Stenen kennen geen tijd, mensen wel. Kernachtig samengevat is dit de reden waarom in Noordwijkerhout het klooster Leeuwenhorst en het kasteel De Hooge Boekhorst verdwenen zijn. Als het aan de stenen gelegen had zouden de gebouwen ook nu nog bestaan hebben maar geloofsstrijd, hebzucht en twijfelachtige figuren leidden tot sloop. Kasteel en klooster zijn beiden in dezelfde jaren gebouwd, begonnen vanaf 1272. Dat is ook de periode die volgens deskundigen aan de bouw van de Witte Kerk verbonden mag worden. Drie belangrijke gebouwen die kort na elkaar in het kleine Noordwijkerhout verrijzen, dat is opmerkelijk en het werpt de vraag op of dit een gevolg was van de eerdere splitsing van het gebied Nortghe door twee zonen uit de heersende familie van Hughe van Nortghe. De dorpskern van Noordwijk-Binnen was in de eeuwen daarvoor van groter belang voor de regio dan de kleine kern van Noordwijkerhout. De loop van de dorpsgrenzen die we nu kennen zijn door Hughe van Northge en zijn kinderen bepaald, waarbij overigens niet over het hoofd gezien mag worden dat het overgrote deel van de omvangrijke duinen eigendom was en bleef van de graven van Holland. Heeft de familie Van Northge het Noordwijkerhoutse deel op willen laten stomen in de vaart der volkeren door een actieve rol bij de bouw van klooster en kasteel te spelen en tot vernieuwing van de kerk te besluiten? Zeker wat de kerk betreft lijkt dat een logische conclusie maar het valt moeilijk te bewijzen want archieven uit de dertiende eeuw leveren slechts fragmenten van het leven in die tijd.

Des te meer mogen we ons gelukkig prijzen met het archief van het klooster Leeuwenhorst dat vanaf de stichting bewaard is gebleven. En kunnen we ook hier nog eens waardering uitspreken voor het boek “Verborgen en geborgen” uit 1994 van historica Geertruida de Moor. Haar standaardwerk over de cisterciënerinnen kloosterorde aan de Leeweg is een knappe ordening van de informatie uit het archief. Dat bestaat uit de periode voor de Reformatie uit moeilijk leesbare charters en jaarrekeningen waarvan de beknopt beschreven details door deze historica in thema’s zijn ondergebracht. Monnikenwerk voor een nonnenklooster. De bewondering voor haar geduld, vaardigheden en interpretatie groeit naarmate men zelf het Leeuwenhorstarchief induikt.
Dat archief bestaat uit twee delen die in ons Nationaal Archief los van elkaar worden bewaard. De splitsing is een direct gevolg van de Reformatie en bestaat uit de periode voor en na het jaar 1571. Het verbod op de openlijke uitoefening van de katholieke eredienst leidde het einde van de cisterciënerinnen kloosterorde in. Aanvankelijk werd ook het kloosterbezit geconfisqueerd door de opstandige Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden hoewel die formeel pas in 1581 ontstond met de Acte van Verlatinghe. Het bezit werd simpelweg op naam van het gewest Holland gezet en dat staat bekend als de Annotatie. Wie deze ontwikkeling kent zal begrijpen dat dit een onderbelicht onderdeel van de vaderlandse geschiedenis is, een stille revolutie. Met name als dit bekeken wordt vanuit het principe van scheiding van kerk en staat want hier werd de kerk ruw door de staat overgenomen.
Maar de Ridderschap Holland, waarvan aangesloten families eeuwenlang het klooster hadden ondersteund met giften wist het eigendom van het omvangrijke onroerend goed van de kloosters Leeuwenhorst en Rijnsburg veilig te stellen in 1582, hoewel dat kantje boord was. Dat had de Ridderschap te danken aan de verdiensten van haar leden tijdens de opstand tegen koning Philips de Tweede en aan de eeuwenlange trouwe diensten aan de graven van Holland. Op 21 augustus 1582 tekent stadhouder Willem van Oranje een verbod op de verkoop van het bezit van beide kloosters, een voor de regio belangrijk besluit. Daarom de passage waarin de achtergrond van het besluit wordt beschreven. Het staat in de wij-vorm, “wij” is hier de stadhouder; minder bekende woorden zijn in spelling aangepast. “…Alzoo de Ridderschap ende Eedelen van hollandt ons tot meermael geremonstreert ende verthoont hebben gehadt, dat nademael de beroepinge van den Edeldom voornemelijck altijts geweest is om den heere van den landen met raedt ende daet t’assisteren ende daertoe ten dienste van den zelven heere, ende tot bescherminge der landen de wapenen te draghen;, heure remonstranten voorouders ende voorsaeten verscheijden goede diensten daerinne eertijts gedaen hebben gehadt, sonder lijff ofte goet te sparen, ende oijck met verlies vandien ‘twelck aenmerckende hooghe memorijen Graven ende Gravinnen van hollandt, ende omme deselven Edelluijden totten voornoemde dienste meer te veroorsaecken ende te verwecken hadden in faveur van henluijden gemaeckt ende gesticht binnen hollandt verscheijden stichten ende fondatien ter eere Gods ende tot onderhoudt der Edelluijden kinderen ende dochteren als namentlijck de Collegien ende Abdijen van Rheijnsburch, Leuwenhorst, Conincxvelt, Loosduijnen ende meer andere, oick voor manspersoonen, deselve gestichten begaevende met wel schoone parthijen van goederen…etc”
Hoewel dit besluit pas in 1582 officieel van kracht werd zijn de inkomsten uit het kloosterbezit vanaf 1574 al verdeeld onder de overgebleven nonnen en kwamen vanaf dat jaar ook al ten goede aan aangewezen ongetrouwde dochters uit de adellijke families. In feite was dit laatste een voortzetting van de middeleeuwse gewoonte om de adellijke juffers in het klooster met een goede opleiding voor te bereiden op een huwelijk. Mochten ouders geen geschikte kandidaat weten te vinden, dan bleven de dames in het klooster “opgeborgen”. Dit verhaal gaat met name dieper in op de moeilijk te doorgronden periode tussen 1574 en 1582 waarin afbraak en ontmanteling van de gebouwen en de kloosterorde tot stand kwam.
Vele bronnen.
Om het proces van afbraak en ontmanteling te kunnen beschrijven is gebruik gemaakt van allerlei bronnen. Naast de jaarrekeningen van het klooster Leeuwenhorst van rentmeester Adriaen Mouwerijnszoon de Grebber zijn een paar fragmenten uit het werk van Cornelis Dirckszoon van Alckemade gebruikt. Zijn voorouders komen van het Westeinde in Noordwijkerhout en bakkerszoon Cornelis verdiende zelf het brood als notaris in Leiden en Rotterdam. Hij wordt algemeen gezien als een vroege Hollandse geschiedschrijver en staat bekend als verwoed verzamelaar van historische documenten. Het toeval wil dat de grootvader van Cornelis een broer is van Joosje, die Tielman van den Berg trouwde en daarmee een voorouder is van uw schrijver aan moederszijde. En dan is het leuk om te bedenken dat Cornelis van Alckemade met honderd procent zekerheid dezelfde documenten in handen heeft gehad rond het hier beschreven onderwerp. Cornelis heeft met zijn schoonzoon Pieter van der Schelling veel gepubliceerd, ook over het klooster en daarin noemt hij details die nu niet meer in Den Haag te zien zijn. De collectie materiaal van Cornelis is vanaf de 19e eeuw verkocht, daardoor versnipperd geraakt en sommige documenten zijn geheel verloren gegaan of niet meer traceerbaar.
Daarnaast zijn tal van andere bronnen geraadpleegd zoals notarisakten, rechterlijke archieven, kaarten en genealogische overzichten, alles om zoveel mogelijk details bij elkaar te schrapen voor beter inzicht. Misschien wordt in de toekomst nog meer gevonden. Dat zal als updates op de website verwerkt worden. Tenslotte vormen de bewaard gebleven brieven van rentmeester Adriaen Mouwerijnszoon de Grebber aan Arent van Dorp, één van zijn opdrachtgevers, een waardevolle aanvulling, temeer omdat uit dit onderzoek duidelijk is geworden dat er een stevige relatie tussen deze Van Dorp en de kloosterorde bestond.
Relatie nonnen Leeuwenhorst en Van Dorp.
Adriaen Mourijnszoon was rentmeester voor Arent van Dorp in de regio Rijnland. Enkele jaren terug gaf de eerste lezing van Adriaens brieven de indruk dat hij meer voor Van Dorp actief was dan voor de naar Leiden gevluchte kloosterorde. Dat kwam ook omdat weinig bekend was over de status van de functie van Adriaen na de dood van abdis Johanna van der Does in augustus 1574. Nu voor dit onderzoek aanmerkelijk meer materiaal gezocht en gevonden is de conclusie dat de verhoudingen tussen de hoofdrolspelers aanmerkelijk genuanceerder liggen.
