Je bekijkt nu Hoe schoon waren de duinen deel 7. Depopulatie.

Hoe schoon waren de duinen deel 7. Depopulatie.

Depopulatie. Ontvolking. U leest het goed, het staat er echt. Dergelijke woorden gebruiken mag tegenwoordig gezien worden als moedige daad want het gebruik leidt bijna onvermijdelijk tot heftige reacties op de “socials” vanwege verwerpelijk gedachtegoed. Want dat moet immers wel aan de basis hebben gestaan bij de keuze voor dit woord. Ontvolking, hoe durf je, wat voor racist moet je dan wel niet zijn? Dat bleek ook weer eens in een debat over de terugkeerregeling in de 2e Kamer. Het gebruik van het woord remigratie leidde tot een tsunami vanuit de bankjes richting de vraag- en reactiemicrofoon. Een spervuur van negatieve termen daalde neer op het hoofd van de arme, naïeve spreker. Hij dacht in zijn onschuld dat remigratie net als terugkeer een gewone term was. Zij betekenen immers hetzelfde. Dat sommige woorden uit de wetenschap zoals “halfbloed” en “bosjesman” aan vervanging toe zijn begrijpt iedereen maar iemand een “zwarte” noemen klinkt voor heel wat mensen aanzienlijk minder vriendelijk dan gebruik van het oude latijnse “neger of niger” als aanduiding voor dit deel van de mensheid. Het gaat echter in het maatschappelijk debat niet meer om de oorspronkelijke betekenis van een gesproken woord maar om de uitleg die een luisteraar er aan geeft. Veel problemen zijn uit andere delen van de wereld geimporteerd. Defloratie eerder gebruikt voor een verhaal over de onvrijwillig ontmaagde Antje van Castricum is ook zo’n woord dat tot fronsende wenkbrauwen leidt bij de moralistisch ingestelde medemens met tunnelvisie. Het is een ontwikkeling met enge kanten. Hoe ver zijn we nog verwijderd van boekverbrandingen en verboden woordenlijsten?

Maar om iedereen op voorhand gerust te stellen, het gaat in dit verhaal over depopulatie niet over mensen maar over konijnen. U weet wel, de lieve Flappie en zijn vriendjes die het hele jaar geaaid en met Kerst opgegeten kunnen worden. De depopulatie of ontvolking van de konijnenstand in de Hollandse duinen vond plaats in 1661 en dateert uit een tijd waarin veel begrippen ons herinneren aan de Latijnse taal, die eeuwenlang de geschreven tekst domineerde. Woorden die we nu probleemloos herkennen uit het moderne Engels. Dat de Hollandse duinen gedepopuleerd zijn was een besluit van de Staten van Holland, het konijnenvolkje moest op bevel van het allerhoogste gezag het veld ruimen, letterlijk in dit geval. Dat ging niet zonder verzet van belanghebbenden. De parallellen met onze tijd liggen dan ook voor het oprapen. Het afschieten van herten in de Langevelder duinen of grazers in de Oostvaardersplassen leidde tot heftige reacties. Maar tegelijk is er nauwelijks weerstand tegen de uitroeiing van andere kinderen van Moeder Natuur zoals de Amerikaanse vogelkers, de Aziatische hornaar of het roestbruine rivierkreeftje. Zij zijn afgeserveerd als schadelijk. Provocerend zou je kunnen stellen dat zij door de klimaatverandering onze nieuwe natuur vormen, maar ecologen en biologen zijn per definitie conservatief, die willen geen verandering. Daarmee verloochenen zij hun grote leermeester Charles Darwin en zijn wet van de survival of the fittest. Alleen de soort die zich het beste kan aanpassen bleef volgens Charles bestaan. Hij zou concluderen dat de moderne mens niet voldoet aan dit criterium met alle gevolgen voor haar toekomst.

Depopulatie: strijd tegen het zand.

Darwin publiceerde zijn theorieën tweehonderd jaar na het besluit van de Staten van Holland om tot depopulatie van het konijnenvolkje over te gaan. Het ontbeerde de wijze heren in Den Haag dan ook aan zijn diepe inzichten rond de werking van Moeder Natuur dus wat heeft hen ertoe aangezet dit ingrijpende besluit te nemen? Laten we daarvoor eerst maar eens naar het besluit zelf kijken. Dat wordt in fasen in 1661 genomen en in december van dat jaar voor elk afzonderlijk deel van het zeeduin in detail uitgewerkt. Een deelbesluit van de Staten van Holland van 1 oktober levert inzicht rond de uitvoering en is hieronder overgenomen zoals het indertijd in drukvorm is verschenen. Voor de lezer: interpunctie week in die tijd sterk af van wat wij gewend zijn en de spelling van een woord verschilt soms, net als het willekeurig gebruik van hoofdletters en afkortingen.

“…By resumptie gedelibereert zynde op de respective Advisen, raeckende het amoveren van de Konynen uyt eenige Duynen met ‘tgene daer ontrent is, aen haer Edele Groot Mog. gegeven by de Raden ende Meesters van de Reeckeningen der Domainen, met ende nevens Dijckgraef ende Hooge-Heemraden van Rhijnlandt, voor soo veel het district van ’t selve Heemraedtschap betreft, ende met Dijckgraef ende Hooge Heemraden van Delflandt, voor soo veel de estendue van Delflandt voorschreve aengaet, ende noch bij de Heeren Gecommitteerde Raden in beyde de Quartieren met ende nevens de ghemelte Raden ende Meesters van de Reeckeningen over haer Edele Groot Mog. Domainen generalijck ten aensien van het gantsche District van de Maze af tot het eynde van Hollandt toe; alle in voorgaende Notuelen onder date den vier en twintichsten der voorlede maendt breeder gementioneert; Is, nae voorgaende deliberatie, goedtgevonden ende verstaen dat de gemelte Collegien ofte eenige Gedeputeerden uyt de selve by haer respectivelijck ten nomineren, versocht ende ghelast sullen werden, gelijck syluyden versocht en gelast worden bij dezen.

In den eersten, dat de selve aen haer Edele Groot Mog. perfectelijck sullen hebben op te geven ende te berichten hoeveel de loopende Pacht van de Duynen, die volgens de voorsz Advisen, in ’t geheel souden werden gedepeupleert, jaerlijck komt te bedragen.Ten tweeden,dat sy luyden sullen hebben te begrooten, ende te arbitreren wat afslaech ende remissie, naer recht, reden ende billickheytdt souden behooren te genieten, yder van soodanige Duynmayers, welckers ghehuyrde Duyn na de voorschreve voorslagen voor een gedeelte alleen Konyneloos soude werden gemaeckt. Ten derden, dat syluyden mede sullen opgeven ende arbitreren tot wat somme aen de voorschreve Duynmayers, ofte de Eygenaers der selver Duynen respectivelijck uyt saecke als boven soude behooren te werden geremitteert ende quytgescholden ‘sgemeene Lants Verpondinge. Ten vierden, tot wat somme ’t zy in Capitael, ’t zy in jaerlijcksche renthe, over ende ter saecke voorschreve, vergoedinghe soude behooren te werden gedaen aen yder van de Eygenaers der Duynen die in particuliere handen wesende, in ’t geheel ofte ten deele van Konynen gedepeupleert souden werden.Ten vijfden, ende ten laetsten, op wat voet ende proportie de Landen door de voorschreve voorslagen mediatelijck of immediatelijck gebeneficieert, ofte gefoulageert werdende, vergoedinge souden hebben te doen van ’t gunt haer Edele Groot Mog. by nader deliberatie souden mogen verstaen over ende ter saecke van ’t voorschreve depeupleren der Duynen ende het remitteren van de Verpondinge, ’t haren laste gebracht te moeten werden; omme op alle de selve poincten de gerequireerde berichtinge ende informatie ghesien synde, als dan nader finalijck op den innehoude van de voorgheroerde Advisen geresolveert ende gedecreert te worden, ’t gunt na exigentie van saecken sal werden bevonden ten meesten dienste van den Lande te behooren…?

Wat opvalt in dit deelbesluit is de aandacht die door de Staten van Holland wordt geschonken aan de financiële afhandeling van de gevolgen van de depopulatie voor alle betrokken partijen. De passage onder het tweede punt “…naer recht, reden en billickheytdt..” is wat dat betreft symbolisch voor de tijdgeest te noemen. Dit besluit moet immers gezien worden tegen de achtergrond van een gewest, dat op het toppunt van haar macht staat, waar het geld tegen de plinten klotst en de Hollandse elite als bankier van de wereldhandel fungeert. Er was geld, heel veel geld en men kon dus “billick” zijn met betrekking tot de partijen die financieel getroffen werden door het verdwijnen van de konijnenhouderij als broodwinning.

Ordonnantie Maria van Bourgondië 1477, aanzet tot verbetering.

