor aan gegeven.

Ook een eerdere aanschrijving via het gerecht tot het vertrek uit de pastorie had geen effect gehad. De kerkmeesters verzoeken de Vierschaar tot ontruiming over te gaan, zodat de pastorie door Henricus Nicolaas van Rossen kan worden betrokken. De baljuw en zijn welgeboren mannen besluiten op dit verzoek dat de bode van de Vierschaar zich vervoegen moet “aan de Roomsche pastorie van Noortwijkerhout om desnoods geadsisteert met de sterke hand der Justitie van daar Johannes Franciscus Romain en zijn Parentage en huijsgesin de facto te delogeeren en deselver pastorie te evacueren, omme bij Henricus Nicolaas van Rossen te worden aanvaart”.

Kortom: pastoor Romain moet binnen drie keer 24 uur vertrekken. Het besluit van de Vierschaar was afgestemd met de Gecommitteerde Raden van Holland, een uitvoeringsorgaan van de Staten van Holland. Die hadden de zaak “geexamineerd” en steunden het besluit van de burgerrechters. Opvallend is dat de term “buijtenspoorig kranksinnig” alleen door de Gecommitteerde Raden wordt gebruikt. Zowel de kerkmeesters als de Vierschaar spreken in minder krachtige bewoordingen. De documenten vertellen ons slechts summier wat de pastoor mankeerde. De opdracht aan gerechtsbode Andries Waalewijn gerechtsbode de pastoor aan te zeggen de pastorie te verlaten is nog het meest duidelijk.

“…Soo het in de gemeente als verder kennelijk is dat de heer priester Romain al sedert een geruijme tijd door sijn bekende en gevaarlijke toestand en toevallen ten eenen maale buijten staat is om den dienst in de kerk en gemeente naar behooren te excerseren…daar omme en ter dier oorsaake dan ook aan hem heer pastoor Romain als meede aan de juffrouw en heer geinsinueerden sulks is vertoond met de waarschijnlijke dangereuse gevolgen van de toestand van de priester en derhalve in het vriendelijke en andermaalen versogt dat de respectieve geinsinueerden de gemelde pastorie binnen een bequaame gestelde tijd soue gelieve te ontruijmen…”

De toestand van de pastoor zou gevaarlijk zijn voor zijn omgeving en zich al geruime tijd hebben voorgedaan. Daarnaast wordt duidelijk dat de pastoor in het gezelschap verkeerde van zijn moeder Euphemia van der Horst en mogelijk ook van zijn broer Pieter Laurenszoon Romain, een medicine doctor (arts) uit Amsterdam. Broer en moeder worden immers ook aangeschreven en waren waarschijnlijk in de pastorie aanwezig in het voorjaar van 1757. De vraag is waarom de familie van de pastoor betrokken wordt in de zaak. De conclusie ligt voor de hand dat de pastoor vrij plotseling “dangereus” voor zijn omgeving moet zijn geworden, ook al wordt er gesproken over de “geruijme tijd” waarin zijn buitensporige toestand zich zou hebben voorgedaan. Er is een belangrijke aanwijzing voor het begin van de toevallen van de pastoor. Dat wordt gevormd door een document uit oktober 1755, een eigenhandig geschreven brief van de pastoor. Hij treedt op als bemiddelaar in een conflict tussen de broers Pieter en Willem van Leeuwen, erfgenamen van Dirck Coenraatszoon Oostdam, die getrouwd was met een zus van de broers.