In de eerste plaats blijkt dat Elisabeth van Dorp, de in 1573 overleden priorin van het klooster Leeuwenhorst een zus is van Arent van Dorp. En in zijn briefverkeer spreekt de rentmeester ook over een “nicht” van Van Dorp en zijn vrouw Antonette de Grillet. Dat begrip nicht is in die tijd nog wat rekbaar, mag breder uitgelegd worden. Arent van Dorp is verwant aan de familie Crouser of Croeser. Een zekere Johanna Croeser wordt door Adriaen genoemd wordt in zijn jaarrekeningen als non met een uitkering of prebende. Zij zou de nicht van Arent kunnen zijn. Maar in een latere jaarrekening wordt gesproken over een Jacquelijne van Dorp, ook zij is ontvangster van prebenden en zou als 15- of 16-jarige vrouw in Leiden in de kloosterorde opgenomen zijn. Zij is een dochter van Anna van Meecker en Joost van Dorp, een oudere broer van Arent. Met de nicht waar in de brieven over gesproken wordt kan dus zowel Johanna Croeser als Jacquelijne van Dorp bedoeld zijn maar we houden het vooralsnog op de laatste.
Rentmeester Adriaen bedankt in één van zijn brieven het echtpaar Van Dorp namens hun nicht voor de mantel of tabberd die zij gestuurd hebben. Bij een andere gelegenheid brengt hij de boodschap over dat hun nicht graag “franchois” zou willen leren en vraagt om advies hoe op dit verzoek te reageren of wie hiervoor in te schakelen. In maart 1575 ontvangen de nonnen in Leiden enkele tonnen haring van Arent van Dorp. De rentmeester stuurt een bedankje en vermeldt daarbij ook een tonnetje bij Foy van Brouckhoven, de baljuw van Rijnland, afgegeven te hebben. Een goede verhouding met deze belangrijke man kon immers geen kwaad. Bovendien blijkt uit latere brieven dat huizen in Leiden van Van Brouckhoven en Van Dorp met de achterkant aan elkaar verbonden waren. Dat levert nog grappige details op zoals de discussie wie van de twee huiseigenaren recht had op het “secreet” (wc) die blijkbaar in de achtermuren in- of aangebouwd was.
De juffrouwen danken Van Dorp in 1575 ook voor zijn bemoeienis “bij zijne excellentie”, waar Willem van Oranje mee bedoeld wordt, waarschijnlijk heeft dit betrekking op militaire bescherming. Dit zou te maken kunnen hebben met de voor katholieken dat jaar nog zeer vijandige bevolking van Leiden. Veel katholieken waren om die reden de stad ontvlucht en staan bekend als “Glippers”. Maar de nonnen kwamen de stad juist binnen in die periode, worden opgevangen in voormalige kloosters of bij katholieke particulieren. In deze brief onderstrepen de “kloostermaagden” zoals Cornelis van Alckemade hen noemt, hun dank ook met een uitnodiging aan Van Dorp hen eens te bezoeken op hun nieuwe woonplek aan het Pieterskerkhof. “In hun nieuwe onderkomen zal altijd een kamer voor Van Dorp en zijn echtgenote beschikbaar zijn mocht hij de stad komen bezoeken” schrijft hun rentmeester. Arent van Dorp heeft dus een oude en stevige relatie met de nonnen van het klooster.
Met Arent van Dorp noemen we een man waar veel over bekend is terwijl het toch moeilijk blijft om een karakterprofiel te geven. Dit is kenmerkend voor de bizarre verhoudingen en ontwikkelingen tussen personen of bevolkingsgroepen tijdens het eerste deel van de Tachtigjarige Oorlog. Zo zou Arent (1528-1600) als curator van de nalatenschap van admiraal Maximiliaan van Bourgondiën de erfgenamen opgelicht hebben. Hij leende geld aan Willem van Oranje op voorwaarde dat deze eerst de stad Mechelen zou innemen. Dat ging zonder veel geweld want het stadsbestuur zette zelf de poorten open. Daar zetelde de Grote Raad, voorganger van onze Hoge Raad. Hierover stellen onderzoekers dat Arent zijn verzoek gedaan heeft om zo toegang te krijgen tot de archieven van de Raad zodat hij belastende bewijzen tegen zijn persoon kon vernietigen. Dat zou hem ook gelukt zijn, naast de roof van goud en juwelen van de erfgenamen. Een maand na de inname slaat de beruchte Spaanse hertog van Alva hard terug en bestraft op gruwelijke manier de Mechelse bevolking. Voor zijn lening en steun aan Willem van Oranje zou Arent later 144 morgen (125 hectare) land in Leiderdorp geschonken zijn. Die landerijen kwamen uit de voorraad geannoteerde goederen in dat dorp.
Arent van Dorp verdedigde als militair de stad Zierikzee in 1576 bij belegering door de Spaanse troepen, een gebeurtenis die genoemd wordt in een brief van zijn vrouw Antonette Grillet de Rocheteau aan rentmeester De Grebber. Arent behoorde jarenlang tot de binnenste kring of vertrouwelingen van de prins van Oranje, bekleedde allerlei politieke en militaire functies en bouwde in de tussentijd aan een groot vermogen. Maar in 1594 wordt hij opmerkelijk genoeg als 65-jarige door de Staten van Holland aangeklaagd wegens landverraad. De vriend van de Oranjes is nu een vijand van de Staat geworden. Arent maakt het einde van zijn proces niet meer mee, hij overlijdt in het jaar 1600. Het voert te ver om hier verder in detail in te gaan op zijn persoon, maar de man is een voorbeeld van de complexe rollen die door personen uit deze periode van de vaderlandse geschiedenis werden vervuld.

Ook in 1576 werd Van Dorp beschuldigd van ondeugdelijke praktijken. Dat vinden we terug in een brief die zijn echtgenote Antonette Grillet in april van dat jaar stuurt aan rentmeester Adriaen Mourijnszoon. Haar man verdedigt met anderen de omsingelde stad Zierikzee tijdens het beleg van die stad en zij hoopt dat de stad ontzet zal worden, net als bij Leiden eerder het geval was. Antonette klaagt over de beschuldigingen en roddels rond haar man Arent van Dorp. Zij schrijft onder meer: “…ic versta uit uw brieff dat ghij ons zeere beclaecht daer ic voor bedanke; alle tgeen dat tot achterdeel van mijn man gheseijt wort dat geschiet al uijt haet ende nijt, die Heere wilt haer lieden vergheven. Ic weet wel dat hij geen schult daer in heeft…”. Zij regelt tevens wat kleine financiële zaken met de rentmeester.
Werkzaamheden rentmeester Adriaen voor Van Dorp
Als goed rentmeester is Adriaen voor Van Dorp ijverig op zoek naar allerlei mogelijkheden om financieel voordeel te behalen en dat in een periode waarin de jonge Republiek organisatorisch nog volop in ontwikkeling is en strijd geleverd moet worden op het slagveld. Hierbij lijkt de opstandige bevolking overigens regelrecht op een financiële afgrond af te stormen. Het briefverkeer tussen Adriaen en zijn broodheer geeft inzicht in de wijze waarop de twee heren proberen voordeel uit de situatie te halen. Opportunisme is troef. Het beoogde voordeel is echter tot circa 1577 afhankelijk van de politieke en militaire ontwikkelingen. In zijn brieven vinden we aanwijzingen van Adriaen over de politieke situatie of worden plaatsen genoemd waar Spaanse troepen zich ophouden. Het levert enkele boeiende details op. Een maand na het Ontzet van Leiden stelt Adriaen aan Van Dorp voor partijen steen en klinkers aan te kopen aan “de Wadding” (Voorschoten/Oegstgeest/Valkenburg) terwijl zich daar nog Spaanse troepen bevinden maar onze rentmeester is ervan overtuigd dat die snel zullen vertrekken. In een brief uit 1575 spreekt hij over een verzameling troepen bij Utrecht, waar een nieuwe dreiging van uitgaat. En ook schrijft Adriaen in een klein briefje dat de schutterij van de stad Leiden op 23 augustus van datzelfde jaar de boomgaard van het klooster Roomburg heeft omgehakt uit angst voor een nieuwe aanval van de Spanjaarden die met een vloot op “de Meer” (Leidse of Haarlemmer Meer) dreigend aanwezig waren. Maar tot opluchting trok deze troepenmacht volgens hem richting “de fuik van Haarlem” en de stad Amsterdam. Daardoor bleef de appeloogst in de boomgaarden van Van Dorp bespaard en doelde hij mogelijk ook op die van Leeuwenhorst. Adriaen heeft in 1575 veel zorgen over de aanhoudende dreiging van de Spaanse vijand en met name over in de kerk in Leiderdorp opgeslagen bouwmaterialen die hij voor Van Dorp heeft aangekocht. Kort hierna biedt Adriaen dan ook dit materiaal op een veiling aan maar de opbrengst valt tegen, er is weinig geld onder de mensen in “desen quade tijden”.
Zijn mededelingen over troepenbewegingen passen in het beeld dat we van de strijd tegen Spaanse troepen kennen. Pas vanaf eind 1576 zal als gevolg van de Pacificatie van Gent de dreiging van Spaanse troepen voor de Hollandse steden verdwijnen. De activiteiten van rentmeester Adriaen voor Van Dorp nemen daarna flink toe. Naast onroerend goed in de vorm van woningen, landerijen en weilanden heeft Arent van Dorp bijzondere belangstelling voor afbraakmaterialen. Hout en ijzer uit afgebroken instellingen maar ook uit de verlate schansen rond de stad Leiden wordt aangekocht. De goede relatie tussen Van Dorp en de Leeuwenhorster kloosterorde verklaart waarom Adriaen voor hem inventariseert of aankoop van afbraakmateriaal van het afgebrande klooster voordeel op kan leveren. De door Van Dorp in Leiderdorp aangekochte materialen worden aanvankelijk opgeslagen in een kerk maar dienen bewaakt te worden want het Leidse stadsbestuur heeft lak aan de belangen van Van Dorp en staat toe dat houten balken zonder betaling worden weggehaald door de stadstimmerman.