Van een uitpuilende schatkist was in de twee eeuwen ervoor totaal geen sprake geweest, er heerste grote armoede in het gewest Holland en de toestand van de grafelijke duinen en bossen was desastreus. Het bestuur van het gewest heeft weinig greep op zowel de bevolking in het gebied als op de bestuurders die men aangesteld heeft als beheerder van het grafelijk eigendom dat het grootste deel van het oppervlak van het gewest omvatte. De eerder op deze website beschreven maatregelen van Maximiliaan van Oostenrijk en zijn echtgenote Maria van Bourgondië, gravin van Holland vormen een belangrijke eerste aanzet tot verbetering van de situatie. In hun Ordonnantie van 1477 wordt de grote nalatigheid van Anthonis, bastaard van Bourgondië als Houtvester van Holland scherp bekritiseerd. Als voorbeeld een passage over zijn nalatigheid bij het planten van helm waardoor de duinen verstoven. Het laat weinig heel van de persoon van Anthonis. “…Ende dat noch meer is, hy heeft verhengt (toegestaan) dat de Ingesetenen van de Dorpen gelegen by onser voorschreven Wildernissen, ende die gehouden zijn te planten de Duynen met Helme voor ‘t verstuyven van den zande, van die dienste verdraghen (vrijgesteld) zijn geweest, oft ten minsten uytstellinge daer af vercrege hebben, nemende daer voor gereede penningen, midts twelck niet alleene onse voorschreven Wildernissen, maer oock die Gebuyren, Erven ende Landen aldaer omtrent geleegen, in diversche plaetsen mitten zande also bestove ende verderffelick geworden zijn, dat die Schade daer by geleden onverwinnelick is . . .”. De verplichte aanplant van helm, belangrijk voor het behoud van landbouwgrond kon bij Anthonis afgekocht worden of hij liet het toezicht op uitvoering van de helmplant versloffen.

Met de Ordonnantie werd de stadhouder als vertegenwoordiger van de gravin van Holland verantwoordelijk voor het houtvesterschap, dat was voor die tijd nog niet het geval. Voor de uitvoering van het werk werden luitenant-houtvesters aangesteld. Zij richten zich op de aanpak van de verplichte helmplant en controle op de duinmeiers, die percelen duin konden pachten van het gewest om daar een optimaal aantal konijnen te houden. Het afsluiten van contracten met duinmeiers voor gebruik van grote stukken grafelijk duin was door de expliciete voorwaarden rond bijvoorbeeld de helmplant één van de sterke organisatorische punten die uit de Ordonnantie is voortgekomen. De duinmeiers waren verantwoordelijk voor het planten op hun percelen maar dienden daarnaast ook de stroperij aan te pakken. Stropers werden voor het gerecht van de houtvesters gebracht, maar ook mensen die illegaal zoden of zand uit de duinen haalden of bomen en takken hakten om als brandhout te dienen. De graaf en houtvesters stelden ook zelf mensen aan voor de aanpak van stroperij maar het organiseren van dit werk was lastig in de uitgestrekte duingebieden. Bovendien was de financiering van deze controle een probleem. Er was weinig geld om hierin te investeren. Er viel simpelweg weinig belasting te innen bij de Hollandse bevolking.

Gevraagd naar de stand van de welvaart en economie leggen de bewoners van de kustdorpen in de Enqueste en Informacie van 1494 en 1514 verklaringen af over de grote armoede in hun gemeenschappen. Zij kunnen de belastingen van het gewest niet of nauwelijks opbrengen. Noordwijk was in de Bollenstreek drie tot vier keer groter in omvang dan de andere dorpen en had in zekere zin stadse allures, maar ook daar was het aantal woningen sterk gekrompen. De inwoners hadden zich al enkele jaren voor de Enqueste van 1494 tot graaf van Holland Maximiliaan van Oostenrijk gericht om te klagen over de hoogte van de belastingen waarna hij hen tegemoet was gekomen door tarieven vast te leggen. Die zijn in de Enqueste dan ook terug te vinden en daarbij valt op dat de belastingheffing in Noordwijk veel gedifferentieerder was dan de tamelijk grove manier van heffing die door andere dorpen beschreven wordt. Daar bepaalden vaak alleen het bezit van onroerend goed of het aantal koeien of schapen de grondslag voor verschuldigde belasting. De klacht van de Noordwijkers over armoede en belastingdruk werd in 1490 door het grafelijk gezag alleen afgehandeld voor dit dorp, in die tijd niet ongewoon. Het bestuur in het gewest was blijkbaar organisatorisch nog zo ingericht dat het reageerde op incidenten. Maatregelen die voor het hele gewest Holland tegelijk golden waren er ook maar klagen hielp blijkbaar om sneller in beeld te komen. Niettemin zou deze Noordwijkse klacht wel eens bijgedragen kunnen hebben aan het besluit om vier jaar later een algeheel onderzoek in het gewest op te zetten via de Enqueste.

Naast de belabberde stand van de economie in het gewest Holland speelt zeker in de kustdorpen een oneerlijke verdeling van de belasting op grondbezit een rol. De vele roomse instellingen zoals kloosters en gasthuizen betaalden door vrijstellingen minimaal mee aan de dorpslasten terwijl juist zij het overgrote deel van de belastbare landbouwgrond in eigendom hadden. Ook huiseigenaren die opgaven in de steden hun hoofverblijf te hebben betaalden niet mee in de dorpen waar zij ook een woning hadden. Noordwijk had daar specifiek last van, de andere dorpen beperkt. In Noordwijkerhout woonde naast de bewoners van kasteel De Hooge Boekhorst slechts een enkele welgestelde burger. De cijfers over woning- en landbezit die in archieven te vinden zijn bevestigen de verklaringen die dorpsbestuurders voor hun armoede aandragen maar hun uitspraken over misoogsten, muizenplagen, stormen en overstromingen als oorzaken van de financiële ellende zijn veel moeilijker voor ons te controleren. Duidelijk is dat aan het begin van de zestiende eeuw er nauwelijks geld is om te investeren in infrastructuur, waaronder ook de kustversterking. De Ordonnantie van gravin Maria van Bourgondië en haar man Maximiliaan spreekt niet specifiek over de toestand of kwaliteit van het zeeduin, men heeft het over de toestand van de grafelijke duinen in het algemeen. De depopulatiemaatregelen van 1661 richten zich vooral op de zeeduinen, men splitste in het beleid het duingebied. Het beheer van het binnenduin bleef onderdeel van de pachtcontracten van duinmeiers. Deze accentverschuiving is met name interessant omdat er één partij in de kwestie is die zich nergens iets van aantrok. Het konijn kende geen grenzen, net zoals de wolf die anno 2026 ook niet kent.

Konijn vorstelijk behandeld

Het konijn kwam vanuit het Middellandse Zeegebied in de Middeleeuwen naar de Lage Landen en veroverde daar snel een belangrijke positie in de voedselvoorziening. Het diertje dat zich spreekwoordelijk snel voortplantte en relatief weinig natuurlijke vijanden had leverde goedkoop vlees voor boer en burger. Het was voor hen het enige vlees dat met regelmaat gegeten kon worden. De omvang van de veeteelt was in die periode nog beperkt en vooral bedoeld voor de productie van kaas en boter. De jacht op wild was aan strenge regels gebonden. Op groot wild mocht alleen door de adel of begunstigde burgers gejaagd worden en dat gold ook voor veel van het kleine wild zoals gevogelte. De boetes op stroperij waren niet misselijk hoewel de kans gepakt te worden ook niet te hoog ingeschat moet worden in de dunbevolkte, uitgestrekte duinen van het gewest. Het gerecht van de Houtvester van Holland is na een reorganisatie pas vanaf 1565 effectief in de aanpak van stropers. Voor dat jaar geven de archieven ons maar weinig namen van opgepakte stropers.

Er werd gejaagd op het konijn met pijl en boog en netten. Hun bergen werden uitgegraven of men gebruikte het roofdier de fret om de konijnen uit hun afgesloten holen te jagen. Er zijn al vroege vermeldingen van het “foretteren” of de “foret”. Zoals de opmerkelijke straf voor het gebruik van een fret bij het jagen op konijnen die aan een Hagenaar wordt opgelegd in 1449. Zie plaatje. De dader moet op bedevaart naar Keulen en de in beslag genomen fret wordt terug gegeven aan de man die het roofdier uitleende. Ook het gebruik van koperen strikken voor de vangst van konijntjes heeft een oude geschiedenis maar tijdens dit onderzoek zijn weinig harde aanwijzingen gevonden voor wanneer deze vangstmethode voor het eerst toegepast werd.