Brief van pastoor Romain als bemiddelaar in een nalatenschapsconflict binnen de familie Oostdam – Van Leeuwen

Grietje en Dirck Oostdam-Van Leeuwen zijn kort na elkaar gestorven. Dirck heeft op zijn sterfbed nog wat beloftes aan familieleden gedaan over de verdeling van zijn nalatenschap en dat is aanleiding voor ruzie onder zijn erfgenamen. De zaak wordt aangekaart bij het Hof van Holland maar uiteindelijk door bemiddeling van pastoor Romain tot een goed einde gebracht. De pastoor was anderhalf jaar voor zijn uitzetting geestelijk dus nog geheel in orde. Het begrip geruime tijd dat door de kerkmeesters wordt aangedragen wordt daarmee flink genuanceerd. Ook de aanwezigheid van moeder Euphemia en mogelijk ook broer Pieter in de pastorie doet vermoeden dat Johannes Romain vrij plotseling ziek is geworden. Of de doctor medicine Pieter Romain de pastoor daarbij werkelijk tot steun is geweest valt in geval van geestesziekte te betwijfelen, maar het verklaart wel zijn betrokkenheid. Overigens was deze Amsterdamse dokter niet bepaald welgesteld, hij heeft in 1758 zelfs geen geld om zijn overleden vrouw te begraven. Ook armoe kan dus een reden zijn om zijn aanwezigheid in de pastorie te verklaren.

Doorgaans hebben mensen met een plotselinge en heftige geestesziekte geen lang leven meer maar dat is hier zeker niet het geval. In 1775 is de pastoor getuige bij een doop binnen zijn familie, een rol die je niet zou verwachten van een “ongehoord krankzinnige”. Leed de pastoor aan een ziekte zoals epilepsie met voor de omgeving enge lichaamsschokken en wartaal? We zullen het helaas nooit weten. Johannes Franciscus Romein overlijdt pas 37 jaar na zijn uitzetting in Noordwijkerhout, in 1794. Hij was met zijn zus Catharina erfgenaam van het ouderlijk bezit en niets wijst erop dat hij vanwege zijn ziekte onder curatele is gesteld. In dat geval zouden bewindvoerders genoemd zijn in de nalatenschap. De boedel van de pastoor wordt in 1795 opgemaakt en Johannes Franciscus blijkt voor de helft eigenaar van vier huizen in Amsterdam, waarvan drie aan de Joodebreestraat. En daarnaast is hij nog voor een kwart eigenaar van een broodbakkerij in de voormalige herberg de Druif. Onbemiddeld was de pastoor aan het einde van zijn leven dus niet, al is het lijstje roerende goederen zeer bescheiden. Maar hij kon er blijkbaar gewoon zelf over beschikken. Dat geldt ook voor zijn boekencollectie die al voor het opmaken van het lijstje per opbod was verkocht.

Beschrijving van de roerende goederen in de nalatenschap van pastoor Romain

Dat pastoor Romain na de rechterlijke uitspraken vertrokken is staat vast want kapelaan Van Rossen volgt hem op in 1757. Opmerkelijk in deze kwestie rond Johannes Romain is dat geen enkele keer sprake is van hulp of aansturing vanuit de roomse kerkorganisatie. De kerkmeesters van Noordwijkerhout zijn aangewezen op het plaatselijk gerecht en de Gecommitteerde Raden van Holland, colleges die meestal door gereformeerde burgers ingevuld werden. Johannes Francisus wordt in de stukken rond zijn nalatenschappen beschreven als “in leven zijnde Rooms priester”. Hij lijkt dus nooit uit dat ambt te zijn gezet, hoewel de sobere Roomse kerkorganisatie uit die periode daar misschien ook helemaal niet toe in staat was. Pastoor Romain overlijdt in het plaatsje Loickum in Noordrijn Westfalen in de woning van zijn collega Jan Willem Rechtman. Dat is op flinke afstand van zijn kwelgeesten uit Noordwijkerhout en volledig uit het zicht van de Gecommitteerde Raden van Holland. Daarom mogen we niet uitsluiten dat de “ongehoord krankzinnige” in dat katholieke boerendorp, niet ver van Emmerich weer als pastoor gefunctioneerd heeft.

1795 Notaris Cappenberg regelt de nalatenschap van Johannes Romain, die in het kleine plaatsje Loickum is overleden

Geef een antwoord

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.