Adriaen Mourijnszoon, status als rentmeester van Leeuwenhorst.
Adriaen de Grebber woonde al op jonge leeftijd in het klooster waar hij op het orgel speelde en een opleiding kreeg. Hij groeide door in een functie als secretaris en rentmeester. Abdis Johanna van der Does zou volgens biografen jarenlang zelf rentmeester geweest zijn maar misschien was zij dat meer op papier en niet in de praktijk. Een verklaring van haar nonnen na haar dood wijst naar 1572 als jaar waarin zij in ieder geval zelf actief als rentmeester fungeerde bij het vertrek van de nonnen naar Leiden. Ruim een maand voor het Ontzet van de stad Leiden in oktober 1574 zou abdis Johanna aan Adriaen Mouwerijnszoon de Grebber een laatste bedrag voor zijn diensten betaald hebben. Althans, daar lijkt het op want Adriaen spreekt in de jaarrekening over datzelfde jaar over de 50 pond die hij ontvangen heeft: “…de rendant (hij) heeft in dienste geweest van edele vrouwe Johanna van der Does tot den 7e september 1574…”. Ook ander personeel krijgt een laatste betaling. Na die datum komen geen betalingen van salaris meer voor, de rentmeester vangt op een andere manier geld. Abdis Johanna blijkt kort voor deze laatste betaling overleden te zijn, op 20 augustus, al wordt er ook een maand later genoemd door onderzoekers. Zij had toen nog net geen twintig jaar als abdis van het klooster vol gemaakt. Los van de precieze sterfdatum staat vast dat Johanna van der Does het Ontzet van Leiden op 3 oktober niet meer meegemaakt heeft. Zij was met haar nonnen al in 1571 naar de stad vertrokken omdat in dat jaar rondtrekkende Geuzen kloosters en kerken uitkozen voor hun roof- en moordpartijen. Op 15 oktober 1573 zou volgens een getuigenverklaring Leeuwenhorst in brand gestoken, vermoedelijk door Geuzen uit Leiden, al is dit laatste vooralsnog onbewezen.
Het noemen van 7 september 1574 als datum voor het mogelijke ontslag van Adriaen Mouwerijnszoon levert een eerste onzekere factor bij het lezen van zijn brieven op, want was hij door ontslag vrijer in zijn rol als rentmeester voor derden? Hij blijft echter zonder onderbreking genoemd worden bij het beheer over de abdijgoederen en maakt jaarlijks eindafrekeningen op. Daarin komt hij tot 1583 echter niet voor als ontvanger van een vast salaris. Zijn uitkering is afhankelijk gemaakt van de kloosterinkomsten en bedragen de 20e penning of vijf procent daarvan. Dan hebben we het over een bedrag tussen de drie- en vierhonderd pond of gulden per jaar. Omdat de Ridderschap Holland pas in 1582 volledig eigenaar wordt en het beheer van het onroerend goed van de abdij op naam krijgt past betaling van Adriaen door de Ridderschap vanaf 1583 precies in de ontwikkelingen. In de voorgaande jaren zou de rentmeester dan logischerwijs door de Staten van Holland betaald moeten zijn maar daar is geen direct bewijs voor gevonden. Zijn inkomsten kwamen ook in die periode uit de ontvangsten van het kloosterbezit voort en niet uit aparte betaling door de Staten van Holland. Die stuurden hem minimaal aan bij het beheer, terwijl de nonnen in Leiden ook weinig invloed op zijn handelen lijken te hebben. Vooral regionale edelen worden genoemd.
De status van de functie van Adriaen vanaf 1574 tot 1583 jaren is daardoor niet helemaal helder en in hoeverre dat van invloed was op zijn werkzaamheden of prioriteiten richting Van Dorp blijft lastig te kwalificeren. Op de achtergrond speelt ook nog een rol dat Elisabeth van Dorp, de priorin van het klooster een jaar voor abdis Johanna van der Does gestorven was. Misschien dat zaken nog anders gelopen waren als zij in leven gebleven was. Maar vanaf september 1574 zijn de nonnen als het ware “onthoofd”, zij kennen geen dagelijkse aansturing van gezagsdragers meer. Het verklaart waarom sommige van hun acties door drie tot vijf vrouwen gezamenlijk genomen worden, waarbij de juffrouwen Johanna en Adriana Van Nassau (Nassouw) de kar lijken te trekken. Adriana zou “cappelaan” van de orde geweest zijn.

Interessant detail over Adriaens gezagsverhouding tot de nonnen vinden we in juni 1575. Een klein jaar na het overlijden van abdis Johanna vragen vijf nonnen uit het klooster aan de Staten van Holland om Adriaen Mouwerijnszoon aan te spreken over de achterstallige betaling van hun jaarlijkse uitkeringen of prebenden. Zij ontvingen volgens hun brief jaarlijks ieder 100 gulden, goud, bier en wijn uit de tegoeden van het klooster. Zij stellen tevens dat Johanna van der Does in 1572 bij het vertrek naar Leiden zelf het rentmeesterschap invulde. Met name dit specifiek vermelden van abdis Johanna als rentmeester doet vermoeden dat er geen officiële gezagsverhouding bestond tussen de vijf brief schrijvende nonnen en Adriaen Mouwerijnszoon. En voor zover die er wel was lijkt die verstoord te zijn. Het verzoek aan de Staten maakt duidelijk dat er in juni 1575 nog altijd geen nieuwe abdis benoemd is, de nonnen dringend om geld verlegen zitten terwijl Adriaen de ontvangsten uit kloosterbezit nog altijd onder zijn beheer heeft en prebenden zou moeten uitkeren. Hij geeft als excuus voor de achtergebleven betalingen dat hij de nodige moeilijkheden ondervindt bij ontvangst van pachtinkomsten. Ook verwijten de nonnen hem nog geen inventarisatie opgeleverd te hebben van meubelen, zilver, tin en lood, zoals dat uit het klooster was meeverhuisd naar Leiden of achtergebleven in Noordwijkerhout. Op de achtergrond speelt dan ook nog eens een rol dat “zijne excellentie” waarmee stadhouder Willem van Oranje bedoeld zal zijn, in januari 1575 had bepaald dat de overgebleven nonnen een forse verhoging van hun uitkering naar 200 pond of gulden per jaar dienden te ontvangen. Dit gegeven is niet meer dan een krabbeltje in de zijlijn van een bladzijde uit een jaarrekening.
Adriaen Mouwerijnszoon zat al met al in 1575 in een lastig parket en werd vanaf zijn laatste betaling door abdis Johanna van der Does minimaal aangestuurd door leden van de Ridderschap Holland en Jacob van der Does als hoofdbeheerder van twee kloosters, terwijl de Staten van Holland formeel verantwoordelijk waren voor het overgenomen kloosterbezit. Maar practisch bekeken controleerde de Ridderschap Adriaens werk en geven leden daarvan akkoord op jaarrekeningen, al vindt goedkeuring pas plaats vanaf 1579 toen het in het gewest Holland tot rust gekomen was. De leden van de Ridderschap, die ook in de Staten van Holland vertegenwoordigd waren speelden hier mogelijk dubbelrol. Dit verklaart ook waarom de vijf nonnen zich niet tot de Ridderschap konden richten maar direct bij de Staten van Holland aanklopten, waar dan weer wel edelen van de Ridderschap zitting in hadden. De kloosterorde bestaat in het controlejaar 1579 uit eenentwintig nonnen, die bij de eerste goedkeuring van jaarrekeningen “merendeels aanwezig” zijn. Zelf tekenen doen of mogen zij niet, dan doen leden van de Ridderschap, terwijl een speciaal vertegenwoordiger van de Rekenkamer ook goedkeuring moet verlenen.
Dramatische markt onroerende en roerende goederen.
Om de verhoudingen tussen de vele hoofdrolspelers uit de brieven van Adriaen nog wat beter te begrijpen wat toelichting op historische ontwikkelingen uit die jaren. Tussen het verbod op de katholieke eredienst uit 1573 en de toekenning van de kloostergoederen aan de Ridderschap Holland ligt een periode van zo’n acht jaar waarin het overgrote deel van het Leeuwenhorster en Rijnsburgse kloosterbezit ongemoeid blijft, mede omdat stadhouder Van Oranje voorstander was van toekenning van het eigendom aan de Ridderschap Holland. Dat was hij niet alleen uit principe, hij had de militaire steun van de edelen van de Ridderschap hard nodig. Na de verhuizing van de nonnen heeft de stadhouder het klooster nog tot voorjaar 1573 laten bewaken omdat hij voorstander was van de vrijheid van geloof. Dat principe laat hij echter los onder druk van de opstandige burgers en felle Geuzenpartij waarna de bewakers vertrekken en het klooster in oktober 1573 zonder verzet in brand gestoken kon worden.