Voor de voedselvoorziening was het konijn belangrijk en dus richtte maatregelen van het grafelijk gezag zich op een vorstelijke bescherming van het dier. Natuurlijke vijanden van het konijn zoals roofvogels werden ook na het verdwijnen van de plezierjacht in aantallen beperkt gehouden. Het vrij rondlopen van katten en honden werd streng aangepakt. Katten waren kwetsbaar voor zand in de oren, daarom knipte men dit dier de oren af, het zou dan een konijnenhol niet ingaan. Bij honden kreeg het dier een blok om de nek of werd een deel van een poot verwijderd. Het stond konijnen vrij om zich overal te bewegen en beschermd te voelen, dus ook op landbouwgrond buiten de grafelijke duinen. Die landbouwgrond maakte vaak deel uit van uitgestrekte, aaneengesloten jachtgebieden, zoals we ook nu nog wel zien. Een jachtvergunning wordt vandaag de dag in de Bollenstreek pas afgegeven als men kan aantonen op meer dan vijftig hectare te mogen jagen van de eigenaren. Een boer mocht (en mag) geen wild op zijn eigen grond vangen of netten spannen om een dwalend duinkonijntje te verschalken. Dit verbod op jagen op eigen grond heeft een oude geschiedenis met talloze rechtzaken en discussies.

Steile slootkanten

Boeren mochten dan wel niet zelf jagen maar konden hun gewassen proberen te beschermen door aanleg van dichtbegroeide heiningen of heggen met daarin een enkel toegangshek. Dat gebeurde met name op de grenzen van zeeduinen met landbouwpercelen. De heggencultuur in de bollenteelt is mogelijk voortgekomen uit deze oude gewoonte om percelen af te schermen voor grazende konijnen, al heeft een heg ook andere voordelen. De aanleg van zo’n heining of heg is kostbaar en waar mogelijk werd dan ook gebruik gemaakt van sloten als bescherming. Hoewel een konijn kan zwemmen en zich niet door water laat tegenhouden was een sloot zeer effectief als de kanten aan weerszijden steil gemaakt waren. Het werd boeren echter bij wet verboden om steile slootkanten te graven. In archieven vinden we stevige boetes terug voor boeren die met een te steile slootkant konijnen hadden “vermoord”. De keuze voor dit woord zegt genoeg over hoe de overheid zich opstelde bij de bescherming van de konijnenstand. Aanvankelijk is in de uitgebrachte resoluties of plakkaten van de overheid niet duidelijk of het om beide zijden van een sloot ging, maar dat verandert midden zestiende eeuw.

Voorbeeld van een van de vele plakkaten die het maken van steile slootkanten tegen moesten gaan.

Het is in de eerste helft van de zestiende eeuw vooral de Rekenkamer als uitvoerder van het beleid van het grafelijk gezag die het ene na het andere “placcaat” uitbrengt rond te steil afgestoken slootkanten of de aanplant van helm. Beleid dat mede door het Hof van Holland wordt bepaald, dat had in die tijd veel bredere taken dan alleen rechtspraak. In februari 1550 worden gebruikers van percelen grenzend aan de “grafelijkheids Wildernisse” opgelegd de slootkanten aan de duinzijde te verlagen. Argument is dat teveel konijnen verdronken omdat zij bij het drinken niet meer terug konden keren in het duin door een te hoog afgestoken slootkant. Op dit besluit volgt een regen van boetes door een speciaal aangestelde controleur.

In de Bollenstreek spannen de dorpen Noordwijk, Noordwijkerhout, Lisse en Hillegom hierop een proces aan bij de Grote Raad in Mechelen, voorganger van onze Hoge Raad. Zij willen de opgelegde boetes niet betalen. Het is één van de laatste daden van de oude Noordwijkerhoutse schout Pouwel Claeszoon in juni 1551 om de gelederen te sluiten en protest aan te tekenen. Na een bijeenkomst van de stadhouder met zijn adviesorganen, een overleg dat “secreet” (geheim) wordt genoemd, mogelijk omdat men de rechters van de Grote Raad niet voor de voeten wilde lopen, volgt voor de vier dorpen een aangepaste versie van het eerdere slootkantbesluit. Zij mogen aan de eigen zijde van de sloten steile kanten afsteken mits zij zich aan nieuwe normen voor de hoogte boven de waterlijn zullen houden. Het besluit is onvolledig met betrekking tot konijnen die vanuit het zeeduin naar de landbouwpercelen wilden trekken en daarvoor sloten moesten oversteken. Zij mochten bij wet niet tegengehouden worden door boeren. Van hen werd blijkbaar verwacht hun percelen met heiningen en heggen af te grendelen.

Als voorbeeld noemen we hier Floris Mourijnszoon, een duinmeier van het Noordwijkse zeeduin, die de Noordduinen van zijn woonplaats pacht. Hij vraagt een deel van zijn pachtprijs terug bij de Rekenkamer in Den Haag, omdat zijn duin begrensd wordt door sloten met steile kanten, waardoor hij veel van zijn konijnen verdronken had aangetroffen. Ook waren zijn konijnenbergen, die door duinmeiers zoals Floris zelf opgeworpen werden door zware stormen geheel en al afgevlakt en de konijnen gestikt. Een controleur van de Rekenkamer van het gewest bevestigt zijn verhaal. Floris pachtte tientallen jaren lang het noordelijk deel van het zeeduin tussen de Brelofterweg en de Duindamse slag.

Helmplant

Na het vroege verlies van zijn echtgenote Maria van Bourgondië door een val van haar paard is Maximiliaan van Oostenrijk haar opgevolgd als graaf van Holland en heeft haar beleid tot herstel van duinen en bossen voortgezet. De aanplant van helm om het stuiven tegen te gaan was altijd al een speerpunt in het duinbeheer geweest maar het ontbrak aan een effectieve uitvoering en organisatie. Maximiliaan probeert dit te verbeteren, zoals onder andere in zijn besluit van 1510. “…Committeren ende ordonneren midts desen onsen lieven ende ghetrouwen Ridder ende Houtvester van Hollandt, Heer Cornelis Cruesinck, om met vier oft vijf goede notable Manne hen dies verstaende, ende die by u daer toe geordonneert sullen worden, last ende toesien te hebben van de voorschreven Duynen, die te doen beplanten ende besteken met Ruychte, Helm, ende andere materie, daer toe dienende, ende die penningen die men daer toe nootsakelyk behoeven sal, ommeslaan ende opbeuren naevolghende de Keuren ende Ordonnantiën die by u daer op ghemaeckt sullen werden; ende dat alle gheduyrende den tijdt ende termyn van ses jaren naestcomende, ende achter een volghende, ende niet langher…”

Genoemde Cornelis Cruesinck was luitenant-houtvester. Hij heeft zoals eerder beschreven in de serie duinverhalen op deze website een stevige band met Noordwijkerhout, waar zijn gezin enige tijd gewoond heeft aan de Herenweg en ook na de dood van Cornelis nog tientallen jaren duingrond pachtte of in bezit had. Hij is de eerste uitvoerend houtvester van wie we in archieven werkresultaat terugvinden, zoals de herbebossing van het Duinschoten. De helmplant blijkt een taai onderwerp, want de hele zestiende eeuw blijven plakkaten uitgebracht worden over de aanplantplicht. Enkele jaren na de dood van Cornelis constateren controleurs van het Hof van Holland dat“de duinen tussen Maze en Zijpe op diverse plaatsen zeer verstoven zijn en nog verstuiven tot grote pericule (gevaar) zowel van de zee als bederfenisse van de binnenlanden”. Men heeft dat jaar 1521 ook geconstateerd dat de dorpen in de duinen de kosten voor de aanplant van helm niet meer op kunnen brengen. Het Hoogheemraadschap Rijnland wordt opgedragen de volgende vier jaar tachtig morgen helm per jaar aan te planten en de kosten daarvan uit eigen middelen te dekken. De duindorpen worden echter maar beperkt ontzien. Zij behouden hun aanplantplicht. Noordwijk, Noordwijkerhout en de inwoners van het Langeveld moeten samen jaarlijks zestien morgen helm aanplanten. Deze “buurhelm” viel onder de verantwoordelijkheid van de ambachtsbewaarders, de twee dorpen voerden dit soort infrastructureel werk tot ver in de negentiende eeuw als gezamenlijk ambacht uit. Bijzonder is de bepaling dat elke eigenaar van een paard en wagen in het Langeveld, Heemstede, Hillegom, Lisse en Voorhout ieder jaar honderd Rijnlandse Roe (1400 m2) helm voor zijn rekening moet aanplanten. Voor deze gebieden gold mogelijk geen buurhelmverplichting.

Dat in de aanhef van het besluit het zeeduin gescheiden van het binnenduin wordt genoemd is een belangrijk gegeven. Dat onderscheid zien we in oudere beleidsdocumenten nauwelijks terug, daar wordt gesproken van de grafelijke duinen of wildernisse. Het erkent dat alle partijen belang hadden bij het voorkomen van overstromingen door de zee. Dat zou immers het hele gewest Holland kunnen raken. Binnenlandse dijkdoorbraken, die met enige regelmaat plaatsvonden troffen niet alle delen van het gewest, waren per regio verschillend. Zo waren de dijk en sluis bij Spaarndam en de Hondsbossche Zeewering zwakke plekken in het waterbeheer en zien we al vroeg in de geschiedenis dat er specifiek voor deze twee plaatsen extra fondsen gevormd worden om onderhoud te plegen. Het dichtslibben van de Oude Rijn in de dertiende eeuw waardoor het oude stelsel van waterafvoer via weteringen niet meer goed functioneerde vergrootte eeuwenlang de problemen. Het water van Rijnland kon alleen via de kwetsbare sluis bij Spaarndam op het IJ en Zuiderzee gespuid worden.

Als noodmaatregel werd rond 1572 een nieuwe beperkte uitwatering aangelegd bij Katwijk en de huidige definitieve oplossing kwam pas in 1807 tot stand. Het Hoogheemraadschap Rijnland heeft eeuwenlang moeite gehad om financiering voor binnenlandse projecten te vinden bij hoger gelegen dorpen of beter beschermde gebieden. Zo tekende de stad Haarlem lang verzet aan tegen waterafvoer via Katwijk omdat men belang had bij uitwatering via de Spaarndamse sluis. De waterstroom hield het Spaarne op de diepte die nodig was voor de voor Haarlem belangrijke scheepvaart. Maar ook partijen boeren en burgers konden dwarsliggen. In 1542 weigerden de inwoners van de Hoge Venen in De Zilk om morgengeld aan dit waterschap te betalen. En de ambachtsbestuurders van Noordwijkerhout wilden het niet ophalen. De boeren van de Hoge Venen meenden weinig last van overstroming van hun landerijen te ondervinden na dijkdoorbraken. Overstromingen bereikten wel de Lage Venen in hun regio, maar niet de Zilker boerderijen die hoog gelegen waren. Uiteindelijk zullen ook zij zwichten en meebetalen, vanaf die tijd had De Zilk een eigen ambachtsbewaarder en een vaste vertegenwoordiging in het Noordwijkerhouts bestuur.

Terwijl de ene partij niet wilde betalen, stelden anderen dat zij teveel betaalden. De steden en dorpen in Rijnland die het Hoogheemraadschap Rijnland betaalden voor de verplichte helmplant in zowel het binnen- als zeeduin hebben met lede ogen aangezien dat de kustdorpen en duinbewoners met enige regelmaat hun helmplicht niet nakwamen. In 1537, nog maar vijftien jaar nadat de Bollenstreekdorpen enige verlichting van hun aanplantverplichting was gegund en het waterschap verplicht werd jaarlijks voor eigen rekening tachtig morgen te planten klagen de Rijnlanders over kustbewoners die hun plichten“verzuijmden”. Zij plantten te weinig helm en deden dat vooral rondom de dorpen zelf waardoor verder gelegen duingebied leed onder zware verstuivingen. Particulieren die kleine perceeltjes moesten beplanten zouden hun porties niet ingevuld hebben. Bovendien was geconstateerd dat zij “…met bijlen en andere instrumenten de ruicht, gheyl en doornes…” afhakten om als brandhout te gebruiken bij het bakken van brood. De Hoogheemraden van Rijnland en de Houtvester van Holland besluiten in gezamenlijk overleg het toezicht op de helmplant aan te scherpen en gezamenlijk schouw te houden, zoals ook bij waterwegen plaatsvond. Wie lijstjes maakt van de mensen die voor het jaar 1800 in het gewest Holland aangesteld werden in de waterschappen, het houtvesterschap, de rechtbanken en het leger komt daar een selecte groep namen tegen. Het platteland werd op hoofdlijnen bestuurd door leden van oude, vaak adellijke families. Dat was niet alleen vanwege hun old boys netwerken, maar vooral omdat deze mensen een juridische opleiding hadden genoten en bestuurlijke kennis en ervaring al op jonge leeftijd meekregen. Via de Ridderschap Holland hadden zij een stem in de Staten van Holland. Daarin kregen de steden naarmate de tijd vorderde echter de overhand; zij lieten aansturing van het platteland maar al te graag over aan de Ridderschap.

De Houtvester van Holland bezocht voor de helmschouw hoogstpersoonlijk de diverse dorpen, vergezeld van andere magistraten. Hun kosten voor “verteringen” komen in menige dorpsrekening voor en deze konden aardig oplopen, de heren lieten zich ongetwijfeld graag fêteren. Opmerkelijk detail vinden we in een verklaring van twee Lissenaren uit 1585. De 79-jarige Cornelis Huygenszoon en de 102-jarige (sic!) Dirck Dirckszoon verklaren ten behoeve van het dorpsbestuur van Lisse dat de houtvesters Croesink, Van Wassenaar en Van Brederode in hun regeerperiode nooit recht hebben gehad op vergoeding van verteerkosten tijdens de schouw op de helmplant. Het heeft het dorpsbestuur van Lisse waarschijnlijk niet geholpen om de houtvester van dat jaar zelf te laten betalen voor zijn verteringen, maar Dirck Dirckszoon had met zijn bijzonder zeldzame 102 jaar blijkbaar nog altijd een goed geheugen.

De beboeting van niet nagekomen aanplant was een taak van de houtvesters met hun Meesterknapen van Holland die lange tijd recht spraken op het jachtslot Teijlingen in Voorhout. We zien in de beschreven processen ook voorbeelden van boetes op het stelen van helmplanten door particulieren. Begrijpelijk, want niet iedereen die verplicht was een klein perceel helm te poten had planten tot zijn beschikking. En niet iedereen was even kundig in dit plantwerk, waar de nodige kennis van de plant voor nodig is. Aangeklaagde partijen hadden dan ook een valide argument als zij ter verdediging stelden dat hun aanplant door droogte of verstuiving tevergeefs was geweest. Om de helm tijd te gunnen om wortel te zetten stak men tegen het verstuiven ook wel stro tussen de planten. Helm is een sterk gewas maar ongunstige omstandigheden konden het ontwikkelen van wortels teniet doen. De grip op de helmplicht blijft met name in de zestiende eeuw nog tientallen jaren een probleem want we zien in de archieven de eerste afspraken over verdeling van taken en kosten uit 1521 telkens herhaald worden. Die werden dan in elk dorp of stad nog maar weer eens onder de aandacht gebracht via plakkaten of via het kerkgebod, de afroep van maatregelen tijdens een kerkdienst. Veel mensen konden in die tijd immers niet lezen wat er op de fraaie plakkaten stond. Op zichzelf valt het regelmatig herhalen van wetten te begrijpen gezien het geringe aantal mogelijkheden die de overheid had om met haar burgers te communiceren.

Grashuur: het weiden van dieren in het duin.

De schade die konijnen in de duinen aanrichten betrof het opvreten van aangeplante helm en het omwoelen van de grond bij het maken van holen of konijnenbergen. Overigens maakten duinmeiers zelf ook dergelijke konijnenbergen om het de dieren naar de zin te maken. Als oorzaak van het verstuiven van de duingrond was het weiden van koeien, schapen en paarden in de duingebieden ook een belangrijke factor. Het wordt vaak omschreven als de grashuur. Welk dier nu het meeste schade aanrichtte wordt uit de archieven niet duidelijk. Na het jaar 1700 spreekt men vooral over het konijn, maar toen was de grashuur al grotendeels verdwenen en veel binnenduin verkocht aan particulieren. De grashuur of verhuur van perceeltjes duin aan boeren en burgers was een oude traditie en het ontstaan is eenvoudig te verklaren. Het overgrote deel van de beschikbare landbouwgrond was eigendom van het gewestelijk bestuur, roomse instellingen en leenmannen van de graven van Holland. Een boer of burger die wat koeien, schapen of paarden wilde weiden was min of meer aangewezen op de pacht van duin. Jaarlijks kon men inschrijven voor de zomer- of winterpacht en daardoor kennen we heel wat namen van inwoners van de duindorpen uit de late Middeleeuwen.

Naarmate het probleem van de verstuivingen aanhoudt en zelfs toeneemt wordt besloten door de rentmeester van de Rekenkamer om de jaarlijkse grashuur te beperken en soms één of meerdere jaren helemaal geen inschrijving meer te organiseren. Dat kon in de Bollenstreek dan ook nog eens per dorp verschillen. In 1567 wordt de winterhuur zelfs geheel geschrapt. Voor zover we daarover kunnen oordelen lijkt het alsof veel maatregelen ad hoc genomen worden. Ook hier reageert het gezag op incidenten in plaats van een beleidslijn op te stellen voor de lange termijn en die consequent uit te voeren. Voorbeeld van dit onsamenhangend ogend beleid is het algeheel schrappen van de inschrijving van de grashuur in het duin tussen Noordwijkerhout en Katwijk, een maatregel uit 1605. Hier viel voor het eerste dorp ook het duin van de Noordwijkerhoutse Geest onder. De Rekenkamer notuleert dat het Hoogheemraadschap Rijnland geweigerd had nog langer haar jaarlijkse verplichting tot aanplant van helm in dit gebied in te vullen als het weiden van vee niet gestaakt werd. De rentmeester treedt in overleg met de hoogheemraden en gaat akkoord met een stop op de inschrijvingen voor de grashuur voor de periode van tien jaar, die daarna nog voor tientallen jaren verlengd wordt en uiteindelijk geheel afgeschaft. Ten noorden van Noordwijkerhout blijft echter de inschrijving van grashuur gehandhaafd in dezelfde periode. De duinmeiers van Hillegom, het Langeveld en Noordwijkerhout sluiten in 1639 zelfs een contract af voor beweiding van hun duinen door schapen en dat voor een periode van maar liefst tien jaar. Als partij waren de duinmeiers waarschijnlijk eenvoudiger aan te spreken bij het niet nakomen van de helmplicht door dorpsbesturen. Helmplant was vast onderdeel van hun contract.