De Annotatie of “op-andere-naam-stelling” van het roomse onroerend goed is een neutrale term voor een ingrijpende gebeurtenis die door de katholieke bevolking als harde klap beleefd zal zijn. Zij zullen er in die tijd heel andere woorden voor gehad hebben. Dat al het rooms onroerend goed vanaf 1573 in principe vrij verkocht kon worden wil niet betekenen dat dit direct ook op grote schaal gebeurde. Uit de brieven van onze rentmeester blijkt dat de katholieke beheerders van die goederen nog jaren hun werk bleven doen. Reden was dat zij uit de inkomsten van hun goederen bijvoorbeeld de armen- en ziekenzorg of onderwijs regelden, dat kon niet zonder meer stop gezet te worden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de vele gasthuis instellingen. De omvang van het roomse kerkbezit was zo groot dat alleen de inventarisatie ervan al enkele jaren heeft gekost en vervolgens bleek ook nog eens dat de animo van kopers niet groot was. Ook de verhuur van weilanden en landerijen komt pas weer op gang als na de Pacificatie van Gent in najaar 1576 de Spaanse troepen zich uit het gewest Holland terugtrekken. De oorlog had alle partijen verarmd, geld om te kopen of te pachten was er niet, op uitzonderingen na. De stichting en onderhoud van de universiteit Leiden maar ook de betaling van predikanten zou gefinancierd moeten worden met de opbrengst van geannoteerde goederen. Maar in de eerste jaren moeten de Staten van Holland bijschieten bij de universiteit en de Classis Leiden klaagt nog lang over de slechte betaling van predikanten. De overgang naar het gereformeerde geloof, een toch al ingewikkeld proces door het geringe aanbod van geschikte predikanten stagneert dan ook. Voortdurend vraagt de Classis om verhoging van salarissen om goede predikanten aan te kunnen trekken en voegt om die reden ook parochies samen. Voorbeelden: de kapel in het Langeveld wordt van Noordwijkerhout aan het werk van de predikant in Noordwijk toegevoegd, Lisse en Noordwijkerhout worden aanvankelijk door dezelfde predikant Van der Schelling bediend en na zijn dood volgt de langdurige samenvoeging van Noordwijkerhout met Voorhout.
Uit de periode 1574-1582 dateert het grootste deel van de brieven van rentmeester Adriaen Mouwerijnszoon. Hij blijft de boekhouding van het klooster voeren, is betrokken bij de ontmanteling van het kloostercomplex maar tegelijkertijd ook financieel beheerder voor particulieren. Zijn opdrachtgever Arent van Dorp vormt als koper van onroerend goed een uitzondering. Hij is kapitaalkrachtig genoeg om juist in deze periode op de onroerend goed markt zijn slag te slaan. Rentmeester Adriaen zoekt voor hem naar mogelijkheden tot aankoop van onroerend goed. Van twee Leeuwenhorst percelen weten we dat de nonnen van Leeuwenhorst die buiten de Annotatie hebben proberen te houden om deze aan Van Dorp te gunnen, een teken dat zij nog wel invloed hadden op het ontmantelen van hun bezit.
Ook de monden van de adellijke kloosterjuffers dienden gevuld te worden. Terwijl de nonnen een verhoging krijgen van de stadhouder moet de rentmeester van hun kloosterbezit maar zien dat hij nog geld binnenkrijgt want de verhuurde weilanden, akkers en boerderijen lagen er overal verlaten bij. Het was te gevaarlijk om in te zaaien of koeien te weiden met de rovende militairen van beide strijdmachten als voortdurende bedreiging. Boeren konden hun pacht niet meer opbrengen of hun achterstallige pacht betalen en zullen vanaf 1576 de eerder aan roomse instellingen betaalde pacht terugvragen, wat gehonoreerd werd op last van de Staten van Holland. Rekening houdend met 1581 als jaar van het formele afscheid van de Spaanse koning als graaf van Holland werpt het de vraag op of de Annotatie niet te vroeg gestart is en aanvankelijk zo weinig geld opbracht dat dit besluit van de Opstandige Republiek in wording misschien wel als een strategische politieke blunder gezien mag worden.
De afbraak van de Leeuwenhorster kloostergebouwen vanaf 1574

Cornelis van Alckemade stelt in zijn beknopte publicatie over de “Vlugt van de abdis en kloostervrouwen” dat na de brand het kloostercomplex er niet geheel verlaten bijlag. Er zouden nog bedienden en werklieden op het terrein aanwezig zijn geweest. Cornelis levert daar echter geen bewijs bij. Toch is dit aannemelijk te maken. Adriaen noemt in de laatste jaarrekening onder abdis Van der Does diverse bedienden die tot Allerheiligen (1 november) 1574 in dienst zijn gebleven en daarna niet meer voorkomen in de jaarrekening. Ook is bij de brand in oktober 1573 de kloosterboerderij “Het Oude Bouwhuis” bespaard gebleven en waarschijnlijk ook de voorganger van het Grote Bouwhuis, want er is sprake van reparatie van de “groene zaal in het Grote Huis”. Dat deze gebouwen op het terrein niet in brand gestoken zijn is hoogstwaarschijnlijk omdat zij nog door pachters bewoond werden. Van het Oude Bouwhuis weten we dat boer Mathijs Dirckszoon (Sonneveltfamilie) en zijn gezin hier een goed leven leidden en niet vertrokken lijken te zijn in de moeilijke jaren maar op kleinere schaal verder boerden. Zij behoorden in de jaren daarvoor tot de grootste boeren van Noordwijkerhout en regio.
Al kort na de brand besluit Jacob van der Does, hoofdbeheerder van de kloosters Rijnsburg en Leeuwenhorst om het kloostergebouw af te breken en nieuwe boerderijen op het terrein te bouwen. Er is geen perspectief voor de nonnen op terugkeer. Tot de nieuwe of herbouwde gebouwen rekenen we De Halle en Het Grote Bouwhuis, beide boerderijen worden besproken op deze website. Jacob Hendrickszoon en Jan Janszoon van der Does, heren met Noordwijkse familiebanden speelden een belangrijke rol bij het Ontzet van Leiden en namen plaats in diverse bestuursorganen in Rijnland. Abdis Johanna van der Does was een bloedverwante. En Maria van der Does die hier nog aan bod zal komen in de lijst met ontvangers van een uitkering was een dochter van Jacob. Deze superintendent van beide kloosters overlijdt nadat hij in het voorjaar van 1577 door gepeupel is aangevallen en zware verwondingen oploopt. Adriaen schrijft: “…ick hebbe niet connen verbergen om die droeffige tijdinge van mij here van der Does…wesende tot Geervliet geslagen van popel…so dat het te bedugten is dat hij sal sterven…”. Zijn vrees komt uit, Jacob overlijdt. De nonnen in Leiden hopen vervolgens dat Arent van Dorp zich zal opwerpen als vervanger van Van der Does, maar hij ziet dat blijkbaar niet zitten of mogelijk omdat hij betrokken raakt bij de verdediging van Zierikzee tijdens Spaans beleg.
De eerste verwijzing naar afbraakmateriaal op Leeuwenhorst dateert uit december 1574. De locatie is alleen herkenbaar omdat rentmeester Adriaen in zijn brieven de kloosternonnen telkens als “de juffrouwen” vermeldt en zelden de naam Leeuwenhorst gebruikt. Zij hebben Adriaen gevraagd of het lood op het kloosterterrein verhandeld kan worden maar de rentmeester constateert dat een groot deel gestolen is en de dieven alleen wat kleine stukken hebben laten liggen. Hij schat dat er nog geen tachtig kilo is overgebleven. Ook het ijzerwerk zal naar zijn inschatting weinig opbrengen. Hij ziet voor zijn opdrachtgever Van Dorp nog wel een aantrekkelijke koop in de ijzeren tralies uit de muren van het kerkhof en daarnaast nog wat windijzers (ramen) maar schat in dat het alles bij elkaar geen 500 kg op zal leveren. Er liggen ook nog partijen ander bouwmateriaal. Met de onbekende termen die Adriaen gebruikt bedoelde hij waarschijnlijk stenen of dakpannen. Deze partij zou Van Dorp eventueel ook kunnen kopen, hetgeen de juffrouwen in Leiden goed zou kunnen helpen gezien hun“armoede daer er geen betalijnge in gaet ende een cleijnge mach haer nu helpen”.
Het is een kleine noodkreet van de nonnen. Dat een ommuurd kerkhof genoemd wordt is bijzonder, want het kloosterkerkhof wordt zelden genoemd in het archief van Leeuwenhorst en valt ook niet te ontdekken op schilderijen of kaarten. Uit de lijst met materialen die van elders gehaald worden voor herstel of bouw van gebouwen wordt duidelijk dat de diefstal op het Leeuwenhorstterrein een flinke omvang moet hebben gehad.
In juni 1575 gaat Adriaen nader in op de verkoop van materiaal van het klooster aan de Leeweg. Het zou volgens hem voor Van Dorp wel degelijk nog wat voordeel op kunnen leveren maar hij legt hem daarbij enkele afwegingen voor. Zo zou het lastig worden om voldoende werklui naar Noordwijkerhout te krijgen. Bovendien is er geen geschikt vaarwater in de directe omgeving te vinden en moet materiaal per kar naar Leiderdorp gebracht wordt, waar Van Dorp een opslag had in een kerk, hetgeen aanzienlijk meer zou gaan kosten.