Het Haarlemse privilege.

Een andere opvallende maatregel van de Staten van Holland roept ook vragen op. Het betreft de toekenning van een privilege aan het stadsbestuur van Haarlem in 1581. De stad heeft zwaar geleden onder het beleg door Spaanse troepen in 1573. De betaling van gelegerde troepen voor en na de inname van de stad en het herstel van muren en gebouwen kost veel geld. Het vertrek van de Spanjaarden na het sluiten van de Pacificatie van Gent in 1579 maakt de weg vrij voor het stadsbestuur om de stad in oude glorie te herstellen. Het bestuur vraagt de Staten om compensatie voor de geleden schade. In Den Haag begrijpt men dat het heldhaftige verzet van de stad en het herstel als militair fort een “remboursement’ verdient. Er volgt een lijstje tegemoetkomingen in de vorm van rechten en privileges, maar directe geldoverdracht ontbreekt. Dat valt te begrijpen, want de nieuw gevormde Republiek was straatarm. Veruit de belangrijkste maatregel is de overdracht van alle tijdens de Reformatie geconfisqueerde roomse goederen aan het stadsbestuur. Haarlem ontvangt het eigendom van gebouwen plus de inkomsten van de vele kloosters, gasthuizen en kerkinstellingen, terwijl elders in Holland de Staten zelf eigenaar blijven. Een andere uitzondering vormen de kloosters Leeuwenhorst en Rijnsburg, die worden toegekend aan de Ridderschap.

De Haarlemmers krijgen onder meer het recht hun dieren te weiden in alle duinen tussen de lijn Voorhout-Noordwijk in het zuiden en de duinen van Arenberg bij Heemskerk in het noorden. Met elkaar vormt dit een groot deel van de grafelijke duinen. De Staten behouden het recht om dit privilege terug te kopen van de stad. Men mag er dieren weiden of de grashuur exploiteren. Het lijkt een maatregel van een platzakke overheid waarvan men tegenstand kon verwachten. Immers veel mensen in het beschreven gebied waren afhankelijk van de konijnenvangst, als voedsel of als inkomsten. Het duurt dan ook niet lang of de klachten stromen binnen bij de rentmeester van de Rekenkamer. In het jaar van aankondiging van het privilege komen inwoners uit het gebied al bij elkaar om gezamenlijk actie te ondernemen. Toch zal het nog vijfentwintig jaar duren alvorens het recht op het weiden van dieren wordt teruggekocht door de Staten van Holland tegen betaling van 5.000 pond aan de stad Haarlem. Daarbij speelt op de achtergrond de kaalslag van de duinen door Haarlemse gebruikers van het duin een rol. De verstuivingen namen toe. Uit de laatste vijf jaar van het Haarlemse bewind in de duinen zijn gegevens bewaard gebleven over de prijzen die de rentmeester van de stad rekende voor de grashuur. Een paard kostte 24 stuivers, een pink of hokkeling 8 stuivers, een vaars 16 stuivers, een kalf 4 stuivers en een schaap 2 stuivers. Dat lijkt allemaal niet veel, maar gezien de omvang van het duingebied en de vraag die er in het verleden altijd geweest is voor de grashuur kon dit toch aardig wat geld opleveren voor de stad.

Tegelijk is, voor zover dit tijdens dit onderzoek na te gaan viel, de helmplicht die door het Hoogheemraadschap Rijnland moest worden uitgevoerd in deze periode tussen 1581 en 1606 gewoon blijven bestaan, net als voor duinmeiers en dorpsbesturen. We zien begin 17e eeuw toezeggingen van de Rekenkamer aan duinmeiers dat zij meer helm mogen aanplanten dan zij contractueel verplicht waren. Dat was mede omdat zij armoede leden. De helmplant werd voor duinmeiers zelfs een belangrijke inkomstenbron. We komen steeds meer betalingen aan hen tegen in de latere jaarrekeningen van de Rekenkamer, meestal als korting op de pacht.

Het privilege van de Haarlemmers leidde tot nadeel voor de bewoners van de Bollenstreek, Kennemerland en via het Hoogheemraadschap ook voor de andere inwoners van Rijnland. Het was als onhoudbare situatie te voorspellen maar de Staten van Holland hadden in 1581 door geldgebrek weinig andere keuze dan de Haarlemmers te bevoordelen en zeggenschap te verlenen buiten hun eigen stadsgrens. Ook op dit punt is de vergelijking met onze tijd snel gemaakt. De Waterleidingduinen vallen onder het bestuur van de Amsterdamse gemeenteraad. Haar privilege is de waterwinning in het gebied. Tegenover dit voordeel staat het nadeel van de inwoners van gemeenten rond het duin zoals de hertenoverlast. Men was en is afhankelijk van de gemeenteraad van Amsterdam voor maatregelen; een stad die politiek gezien een andere signatuur heeft dan de Bollenstreekdorpen. Pas na veel discussie kon Amsterdam overtuigd worden dat het natuurbeheer ander moest en volgde een afschotregeling.  

Tijden veranderen, de paradox van de Tachtigjarige Oorlog.

De lijst voordelen die de stad Haarlem genoot zou je een betaling in natura kunnen noemen, geld kwam er nauwelijks aan te pas. De Staten van Holland zouden ook niet geweten hebben waar zij grote bedragen vandaan hadden moeten halen. De Reformatie en Tachtigjarige Oorlog vormden een belangrijk keerpunt in de vaderlandse geschiedenis. De financiering van de strijd tegen de Spaanse koning blijft vaak onderbelicht. Militair waren de Spanjaarden superieur maar hun wereldrijk was sterk in verval, er was weinig geld om soldaten te betalen. Maar ook in het gewest Holland waren er tussen 1572 en 1577 bijzonder weinig inkomsten uit de talloze soms eeuwenoude rechten die de staat had of uit verhuur van de grafelijke domeinen. De duinen konden jarenlang niet of nauwelijks verpacht worden, om uiteenlopende redenen. De schade die dat opleverde in de vorm van kaalslag en verstuivingen moest in de jaren erna weer ingehaald worden. Terwijl juist in die jaren door de militaire strijd de bodem van de schatkist al was bereikt. Het is niet overdreven te stellen dat de overdracht of Annotatie van het roomse bezit aan de staat eerder een financiële noodzaak dan een principiële religieuze keuze was. Immers, als het katholieke geloof gehandhaafd zou zijn gebleven, welk argument zouden de Staten van Holland dan nog hebben gehad om tot confiscatie van het enorme roomse bezit te mogen overgaan? Stellingen of vraagstukken zoals dit zijn nodig om de Tachtigjarige Oorlog en de onafhankelijkheidsstrijd van ons land telkens met nieuwe ogen te bekijken. De periode tot circa 1600 is ingewikkeld maar wordt nogal eens in hapklare brokken opgedeeld en gepresenteerd.

Een deel van het geconfisqueerde bezit werd verkocht. Dat bracht ook nieuwe kansen met zich mee voor boeren, die over wat geld beschikten en zo hun landerijen konden uitbreiden. De agrarische sector was na 1550 toch al groeiende en in Holland zie we een langzame verschuiving van graanteelt naar veehouderij. Er zijn ook genoeg aanwijzingen dat landbouwgrond die maar beperkt geschikt was door de regelmatige wateroverlast verbeterd konden worden door ophoging. Het zand van de binnenduinen was daar uitermate geschikt voor. Zo werden in Noordwijkerhout en Lisse percelen in de Laage Veense polder en voormalige turfstekerijen in De Zilk kwalitatief een stuk beter. De vergunningen voor afzanding van duin worden door het Hof van Holland en Rekenkamer afgegeven. In de archieven van het Hoogheemraadschap Rijnland vinden we ook veel aanvragen van boeren voor de bouw van kleine molentjes. Na toestemmming van het Hoogheemraadschap worden die ingezet om de waterhuishouding van landbouwgrond te regelen. Het Rijnlandse waterschap maakt zelf ook een sterke groei door zowel in organisatorisch als in technisch opzicht. Polders worden verbeterd of nieuw gevormd met bemaling door windmolens. De waterafvoer wordt effectiever met aanleg van nieuwe waterwegen zoals het Mallegat op de grens van Lisse en Sassenheim in 1588.

Tegelijk wordt, wederom uit geldgebrek, door het gewestelijk bestuur een aanzet gegeven tot verkoop van duinpercelen aan particulieren. Die werden daarmee zelf verantwoordelijk voor het onderhoud, waardoor de beheerlast voor de overheid kleiner werd. Nieuwe eigenaren starten de afzanding van hun duin, dat bracht allereerst werkgelegenheid met zich mee en op langere termijn een hogere agrarische productie. De welvaart in het gewest Holland neemt snel toe ondanks de oorlogssituatie. Dit is de paradox van de Tachtigjarige Oorlog. Terwijl de zuidelijke en oostelijke gewesten in de Lage Landen zwaar lijden onder de militaire strijd groeit Amsterdam uit tot de rijkste en machtigste stad in de wereld. Vlaanderen had in de zestiende eeuw een grote bloei beleefd. Het Spaans gezag bleef daar de gehele oorlog gehandhaafd en de economie stortte in deze zuidelijke Nederlanden in. Het wordt daar nog altijd als onrechtvaardige ontwikkeling gevoeld.

De snel groeiende rijkdom in het gewest Holland heeft ook keerzijden. Vanaf begin zeventiende eeuw zien we het eigendom van agrarisch bezit verschuiven van boer naar burgers met geld. De burgerij uit de steden koopt boerderijen en landbouwgrond op, investeringen die via de pacht terug verdiend moeten worden. De prijzen voor agrarisch onroerend goed stijgen fors en aankoop is niet meer haalbaar voor jonge boeren. Zij worden net als een eeuw eerder al gold voor hun voorouders afhankelijk van pachtmogelijkheden. De voorwaarden worden meer en meer standaard maar de principes waarmee de pachtheren in het leven staan bepaalt hun relatie met de boer. Er zijn soepele maar ook strenge en onredelijke grootgrondbezitters.

Aanloop naar het depopulatiebesluit

In de eerste helft van de zeventiende eeuw is het belang van de konijnenhouderij door duinmeiers dalende, mede door de opkomst van de veeteelt. Zij houden last van de gevolgen van de slechte status van het duinonderhoud, al zijn zij daar voor een deel zelf verantwoordelijk voor. Het bankje met verdachten bij de houtvester en meesterknapen zit vaak vol met duinmeiers, die elkaar het licht in de ogen niet gunden en volop konijnen bij de collega roofden. Zij verzaken hun helmplicht of roven zand en zoden. In verhalen over hun armoede verklaren duinmeiers ook over de extremen in het klimaat. Droogte, stormen, heftige koude en overstromingen, het zijn aanduidingen die voor ons moeilijk op waarde te schatten zijn. Hoe zou je dat in economische getallen kunnen vertalen? De zeventiende eeuw staat bekend als Kleine IJstijd met als kenmerk lange harde winters en zware stormen. De rentmeester van de Rekenkamer noteert in zijn jaarrekening dat de inkomsten uit de erfpacht in Noordwijk en Katwijk aan Zee fors verminderd zijn. Die dorpen waren gebouwd op het zeeduin van de grafelijkheid, dus formeel grond dat eigendom van het gewest Holland was. Wie een woning wilde bouwen betaalde jaarlijks erfpacht. In de jaren voor 1656 was echter sprake geweest van forse duinafslag door zware stormen. Daardoor waren huizen verzwolgen door de zee of door bewoners verlaten. Tijdens de Eerste Engelse Oorlog werd in de zomers zwaar gevochten op zee maar zowel in 1652 als 1653 waren zware stormen aan de zeeslagen vooraf gegaan. Admiraal Maarten Tromp verloor in de eerste slag elf schepen aan de storm. En dat op 4 augustus. Dit zouden de stormen geweest kunnen zijn waar de Rekenkamer naar verwijst.

Letterlijk schrijft de rentmeester hierover: “dan alzoo ’t sedert 1654 bevonden is dat verscheijde huijsen tot Noortwijck op Zee zijn afgevloeijt door de zee ende desolaet met de wildernisse gemeen zijn leggende, door de eijgenaers geabandonneert, alles volgens de lijste daervan gemaeckt…” Ook later in de eeuw wordt melding gemaakt van uitzonderlijke stormen. Die van augustus 1674 krijgt zelfs een naam: het schrickelik tempeest. Ook dat was een zomerstorm, iets dat wij in onze tijd zelden meemaken. De Hollandse kustlijn zou volgens onderzoekers in deze eeuw tot wel honderden meters landinwaarts opgeschoven zijn. Het is waarschijnlijk ook een verklaring voor het verdwijnen van het Huis Ter Lucht dat volgens kaarten gebouwd was op de zeereep in het Luchterduin en in 1647 al als ruïne beschreven staat. Dit beeld van extreem weer sluit aan bij onder meer de verklaringen van duinmeiers als oorzaak voor povere konijnenvangsten. Terwijl zij het toch niet makkelijk hadden en de overheid hen hier en daar tegemoet komt blijft één element uit hun pachtcontracten lang ongewijzigd gehandhaafd, het fenomeen van de hofkonijnen.

Hofkonijnen

Wanneer het precies ontstaan is blijft onduidelijk maar de jaarlijkse schenking van konijnen werd al vroeg in de zestiende eeuw onderdeel van het pachtcontract van een duinmeier. Het wordt beschreven met de woorden “naar oude gewoonte” en “alzo het behoort”. Schenking in natura was heel gewoon in die tijd, het was een cadeautje om een relatie goed te houden. En iedereen deed het. Op deze website is al eens gememoreerd aan de konijntjes die de Noordwijkerhoutse bestuurders rond het jaar 1600 meenamen bij een bezoek aan magistraten in Den Haag. De schenkingen staan in de dorpsrekeningen vermeld onder het motto: “beter gegund dan (zelf) gehouden”. In het geval van de hofkonijnen had men van een dergelijke schenking een vast onderdeel gemaakt van het beloningsbeleid en dit breidt zich ook uit naar andere zaken die men aan het hof in Den Haag wel kon gebruiken, zoals brandhout en turf. Er wordt zelfs een functie voor gecreëerd, die van “verdeeld(st)er”. Aan de hand van lijsten van ontvangers en leveringsschema’s verdeelde deze man of vrouw de binnengekomen konijnen, bomen, afgevallen takken en turf.

De Houtvester van Holland en zijn Meesterknapen, die het beheer en controle over de duingebieden uitvoerden behoorden tot de eerste ontvangers van duinkonijnen. De lijsten worden met de jaren steeds langer. Leden van de Rekenkamer, het Hoogheemraadschap Rijnland, het Hof van Holland, iedereen wilde wel een gratis konijn. In het geval van brandhout en turf mogen we dit uitleggen als tegemoetkoming in de kosten die men moest maken voor het uitvoeren van een functie, maar dat argument is moeilijk hard te maken als het gaat om een konijntje. En men vroeg er ook gewoon om. Zo vonden de bestuurders van de nog jonge universiteit van Leiden dat zij ook wel recht hadden op het lekkere vlees. Misschien is het Nederlanders eigen om iets dat als een gunst ontstaan is op den duur als een recht te zien. Dat lijkt ook hier het geval. Als er om wat voor reden dan ook niet geleverd kon worden werd de schenking als recht vertaald naar een financiële vergoeding, te betalen door de rentmeester van de Rekenkamer. De konijnen werden tussen Allerheiligen 1 november en Lichtmisse 2 februari uitgeleverd, in lijn met algemene regels rond de jacht. Duinmeiers kregen in hun contract vastgelegd wanneer zij moesten leveren en hoeveel dieren. Het schema kreeg ook een vaste indeling waarbij men van zuid naar noord de leveringen afwerkte, vanaf de duinen bij Hoek van Holland naar die rond Castricum en Bergen.

Weinig konijnen, toch depopulatie.