In juli 1575 wordt Van Dorp door rentmeester Adriaen op de hoogte gesteld van de waarde van een perceel land dat de juffrouwen van Leeuwenhorst in Oegstgeest in bezit hadden en graag aan hem gunden. Zij mochten blijkbaar toch een koper aandragen. Door de dreiging van nieuwe strijd is het perceel de 350 gulden die het in de jaren voor de oorlog had zeker niet meer waard. Jacob van der Does hoofdbeheerder van de kloosters in Noordwijkerhout en Rijnsburg meent echter dat hij zelf wel met Arent tot een goede prijs kan komen. Percelen die jarenlang niet gebruikt waren daalden scherp in pacht- of verkoopwaarde. Adriaen noemt bijvoorbeeld weilanden aan de Voorhoutse zijde van de Trekvaart waar volop riet was gaan groeien, ook een teken dat het waterbeheer problematisch was geworden. Dat riet wordt gesneden en kan nog ingezet worden voor de daken van boerderijen aan de Leeweg in 1577.
Door de nieuwbouw op het kloosterterrein zullen waar mogelijk materialen van het afgebrande hoofdgebouw gebruikt zijn. Onze voorouders waren recyclers lang voordat het woord werd uitgevonden. Maar toch is dit is niet genoeg want in 1577 worden flinke partijen steen, kalk voor cement, klinkers, hout en riet aangevoerd. Met name voor de nieuwbouw van boerderij de Halle en herstel van het Grote Huis. Achttienduizend stenen die door Jan Adriaenszoon “schoongemaakt” (afgebikt) zijn worden bij de bouw gebruikt. Hij krijgt slechts vijf stuivers per duizend stenen. Omdat er geen transportkosten voor de stenen worden genoemd, wat normaal gesproken als pittige post zeker vermeld zou zijn, mogen we aannemen dat deze stenen deel uitmaakten van het afgebrand kloostergebouw. Dat wordt ook bevestigd door een andere aanwijzing. In 1578 krijgt schipper Jan Corneliszoon ruim tien gulden uitbetaald omdat hij sparren, delen, vensters, ramen en ander houtwerk uit Leiden gehaald heeft waar het eerder naar toe gebracht was, want voor het materiaal zelf wordt geen prijs genoemd. Achterstallig onderhoud van de ingestorte stallen en daken van het Oude Bouwhuis wordt ook ingehaald. Dat geldt ook voor de gebouwen van de kloosterdependances of Uithoven in Lisse (tussen Dever en 2e Poellaan) en het Westland. Schaatsbaan de Uithof herinnert in haar naam aan deze dependance.
Mogelijk zijn kloostermoppen van het klooster gebruikt door rentmeester Adriaen voor de boerderij aan de Leeweg die hij in 1580 van Grietje Cornelisdochter koopt. Deze locatie op steenworp afstand van het kloosterterrein kennen wij als Bergenslaan. Na een brand in de jaren zestig van de vorige eeuw vond Aad van Eeden in de stal van de ouderlijke boerderij een vloer van kloostermoppen. Bewijs is het niet, maar logisch is het wel dat stenen van “het ruïneus liggende gebouw” waar nog lang sprake van is in andere gebouwen in het dorp zijn gebruikt. De kloostermoppen van Bergenslaan zijn te zien in het dorpsmuseumpje in de Zeestraat van Noordwijkerhout.

Bijzonder detail betreft de grafzerk van abdis Van der Does. Cornelis van Alckemade schrijft in zijn publicatie over het klooster dat na het overlijden van de abdis in augustus 1574 zij “tijdelijk” begraven zou zijn in Leiden. De moeilijke omstandigheden tijdens de laatste maanden van het beleg door de Spanjaarden hadden daar ongetwijfeld mee te maken. Uiteindelijk heeft zij in de Pieterskerk een definitieve rustplaats gekregen. De grafzerk die daarvoor gebruikt is blijkt echter aangevoerd te zijn vanuit Noordwijkerhout. In de jaarrekening van 1586 vermeldt Adriaen: “…Alzo de heer van Noordwijk Jan van der Does mij verzocht heeft een zekere zerk daarop de effigie (afbeelding) van de zalige vrouwe Johanna van der Does, in haar leven vrouwe en abdis van Leuwenhorst, staat uitgehouwen, zou willen doen brengen van Leuwenhorst tot binnen de stad Leiden in de Pieterskerk aldaar om op het graf van de voornoemde zalige vrouwe gelegd te worden, het welk op last van de heer Van Wijngaarden als superintendent gedaan is; is betaald aan Geryt Adriaenszoon, tuinman, die de zerk tot Leiden gebracht heeft…vijf pond en 10 stuivers…”.
De grafzerk was daarvoor al door boer Pieter Corneliszoon (Verdel) met een knecht onder het puin vandaan gehaald. Daar krijgt de boer 3 pond en vijf stuivers voor, inclusief bier dat blijkbaar nodig was om de boer met zijn hulp te motiveren voor het sjouwen van de zware steen. De zerk met de afbeelding van de abdis moet al gemaakt zijn voor haar overlijden want een andere uitleg voor aanwezigheid aan de Leeweg in Noordwijkerhout onder het ingestorte gebouw lijkt er niet te zijn.
Woonplekken van de gevluchte nonnen in Leiden
Bij de verhuizing naar Leiden vanaf 1571 zouden de juffrouwen met abdis Johanna van der Does eerst terecht gekomen te zijn in het Sint Michielsklooster aan de Sionssteeg. Dat gegeven danken we aan een vermelding door de boekhoudster in het financieel archief van dit klooster. Zij noemt een bedrag van “6 pond Vlaams voor huishuur en turf daar wij haar Convent delen en in gerieft hebben; dat zij in ons Convent gehuisvest en gelogeert hebben 1572 en 1573”. Uit een brief van Adriaen uit 1575 blijkt dat de nonnen hierna niet allemaal op hetzelfde adres in Leiden wonen, zij zouden onder andere de meubelen van het klooster om die reden verdeeld hebben. Toch zullen de meeste nonnen na het vertrek uit het Michielsklooster dicht bij elkaar in de buurt blijven wonen, in verschillende panden grenzend aan het Rapenburg en niet ver van de huidige Universiteit en het Rijksmuseum voor Oudheden.

De kloosterorde bestond bij het vertrek naar Leiden nog uit zo’n vierentwintig vrouwen, een te groot gezelschap voor een gezamenlijke woning. Er zijn aanwijzingen dat zij al direct opgesplitst zijn gaan wonen. De juffrouwen Van Almeras en Van Assendelft hebben via een zekere Meester Sijmon aan rentmeester Adriaen laten weten dat hij nalatig is bij het opstellen van een inventaris van de kloosterboedel zoals dat achtergebleven is. Zij richten met andere nonnen dit verzoek ook aan de Staten van Holland, zoals hierboven al genoemd. Adriaen beklaagt zich bij Van Dorp over deze actie en ziet ook niet veel in de bemoeienis van genoemde Sijmon. De juffrouwen hebben zich volgens hem onvoldoende gerealiseerd dat dan alle kloostertegoeden bij de “Camer van der Rekeninge” aangegeven hadden moeten worden, dus ook de goederen die zij jaren eerder meegenomen hadden naar Leiden waaronder de meubelen die zij verdeeld hadden. De Rekenkamer regelde alle belastingzaken van het gewest Holland. De rentmeester hoopt op steun van Van Dorp en vraagt hem een goed woordje te doen bij de Prins van Oranje, zodat de nonnen “vredelijck kunnen rusten” in het bezit van het meegenomen huisraad en ook de rente-inkomsten die zij genieten. Hieruit blijkt ook wel dat de geldnood onder de nonnen met de dag toeneemt. Zij vragen Van Dorp of hij hen geen geld zou willen lenen met hun woningen of boerderijen als onderpand. Eventueel zijn zij bereid hem zelf een brief hierover te sturen.
Opmerkelijk is een brief uit 1575 waarin Adriaen aanstipt dat juffrouw Van Almaras in zou wonen bij deze Meester Sijmon die zich tegen de zin van de rentmeester bemoeide met de inventarislijst. Een non die inwoont bij een met naam genoemde man? De verklaring is simpel, Alijdt van Almaras was met deze Sijmon getrouwd. Zij krijgt met hem ook een dochter. Volledige naam van deze man is Sijmon Pieterszoon Hyck, een meester of doctor in de medicijnen of rechten. Alijdt blijkt niet de enige non die een echtgenoot zal vinden in Leiden, zoals hieronder nog zal blijken. Van de vierentwintig namen die tot de oorspronkelijke kloosterorde gerekend mogen worden zijn er zeker vijf juffrouwen getrouwd. Opvallend is dat de huwelijken soms in de gereformeerde kerk gesloten worden en de partners tot de bovenlagen van de samenleving behoren. Die wisten ook welk geld de dames in het huwelijk brachten, want zij behielden na hun huwelijk hun prebende of jaarlijkse uitkering.