In mei 1660 besluiten de Staten van Holland om een onderzoek in te stellen naar de toestand van de Hollandse duinen. De verstuivingen van met name de landerijen pal onder het zeeduin zouden het gevolg zijn van te grote konijnenaantallen. Dit besluit is opmerkelijk want in de voorafgaande jaren werden duinmeiers juist gecompenseerd door de Rekenkamer in hun pacht voor het verlies van grote aantallen dieren door ondergestoven konijnholen en –bergen. Er waren dus weinig konijnen en in 1658 werden ontvangers van hofkonijnen dan ook niet in natura uitbetaald door levering van deze dieren maar krijgen zij geld ter compensatie, zodat zij zelf elders konijnen konden proberen aan te kopen. De commissie die de duinen moet onderzoeken “…op het verderven der landen en het gewas van der selve door de conijnen uijt de naastgelegen duijnen…” trekt er in september 1660 dagelijks op uit en doet uitgebreid verslag. Men kijkt naar de mate waarin het zeeduin verstoven is, naar de aard van de aangrenzende landerijen en noteert klachten van gebruikers van zowel zeeduin als landerijen. Men schat het risico voor verdere verstuiving in en doet voorstellen over het al dan niet invoeren van een verbod op het houden van konijnen. Opmerkelijk genoeg doet men dit niet voor een heel duingebied maar men knipt dat op in delen met verschillende adviezen. Zo constateert men voor het duin bij Monster waar Pieter Wouterszoon Starrevelt duinmeier was het volgende: “….dat het (duin) mede doorgaens zeer was verstoven ende voornamentlijck tegens seeckere geestlanden beplant met elst, in sulcker vougen dat om te comen, dat de voornoemde landerijen nijet soude worden bedorven door meerder overstuijvinge goed wiert gevonden dat den duijnmeijer geen conijnen souden mogen houden aan de voorcant nevens de voornoemde (elst)landen tussschen seeckere drie paeltgens aldaer geslagen ende geteijkent met nr 1, 2 ende 3….”. De commissie heeft hier dus zelf paaltjes geplaatst om aan te geven dat het tussenliggende duin gedepopuleerd diende te worden. Daarbuiten mocht duinmeier Pieter Starrevelt wel konijnen blijven houden.

De bevindingen en adviezen van de commissie kennen meer van dit soort details. De heren trekken vanuit het zuiden langs de kust en in de Bollenstreek aangekomen worden het Noordwijkse duin, het Luchterduin en twee kleinere zeeduintjes bekeken. Het Noordwijkse duin dat loopt vanaf de grens met Katwijk tot aan de Duindamse Slag wordt in twee delen verhuurd aan de duinmeiers Jan Leendertszoon van der Plas en Crijn Gijsbertszoon van der Plas. De commissie oordeelt dat het duin “zeer hoog en rauw” was en aan de binnenzijde tot op de particuliere geestlanden van boeren verstoven was. Er zou geen “begroefde voorcant” meer over zijn gebleven. Vermoedelijk bedoelde men daarmee dat er geen opgeworpen dijkje was die het zeeduin duidelijk afscheidde van de landerijen, waardoor men ook niet effectief een heining of hek kon plaatsen. De heren vinden het zeeduin ook nogal smal, een conclusie die we nu zelf ook kunnen trekken in Noordwijk aan Zee. Bovendien vinden zij dat er weinig “begroefde pannen” aan de binnenduinzijde te vinden zijn. Zij adviseren dit duin nader te bekijken alvorens een besluit te nemen over depopulatie. Ook het Luchterduin werd door hen zeer rauw en verstoven bevonden maar dit duin vormde een aparte heerlijkheid en een duinmeier wordt niet genoemd. De duinen van de heer van Winnemum en het duintje van Jacob Roo, twee gebieden nabij de voormalige kapel in het Langeveld krijgen goedkeuring van de commissie, met een beperkt advies rond depopulatie. De konijnen aan de voorkant of binnenkant zouden wat moeten amoveren of verhuizen. Zij noteren ook weinig klachten van Langevelders en dit geldt ook voor de duinen bij De Zilk die in het noorden bij de Stockweg grenzen aan het Brederodeduin. Dat laatste duin heeft een andere status wat bestuur betreft.

Voor de depopulatie was dit de eerste inventarisatie van de kwaliteit van de zeeduinen. Het binnenduin is door deze commissie niet bekeken. In latere jaren gebeurt dit wel en de rondgang in de duinen wordt een vaste gewoonte. Het valt op dat de commissie vooral gekeken heeft naar de gevolgen van de verstuiving voor de aanliggende landbouwgronden en nauwelijks iets noemt over het duin als kustbescherming. Was dat omdat men realiseerde dat duinafslag toch niet snel of voldoende hersteld kon worden of reikte kennis over kustbehoud in die tijd nog niet zo ver? De opmerking over het smalle Noordwijker duin wijst toch op enige zorg rond instroming van zeewater bij storm. De bevindingen en aanbevelingen van de commissie worden in december 1661 door de Staten van Holland omgezet in concreet beleid. De hele Hollandse kust wordt opgesplitst in delen die wel of niet gedepopuleerd dienen te worden. Het lijkt of men de balans zoekt tussen het voorkomen van klachten over verstuiving enerzijds en behoud van inkomsten uit de verhuur van duinen en de konijnenhouderij anderzijds. Het is immers niet eenvoudig om mensen hun broodwinning te ontzeggen. De adviezen roepen vragen op wat haalbaarheid betreft. Was men ervan overtuigd dat het gedrag van het konijn zodanig te sturen viel dat het dier in bepaalde gebieden zou blijven en gedepopuleerd duin niet opnieuw bevolkt zou gaan worden? Men zal toch eeuwenlang ervaring gehad hebben met zowel het zwerf- als voortplantingsgedrag van het diertje. Aanwijzingen over hoe deze eerste commissie tot haar inzichten en adviezen kwam zijn helaas (nog) niet gevonden.

Alle duinmeiers van wie het duin gedepopuleerd werd krijgen een tegemoetkoming als hun gepachte duin geheel of gedeeltelijk moet worden gedepopuleerd. Duinmeiers wisten maar al te goed dat hun contract altijd beëindigd kon worden, die werden immers voor vijf of tien jaar afgesloten. Men kon dan elders proberen een ander duin te pachten en dat verklaart waarom sommige families verhuisgedrag vertonen en op verschillende plaatsen aan de Hollandse kust terug te vinden zijn. In 1662 ontvangen de duinmeiers ook compensatie van de Rekenkamer voor de schade die zij jarenlang geleden hadden door het onderstuiven van hun duingebieden. De pacht die een duinmeier had betaald in de vier jaar voorafgaande aan de depopulatie wordt gehalveerd. Jan Leendertszoon en Crijn Gijsbertszoon van der Plas krijgen respectievelijk 260 en 520 pond of gulden pacht kwijtgescholden. Dat was voor deze pachters van het Noordwijker duin een doekje voor het bloeden want hun pacht hield op en het duin zou door de nieuwe pachter, Wigbold van der Does, heer van Noordwijk, gedepopuleerd worden. Aan de rentmeester van de Rekenkamer zou Van der Does vanaf 1662 per jaar 390 pond of gulden pacht moeten betalen, maar hij heeft afgesproken dit Noordwijker duin vanaf 1662 voor zeven jaar geheel konijnenloos te maken. De rentmeester compenseert Van der Does door de gehele pachtprijs kwijt te schelden. Hij huurt dus een duin met daarin nog het nodige andere wild maar hoeft geen pacht te betalen.

Wigbold van der Does was schoonzoon van de Houtvester van Holland Johan Poliander van Kerckhove, heer van Heenvliet. Wigbold zal mogelijk vanwege die relatie extra gemotiveerd zijn geweest om dit Noordwijker duin te depopuleren. Interessant detail is dat de duinmeiers Crijn en Jan blijkbaar nog enige tijd in dienst gebleven zijn van Wigbold, onder meer voor het vangen van de konijnen. De kortingen of terugbetaling van duinpacht zoals in het geval van Van der Does en de twee Van der Plassen konden ook effect hebben op te betalen belastingen. Die werden voor een deel bepaald op basis van de waarde van een stuk landbouwgrond of de pachtprijs. Het schrappen of korten op pachtprijzen voor een perceel duin kon dus ook leiden tot teruggave van teveel betaalde verponding of dorpsbelasting. Voor het zeeduin tussen Katwijk en het Langeveld worden jaarlijks inventarisaties gehouden van de konijnenstand. Het oordeel konijnenloos werd op papier gesteld als voorwaarde voor terugbetaling van belasting.

Regionale gevolgen van de depopulatie in de eerste twee decennia.

Al snel volgen kleine aanvullingen op de aangewezen percelen die “ontbloot” moeten worden van konijnen. Zo wordt een deel van het door Engel Gijsbertszoon van der Plas gepachte duin in het Langeveld dat eerder niet was aangewezen toch konijnenloos gemaakt. Hetzelfde geldt voor percelen in Wassenaar en in Den Haag rond een nieuw aangelegde weg. Engel krijgt een vergoeding van 50 pond of gulden per jaar als korting op zijn jaarlijkse pacht. Het perceel wordt nauwkeurig omschreven. Vanaf een bepaald punt zoveel Rijnlandse Roe westwaarts, zoveel oostwaarts (1 roe = 3,76 strekkende meter). Of zijn konijnen een beetje windroosvast waren en buiten dit gebied bleven valt te betwijfelen, maar ook uit dit gedetailleerd besluit valt af te leiden dat de beleidsmakers het heilige geloof moeten hebben gehad dat dergelijke details uitvoerbaar waren.