In augustus 1575 meldt Adriaen dat de juffrouwen kort daarvoor een nieuw woonadres hebben gevonden in Leiden, we weten niet wanneer dat precies was en wie van hen dat betreft maar vermoedelijk gaat het om de leidende personen binnen de groep. De woning zou met de achterzijde aan het Rapenburg grenzen en met de voorzijde aan het Pieterskerkhof. Het is het huis van Cornelis Janszoon van Veen, een voormalige stadspensionaris. Hij staat bekend als één der Leidse Glippers en was dus hoogstwaarschijnlijk katholiek. De gelederen van de nonnen dunden uit door huwelijk en overlijden maar de groep is waarschijnlijk altijd te groot gebleven om iedereen in hetzelfde huis te laten wonen. Na het Pieterskerkhof is een deel van hen weer verhuisd. Dit blijkt uit de volkstelling in Leiden van 1581. Vier voormalige nonnen wonen op het Steenschuur en blijken dat jaar ook nog over twee dienstmeiden te beschikken. Opmerkelijk want de dames klaagden daarvoor voortdurend over een krappe beurs. Zij staan in de telling onder het Steenschuur, maar het grootste gedeelte van het huis staat aan de Korevaarstraat. De woning was waarschijnlijk eigendom van de Leidse brouwer Cornelis Claeszoon en moet wegens verkoop verlaten worden na zijn overlijden.

In januari 1582 kunnen drie nonnen het Hof van Zessen aan Papengracht en het Rapenburg kopen, deel van het gebouw dat we in 2026 kennen als het Rijksmuseum voor Oudheidkunde. De aankoop voor nog geen 900 pond of gulden komt op naam van Johanna van Nassau, Anna van Liere en Susanna van Etten. Het staat op een steenworp van het adres waar de nonnen eerder een woning hadden aan het Pieterskerkhof. Verkoper is Guido van Meetkerke, een militair die dat jaar echtgenoot was van Theodora Van Wyck en met haar één dochter heeft, Maria. Zij wonen in het jaar van verkoop in Brugge. Als Theodora overlijdt trouwt Guido met de voormalige Leeuwenhorst non Margaretha van Haaften, die kort daarvoor weduwe was geworden van Pieter Grijspere. Zij woonde in 1581 met deze eerste man Pieter aan de westzijde van datzelfde Rapenburg, schuin tegenover het aangekochte Hof van Zessen. Dat was in hetzelfde huis als Johanna Croesers, die met Hercules van den Hove of Verhoeff in het huwelijk trad. Hercules blijkt dit huis verkocht te hebben aan Pieter Grijspere en komt via Margaretha van Haaften op naam van haar tweede echtgenoot, Guido van Meetkerke, tot beider dood in 1602. Johanna van Etten, de laatst overgebleven non van Leeuwenhorst is in 1634 in het Hof van Zessen aan Papengracht en Rapenburg overleden, het huis is ruim 50 jaar door de kloosterzusters bewoond. In onderstaand kaartje en tabel de woonadressen die gevonden zijn.

| Woonplekken voormalige nonnen Leeuwenhorst 1573-1585 Leiden | |
| 1 | Langebrug: Jacob van der Does; superintendent van het klooster Leeuwenhorst; in 1585 woont hier zijn dochter Maria die vanaf 1574 op de Leeuwenhorstlijst voorkomt. |
| 2 | Steenschuur/Korevaarstraat:zussen van Nassouw, Anna van Liere, Susanna v. Etten. 1581 |
| 3 | Pieterskerkhof/Rapenburg: hier wonen meerdere nonnen in 1574 vlg hun rentmeester |
| 4 | Doelengracht/Achterste gracht: Johanna Croeser, na haar Margaretha van Haaften |
| 5 | Pieterskerkgracht: Cornelia Conings |
| 6 | Papengracht/Rapenburg: Mechalina van Almeras |
| 7 | Papengracht/Rapenburg: aangekocht pand 1582 Susanna van Etten, Anna van Liere, Adriana van Nassouw; Susanna overlijdt in dit pand 1634 |
| 8 | Vismarkt: huis 1581 Adriaen Mourijnszoon de Grebber |
| Genoemde Croeser, Van Haaften, Almeras en Conings wonen er met hun echtgenoten |
Armoede?
Zoals eerder genoemd in verhalen over het klooster op deze website waren de inkomsten van het klooster Leeuwenhorst vanaf 1573 gekelderd omdat de boeren geen gebruik konden maken van het abdijland en daardoor geen pacht op konden brengen. Rentmeester Adriaen Mourijnszoon betaalt pacht terug of geeft forse kortingen. De kloosterzusters in Leiden leven op zwart zaad en Adriaen heeft nauwelijks mogelijkheden om hen te helpen. Hij noemt enkele namen van nonnen die namens de kloosterorde zaken regelen na de dood van abdis Johanna van der Does. Het zijn Soet van Schoten, Cornelia Conincx, Anna van Liere en de zussen Adriane en Johanna Van Nassau. Susanna van Etten, de door onderzoekers veel aangehaalde non vanwege een dapper gesprek dat zij met de beruchte Geuzenleider Lumey gevoerd zou hebben speelt in deze periode slechts een bescheiden rol. Vanaf 1612 is zij titulair abdis van de handvol overgebleven nonnen. Uit bovengenoemde woonplekken rond het Rapenburg blijkt dat de juffrouwen op stand leefden in Leiden. Toch klagen zij bij herhaling over hun financiële positie, proberen bij Van Dorp geld te lenen of aan hem percelen weiland te verkopen. En zoals eerder gesteld, zij verwijten hun rentmeester dat hij laat is met betalen. Allemaal signalen dat de dames het niet breed hadden, maar misschien is het beter te vertalen met dat zij moeite hadden met het aanpassen aan de nieuwe kloosterloze realiteit.
De rentmeester schrijft in 1576 aan Van Dorp dat alle landerijen van de kloosters Rijnsburg en Leeuwenhorst onder de regels van de Annotatie vallen en daarom verkocht kunnen worden, behalve 14 hectare die door de nonnen van Leeuwenhorst min of meer toegezegd waren aan Arent van Dorp. Zij hopen dat die koop alsnog tot stand kan komen omdat volgens Adriaen “sij seer benaut sitten”. Ook zo’n signaal dat deze jonkvrouwen aan de armoede begonnen te ruiken. Maar Adriaen Mourijnszoon kan weinig doen. Hij sluit jarenlang zijn jaarrekeningen af met een flinke schuld, die vooral het gevolg is van terugbetaling of korting van pacht. Over 1574 bedraagt die schuld zo’n 9.400 gulden. In de jaren erna loopt die relatief snel terug naar 2.200 gulden in 1582, bij een uitgaven/inkomstenniveau van nog geen achtduizend gulden datzelfde jaar. Dat jaar is ook de laatste jaarrekening voor de overgang naar de Ridderschap Holland en blijkbaar ziet de rentmeester ruimte om de uitkeringen aan de nonnen te verhogen. Het is daarvoor twee voor twaalf, zo lijkt het althans als we naar de datum van zijn actie kijken.
In december 1582, dus slechts een paar weken voor de formele overdracht aan de Ridderschap reist hij vanuit Leiden met de eveneens daar wonende Jan van der Does naar Antwerpen om daar wegens “de begeerte van de gemeene joffrouwen” aan stadhouder Willem van Oranje te vragen hun alimentaties te mogen verhogen met 50 gulden. Maar het kan ook goed zijn dat de twee heren het eenvoudiger vonden om die vraag bij de prins van Oranje neer te leggen in plaats van bij de Ridderschap het jaar erop. De prins kon dat besluit gemakkelijk in zijn eentje nemen en hij had de prebende of alimentatie acht jaar eerder zelf al eens verhoogd van 100 naar 200 gulden. Van Oranje gaat ook nu akkoord. De juffrouwen van de abdij ontvangen vanaf 1583 dan ook 250 gulden.
Of zij daar genoeg aan hadden weten we niet, sommige ontvingen van het klooster ook nog lijfrentes zoals Anna van Liere, Johanna van Varik en Wilhelmina van Haaften. Het maakte overigens geen verschil of de voormalige religieuze dames trouwden of vrijgezel bleven, hun uitkering bleef hetzelfde. Alleen de dames die na 1577 uitkeringsgerechtigd werden kregen in latere jaren te maken met een lager bedrag dan de oorspronkelijke religieuze juffrouwen. Er wordt dan gesproken over prebendes voor de voormalige nonnen en proven voor de adellijke jongedames. Voor elke overleden uitkeringsgerechtigde “juffer” werd een vervangster genoemd. Het aantal uitkeringen bleef lang op hetzelfde niveau, maar in de zeventiende eeuw zal de Ridderschap Holland een systeem hanteren waarbij dit aantal wordt verhoogd en er dus meer jonge ongetrouwde jonkvrouwen van een uitkering uit het abdijfonds konden genieten. De groep werd uiteindelijk zo groot dat bij tegenvallende resultaten in de late zeventiende en volledige achttiende eeuw de uitkeringen naar beneden bijgesteld moesten worden. De financiële ondergang van het kloosterbezit in de 18e eeuw had te maken met allerlei omstandigheden zoals de runderpest die regelmatig terugkeerde maar door de grote uitgaven aan prebenden en proven is er misschien ook wel te weinig geïnvesteerd door de Ridderschap. Daar bleef gewoon geen geld voor over door de verplichting tot uitkering van proven.
Per 1586 gaat de alimentatie, prebende of prove zoals die wisselend genoemd wordt naar 275 gulden per jaar. In 1609 noteren we voor de zes overgebleven voormalige nonnen zelfs betalingen van 1.000 gulden per persoon per jaar, terwijl de overige uitkeringsgerechtigde jonkvrouwen slechts 375 gulden ontvangen. Maar drie jaar later is de uitkering voor de op leeftijd gekomen nonnen weer verlaagd naar 600 gulden, dus de hoogte varieerde. In tegenstelling tot hun tijd in het klooster aan de Leeweg moeten de dames uit hun alimentatie hun gehele onderhoud zelf bekostigen en als men op stand wilde wonen zoals hierboven ook wel gebleken is zal tot het jaar 1600 de jonkvrouwenbeurs niet uitgepuild hebben van het geld. Misschien is financiële veiligheid of zekerheid een verklaring voor een aantal huwelijken die door enkele dames worden aangegaan, waaruit zelfs in oktober 1575 al een dochter wordt geboren. Adriane is dochter van Alijdt van Almaras.
Inkrimping van de groep nonnen.
Om een idee te krijgen van de omvang van de groep nonnen die in 1571 naar Leiden verhuisde zijn zoveel mogelijk gegevens rond deze kloostermaagden verzameld en hieronder in een overzicht verwerkt. De gelederen dunnen snel uit doordat er vrouwen overlijden, maar ook omdat er meerdere huwelijken gesloten worden. Twee voormalige nonnen trouwden zelfs een tweede keer na een kort eerste huwelijk. Er zijn meerdere kinderen geboren uit de huwelijken. Anna van Lier had een dochter, maar haar vader en dus het huwelijk van Anna is helaas niet gevonden. Ook Alijdt en Mechalina van Almaras hadden kinderen, net als Johanna Croeser. De huwelijken stonden de ontvangst van een uitkering of prebende niet in de weg. Alle genummerde nonnen uit het overzicht kregen hetzelfde bedrag, getrouwd of niet getrouwd. Pas veel later kregen de leidinggevenden een extraatje, zoals Johanna van Nassouw (Nassau) en Susanna van Etten, die titulair abdis werden, al was dat voor de buitenwereld een papieren titel.
Reeds in 1574 vinden we vier namen van vrouwen (zie A) die in Leiden de groep nonnen zijn komen versterken, maar het valt te betwijfelen dat zij religieuze motieven hadden. Een toekomst als non bood door het verbod op de katholieke eredienst weinig perspectief. Dat dan toch dames aan de groep toegevoegd worden is een duidelijke aanwijzing dat het doel van hun families was om een inkomen uit de kloosteropbrengsten veilig te stellen, al bleef het tot 1583 duren vooraleer de Ridderschap volledige zeggenschap over het kloosterbezit kreeg. De toestemming voor toevoeging van Johanna van der Does (jonge Johanna) aan de prebendenlijst wordt dan ook nog door de Staten van Holland gegeven. De hoogte van de uitkering werd tot circa 1590 vooral bepaald door de zware lasten van het klooster. De rentmeester en edelen weten echter de schulden te verminderen, waardoor ook de uitkering in stappen verhoogd kan worden. De Ridderschap zal na 1600 flink hogere bedragen uitkeren. De edelen zullen mogelijk geleerd hebben dat door het wegvallen van het onderhoud van kloostergebouwen de inkomsten op termijn de uitgaven ver zouden kunnen overstijgen. Dat blijkt ook wel uit de jaarrekeningen uit de 17e eeuw.
Het was dus aantrekkelijk of getuigde van visie bij de leden van de Ridderschap dat zij probeerden om hun ongetrouwde jongedochters alvast op de lijst van uitkeringsgerechtigden te krijgen. Het is een aanwijzing dat al vroeg het systeem ingevoerd werd om per toerbeurt een jongedochter naar voren te schuiven. Misschien bestond dit zelfs al voor de Reformatie. Als er een plaatsje vrij kwam bij de nonnen kon men een jonkvrouw aanmelden voor een opleiding op de kloosterschool. Een voorbeeld uit de tabel is Johanna Croeser, zij was pas elf jaar oud toen zij in het klooster werd opgenomen in 1562. De namen uit de lijst worden gekenmerkt door onderlinge relaties van families die in de eeuwen daarvoor hadden bijgedragen aan de ontwikkeling van het klooster. Oude adellijke geslachten uit de regio zoals Van der Does, Brederode en Van Assendelft komen we tegen als we namen uit de tabel genealogisch nalopen. De nonnen vormden min of meer een familiegroep.
| Naam juffrouw of “kloostermaagd” | 1571 | 1574 1577 | 1585 1586 | 1610 | Ovl in: | Opmerking | |
| 1 | Johanna van der Does | * | 1574 | Abdis | |||
| 2 | Elisabeth van Dorp | * | 1573 | Priorin | |||
| 3 | Elisabeth van Bemmel | * | * | 1574 | |||
| 4 | Heilwich van Ammersoijen | * | 1572 | Niet meer genoemd na 1571 | |||
| 5 | Soete van Schooten | * | * | * | 1589 | 1527-na 1589 | |
| 6 | Hase van Oostrum | * | 1572 | Niet meer genoemd na 1571 | |||
| 7 | Wilhelmina van der Werve | * | * | 1579 | 1520-1579 | ||
| 8 | Francisca van Assendelft | * | * | * | 1586 | Tante Alijdt Van Almaras | |
| 9 | Christina vanWael | * | ? | Vertrokken naar Utrecht? | |||
| 10 | Petronella van Rossum | * | * | 1580 | |||
| 11 | Johanna van Varik | * | * | * | 1587 | Adriana van Zwieten verv. | |
| 12 | Cornelia Conings | * | * | * | 1590 | Overleden na 1589 | |
| 13 | Margaretha Spierings | * | * | 1577 | Voor 1577 overleden | ||
| 14 | Alijdt van Almaras | * | * | * | 1595 | 1537-1595 tante Mechalina | |
| 15 | Agnes van Wulven | * | * | * | * | 1615 | Overleden na 1615 |
| 16 | Adriana van Nassouw | * | * | * | 1592 | 1542-1592 “Cappelaan” | |
| 17 | Johanna van Nassouw | * | * | * | * | 1611 | 1543-1611 titulair abdis |
| 18 | Margaretha van Haaften | * | * | * | 1602 | ca 1540-1602 | |
| 19 | Wilhelmina van Haaften | * | * | * | 1586 | 1544-1586 | |
| 20 | Anna van Liere | * | * | * | * | 1612 | Heeft onbekende echtgenoot |
| 21 | Johanna Croeser | * | * | * | * | 1615 | 1551-overleden na 1615 |
| 22 | Susanna van Etten | * | * | * | * | 1634 | 1549-1634; Tit.abdis 1612 |
| 23 | Geertruijd van Brakel | * | * | * | * | 1615 | |
| 24 | Kathalina van Brakel | * | * | 1581 | |||
| In Leiden toegetreden 1574 | |||||||
| A | Elisabeth Spierings | * | * | 1589 | Na ovl 1589 Spierinck-Well | ||
| A | Mechelina van Almaras | * | * | * | 1615 | Nichtje Alijdt v. Almaras | |
| A | Jacqelijne van Dorp | * | * | 1597 | 1558-1597 | ||
| A | Maria van der Does | * | * | 1588 | Hester v. Boetselaar vervangt | ||
| Later toegevoegd | |||||||
| B | Johanna van der Does | * | 1582 i.p.v. Kathalina van Brakel;St. van Holland | ||||
| B | Digna van der Does | * | 1584; Ridderschap | ||||
| B | Cath. van ZuijlenNijevelt | * | * | 1586 i.p.v Wilhelmina van Haaften; Ridderschap | |||
| B | Susanna Schroots | 1587 i.p.v. Francisca v. Assendelft; Ridderschap |
Bij de groep nonnen mogen we ervan uitgaan dat zij allen als religieuzen in het klooster Leeuwenhorst woonden, zij worden in 1571 genoemd. Waarschijnlijk staan zij op volgorde van intrede in het klooster of op leeftijd. Johanna Croeser en Susanna van Etten behoren tot de jongsten, waren toen rond de 20 jaar oud. De schuin gedrukte jaren van overlijden zijn niet helemaal bekend, maar ingeschat. Alle andere overlijdensjaren zijn bekend, soms met dag en maand. Van meerdere jonkvrouwen zijn ook geboortejaren gevonden. Vijftien jaar na het vertrek naar Leiden leven nog maar 14 van de 24 nonnen die nog in Noordwijkerhout gewoond hebben en van deze 14 waren er toen al 4 getrouwd. Later volgden nog twee huwelijken, dat van Anna van Lier en Agnes van Wulven. De getrouwde dames woonden na hun huwelijk elders, vaak nog wel in Leiden, maar we noteren ook Vollenhoven en Jacobswoude als woonplaats. De tien ongetrouwd gebleven nonnen woonden niet allemaal samen en zijn voor 1583 ook enkele keren verhuisd. We kunnen niet van iedereen zeggen waar zij tot dat jaar woonden. In 1613 zijn er nog vier oorspronkelijke nonnen over, Anna van Lier is kort daarvoor overleden en haar dochter ontvangt het restant van haar uitkering. Geertruyd van Brakel overlijdt in 1615, er zijn dan nog drie dames over. Van Agnes van Wulven en Johanna Croeser, twee van deze drie, is geen overlijdensjaar gevonden maar hun sterfdatums zullen voor 1627 liggen, want in dat jaar is alleen non of abdis Susanna van Etten overgebleven. De dames onder A en B die vanaf 1574 in de lijst van ontvangers van een uitkering opgenomen zijn kennen we ook van huwelijken, de meesten trouwden.
| jaar | Jonkvrouw (1m4 + A) | Huwelijk met: |
| 1575 | Alijdt van Almaras | Mr Simon Hycke; dr Adriana; zn François |
| 1575 | Cornelia Conings | Dirck Cobel |
| 1579 | Margaretha van Haaften | Pieter Grijspere; hij ovl voor 1585 |
| 1581 | Johanna Croeser | Hercules v.d. Hove voor 1581; dr Anna, zn Mathias |
| 1584 | Maria van der Does (Jacobsdr) | Ludolph van Lanscroon |
| 1585 | Margaretha van Haaften 2e huw | Guido van Meetkerke circa 1585 |
| 1585 | Johanna Croeser 2e huw | Nicolaas de Groot, Utrecht |
| 1585 | Jacqelijne van Dorp | Hendrik Hagen, wonen Vollenhoven |
| 1587 | Mechalina van Almaras | Jan Exalto, hij is vroeg ovl; wonen Jacobswoude |
| ? | Anna van Liere | 1590?; 1612 ontvangt haar dochter de prebende |
| 1601 | Agnes van Wulven | Melchior van Berendecht; hij overlijdt 1604 |
Relaties van genoemde personen onderling en met de regio.
Door de sterke onderlinge banden tussen de personen uit het overzicht zijn zij ook stevig gekoppeld aan de geschiedenis van de regio en de adellijke families uit die tijd. Zoals Mechalina van Almaras. Zij is een dochter van Nicolaas van Almaras en kleindochter van François van Almaras en zijn vrouw Adriana Barthoutsdr van Assendelft. Non Alijdt van Almaras was een halfzus van Mechalina’s vader Nicolaas van Almaras. Alijdt is dochter uit het het derde huwelijk van François van Almaras en Anna Jansdochter Ruychrock van der Werve. Deze laatste Anna was mogelijk weer verwant aan Wilhelmina van der Werve uit het overzicht, die als volledige naam Wilhelmina Ruijchrock van der Werve zou hebben gedragen, maar helemaal zeker is dat niet.
Wilhelmina van Haaften en Margaretha van Haaften zijn niet terug gevonden als zussen maar zijn waarschijnlijk wel via familie verwant. Als Wilhelmina overlijdt trouwt haar weduwnaar Bartholt van Mechelen met Anna van Meetkerke en dat is de zus van Guido van Meetkerke, die met weduwe en voormalige non Margaretha van Haaften trouwde.
Guido en Margaretha kennen we ook als het echtpaar dat op boerderij of buitenplaats de Witte Raaf aan de duinkant bij de Duindamse Slag woonde. Zij hebben er gewoond in het laatste decennium van de 16e eeuw en Guido heeft de boerderij die de 20e eeuw nog gehaald heeft laten bouwen. Margaretha stelt meerdere testamenten op en noemt daarin ook haar moeder Lucretia van Brederode en broer Dirk van Haaften. Haar grootvader is Reinout van Brederode en in haar genealogie komen we ook de Van Borsselens tegen, allemaal bekende adellijke namen uit de regio. Waaronder ook Artus en Lancelot van Brederode, eigenaren van onder meer boerderij Wassenaar in De Zilk en Erffoort in Noordwijkerhout.
Ook de familie van Soete van Schooten kennen we op een andere manier. Soete was een zus van Alijdt van Schooten, die met Floris van Vliet trouwde en moeder werd van Anna van Woerden van Vliet, eigenaresse en bewoonster van het kasteel de Hooge Boekhorst in Noordwijkerhout. Anna is met haar moeder Alijdt erfgename van Soete en zou volgens haar testament uit 1577 een gouden “hoepring” uit haar nalatenschap ontvangen hebben.
De familie Van der Does, met sterke banden met het dorp Noordwijk en stad Leiden komt ook prominent voor in het overzicht. Al voor de benoeming van Johanna Adriaensdochter van der Does tot abdis van het klooster in 1554 komen we namen uit haar familie tegen als rentmeesters, abdis of non. Haar broer Adriaen was rentmeester van het klooster tot 1553. En Jacob van der Does wordt na de Reformatie superintendent of hoofdbeheerder van het kloosterbezit tot zijn tragisch overlijden in 1577. Zijn dochter Maria behoort dan tot de ontvangers van een prebende. Abdis Johanna is een tante van Jan van der Does die een belangrijke rol speelt tijdens het Ontzet van Leiden. Hij had een huis in Noordwijk maar ook in Leiden en dat geldt ook voor rentmeester Adriaen Mourijnszoon de Grebber. De eerste echtgenote van Adriaen Mourijnszoon was een dochter uit de “Sam(p)son”-familie met bezit in Noordwijk en Noordwijkerhout. Jan en Adriaen moeten elkaar goed gekend hebben en Jan leent ook geld bij de rentmeester. Opvallend zijn de opmerkingen van Adriaen in zijn brieven aan Arent van Dorp over de financiële huishouding van Jan van der Does en zijn echtgenote Elisabeth van Zuijlen. Het echtpaar heeft geen slecht inkomen maar dreigen te bezwijken onder zware financiële lasten. Detail: Elisabeth van Zuylen vraagt of Adriaen bij Van Dorp wil nagaan of deze geen interesse heeft in de aankoop van een derde deel van 54 morgen land bij Woerden of de helft van het eigendom van de heerlijkheid Cattendijk. Het krijgt geen vervolg.
Andere relaties met Noordwijkerhout.
De relatie van Guido van Meetkerke met boerderij de Witte Raaf kwam al eerder aan bod. Precies een eeuw nadat zijn dochter als enig erfgenaam de boerderij verkoopt wordt Gerrit Arijszoon Duivenvoorden, voorvader van uw schrijver, eigenaar van deze boerderij die Guido liet bouwen. Ook een andere Noordwijkerhoutse familie heeft een relatie met Guido van Meetkerke en zijn echtgenote, de voormalige non Margaretha van Haaften. De grote familie Heemskerk uit het dorp stamt af van vader en zoon Willem Willemszoon en Cornelis Willemszoon Heemskerk, twee schouten uit Sassenheim. Bij een zoektocht op deze website naar nog oudere voorouders van deze Heemskerkfamilie komen we uit bij de familie Aelwijn “van Swaneburg”. In dat verhaal wordt aangedragen dat de onbekend gebleven eerste echtgenote van schout Willem Willemszoon Heemskerk een Aelwijnsdochter was en mogelijk Josina heette, een naam die onder Aelwijn nazaten meer voorkomt en een dochter van Willem heet Joosje. De Aelwijnskinderen Swaneburg zijn eigenaar van veel onroerend goed in Sassenheim en Leiden. De broers Claes en Mees Aelwijnszonen staan aan de basis van een grote Leidse familie die onder de naam Swaneburg vermeld worden en tot de prominente Leidenaars behoren. Het huis het Hof van Zessen dat door de nonnen van Leeuwenhorst wordt gekocht en nu deel uitmaakt van het Rijksmuseum voor Oudheden werd door Josina Jan Claesdochter Swaneburg aan Jacob van Meetkerke verkocht en later overgenomen door Guido. Zie ook de volgende link voor deze link tussen dat gebouw en de familie Heemskerk.
De brieven van Adriaen Mourijnszoon en een verdwenen boerderij aan ’t Espellaan.
Een puzzel leggen is vaak moeilijk omdat je voor je gevoel net dat ene stukje niet kunt vinden. Maar soms duikt dat opeens uit het niets op. In dit geval heet het puzzelstukje “Cornelis Claeszoon, boer in Koudekerk, echtgenoot van Marijtje Philipsdochter”. We kennen dit puzzeltukje uit de geschiedenis van kasteelboerderij de Hooge Boekhorst, een verhaal dat al eerder op deze website is opgenomen. Marijtje Philipsdochter speelt met haar stiefvader Dirck Corneliszoon een rol in die geschiedenis. Zij konden als pachters van de kasteelboerderij ingevuld worden. Maar nu blijken zij dankzij de brieven van rentmeester Adriaen is dit echtpaar als puzzelstukje ook te koppelen aan een boerderij aan ’t Espellaan die al voor 1625 afgebroken is. Deze staat nog wel ingetekend op een kaart uit het archief van het klooster Leeuwenhorst. “Hier placht te staen de wooninge van Cornelis Claeszoon Admirael” staat op de kaart. En dankzij de brieven weten we nu dat de vader van Cornelis de bewoner was van boerderij de Pot, want Claes Willemszoon “Admirael” lijkt verbonden te zijn aan die boerderij. Hoe dit precies zit zal in een toekomstig verhaal op de website uitgewerkt worden. Zo groeit de kennis over de geschiedenis van Noordwijkerhout en haar vele boerderijen nog altijd door nieuwe vondsten.
Het turbulente leven van rentmeester Adriaen wordt ook besproken in een apart verhaal op deze website: “Een rentmeester die over zijn graf moest regeren”.