In maart 1662 vaardigt de Rekenkamer een tijdelijke uitzondering op de jachtwet uit. De aangelanden, dus de bewoners die vlak onder het Noordwijkse duin wonen, mogen met de “gebruikelijke middelen” de konijnen uit deze duinen opvangen als zij hun landerijen betreden maar zij mogen de dieren niet afschieten met een roer of jachtgeweer. Zij mogen dan ook geen roer dragen. De duinmeiers Crijn en Jan van der Plas die van de heer Wigbold van der Does opdracht hadden gekregen het gepachte Noordwijker duin konijnenloos te maken worden door de boeren in gebreke gesteld in hun opdracht. Crijn en Jan mogen van de rentmeester van de Rekenkamer de klagende aangelanden bij het vangen van konijnen geen strobreed in de weg leggen.

Dat het niet eenvoudig bleek om alle konijnen uit te roeien levert misschien de verklaring voor een ander opmerkelijk probleem dat zich twee jaar later openbaart in “de duynen tussen het Catwijcker heck in Noortwijck tot over de toorn van Noortwijckerhout”. De Rekenkamer en Staten van Holland constateren dat nadat dit Noordwijkse duingebied was gedepopuleerd er een sterke vermenigvuldiging van het aantal bonksems (bunzing) en hermelijnen heeft plaatsgevonden. Het overige wild leed hieronder maar ook de inwoners van het gebied ervaarden overlast. Deze informatie klinkt heel tegenstrijdig want de twee roofdieren lusten dan wel een konijntje, maar die waren er niet meer, dus hoe zou dan de groei van hun aantallen gestimuleerd kunnen zijn. Een verklaring zou kunnen zijn dat we het begrip “uitgeroeit” voor gedepopuleerd duin niet te letterlijk moeten nemen. Achtergebleven konijntjes waren een welkome prooi voor bunzing en hermelijn nu de duinmeiers geen dagelijkse ronde meer maakten in het gebied en deze vijanden van het konijn vingen.

Jan Leendertszoon van der Plas en Jan Dirckszoon van der Meer krijgen opdracht de roofdieren te vangen maar mogen daarvoor niet meer dan zes vallen inzetten. Zij krijgen ieder dertig pond betaald. Voor vrijgezel Jan Leendertszoon vormt dat geld zijn laatste inkomsten, want hij zal kort na dit jaar 1664 overlijden. Het vangen van de roofdieren wordt nog jarenlang verlengd, waarbij Jan Pieterszoon Puijck van Velsen de taak van Jan van der Plas overneemt. Puijckie van Velsen zoals hij ook wel bekend stond woonde op Puijckenduin, vlak onder het zeeduin. Deze boer had baat bij het depopuleren van het duin, niet alleen omdat zijn landerijen minder risico liepen onder te stuiven, maar ook omdat hij zijn oog heeft laten vallen op een vlak veld in datzelfde duin. In 1678 krijgt hij van de Rekenkamer toestemming dit veld als akker te gebruiken. Dat mogen we zien als een signaal dat het telen van gewassen mogelijk was geworden nu het merendeel van de konijnen verdwenen was.

Van algehele verdwijning uit het Noordwijkse zeeduin lijkt geen sprake, ook al worden tot het jaar 1800 nog jaarlijks verklaringen afgegeven door inspecteurs, die het duin op de aanwezigheid van konijnen hebben bekeken en het als konijnenloos hebben gekwalificeerd. Die conclusie mogen we trekken uit de beboeting van stropers die we in de boeken van de Houtvester van Holland terugvinden in de jaren na 1661. Het zijn er weliswaar niet veel maar duidelijk is dat de beklaagden hun buit in het zeeduin hebben gevonden. Opzichters Jan Dirckszoon van der Meer en Puijckie van Velsen brengen meerdere mensen voor het gerecht. Zoals Jan Corneliszoon van Alckemade die op de Witte Raaf woonde, zijn kat heeft maar liefst zes konijnen gevangen in het duin bij de Duindamse Slag. Noordwijker Huibert Jan Huibertszoon heeft met zijn tuimelaar een konijn gevangen en zijn plaatsgenoot Leendert Hendrickszoon heeft ook zo’n jachthond die zelfs meerdere konijnen ving. De twee honden van Theunis Janszoon groeven konijnenbergen af om de dieren te vangen. En duinmeier Engel Gijsbertszoon in het Langeveld heeft “per ongeluk” de deur naar het zeeduin open laten staan, maar had achter de deur een paar netten gespannen, daarbij geholpen door zijn kinderen. Sijmon Leendertszoon Groenendijk tenslotte wordt door Puijckie opgebracht omdat hij in het duin achter de (verdwenen) duinboerderij van Lodesteijn meerdere strikken had gelegd en ook nog eens betrapt was op het jagen met een hond.

Het kost de verdachten boetes van enkele tientallen guldens. Helemaal gratis verloopt de depopulatie overigens ook niet voor de andere bewoners van de kustdorpen. Adriaen van der Laen, de rentmeester van het Hoogheemraadschap Rijnland krijgt toestemming voor een verhoging van de jaarlijkse omslag over landbezit, de zogenaamde morgentalen. Zijn verdubbeling wordt onderbouwd met de kosten die door zijn waterschap in 1661 waren gemaakt voor de Spaarndamse sluis en het planten van extra helm in de zeeduinen. Hoewel de depopulatie vooral gericht was als strijd tegen het zand om het onderstuiven van landerijen te voorkomen dook in dit onderzoek ook een ander argument op dat specifiek is voor Kennemerland. Daar bevonden zich ten behoeve van de stad Haarlem de nodige bleekvelden in de duingebieden. De toename van de verstuivingen in de voorafgaande halve eeuw had het drogen van gewassen kleding lastiger gemaakt. In 1664 volgt dan ook op verzoek van deze blekerijen een aanpassing en uitbreiding van de aangewezen konijnloze percelen in hun gebied.

Duinzand in De Kaag

De depopulatie van 1661zal geen éénmalige actie blijven maar werd in eerste instantie wel voor een beperkte tijd ingevoerd. Het Noordwijkse zeeduin werd voor zeven jaar gedepopuleerd, maar het besluit zal telkens verlengd worden en uiteindelijk voor onbepaalde tijd gelden. Het onderstuiven van landerijen is het argument dat we telkens tegenkomen in nieuwe beleidsmaatregelen. In het Noordwijkse dorpsarchief is een document gevonden dat ook wijst naar angst voor het zeewater. Het is niet gedateerd maar noemt de aflopende eerste termijn van zeven jaar en is vermoedelijk geschreven in 1669. De inwoners die vlak onder het zeeduin wonen hebben zich verenigd en schrijven in twee brieven de Rekenkamer en het Hoogheemraadschap Rijnland aan. De kladversies zijn bewaard gebleven en staan vol extra opmerkingen in de kantlijn. Daar valt het nodige uit op te maken.

De “aangelanden” hopen dat de depopulatie na het verlopen van de termijn van zeven jaar voortgezet zal worden en dat het zeeduin nu dichter beplant zal gaan worden. In de voorafgaande jaren hebben zij tot tevredenheid enkele landerijen kunnen gebruiken die eerder onbruikbaar waren door de verstuivingen. Zij hadden altijd extra overlast ervaren van de konijnen omdat de dieren naar hun landerijen trokken. Volgens hen was dat omdat het zeeduin weinig vlakke gedeelten kenden waar de dieren konden grazen. Hun gewassen zouden opnieuw zwaar gaan lijden als de konijnen een comeback mochten maken. Zij waarschuwen voor de gevolgen die dit zal hebben en zij verwijzen daarbij naar een gebeurtenis waarbij bij een verstuiving het zand tot in Sassenheim terug te vinden was. Het zou zelfs in het meer bij De Kaag terecht gekomen zijn en de bewoners vonden het daar op hun ramen. Het klinkt als een sterk verhaal maar in onze tijd kennen we de Saharazanden die via regen neerdalen, dus heel fijn duinzand verstoof mogelijk ook heel ver. De aanplant van helm zal volgens de boeren bij nieuwe verstuivingen alleen nog tegen extra grote kosten uitgevoerd kunnen worden.

Tussendoor benoemen zij in enkele zinnen hun vrees voor het zeewater. Zij stellen dat het zeeduin weliswaar erg hoog was maar op plaatsen niet breder dan 100 roe, dus nog geen vierhonderd meter. Met de uitspraak “in de welcke bij hooge vloet de zee ten halven comt in te vloeien” maken zij duidelijk dat er eerder sprake was geweest van daadwerkelijk instromen van zeewater, tot halverwege het smalle duin. De onderzoekscommissie van 1660 had de smalheid van dit duin ook al aangestipt maar speciale maatregelen zijn daar niet uit voortgekomen.Wij zijn gewend aan de fraaie, hoge en strakke zeereep aan Noordzeezijde maar die was er in de zeventiende eeuw natuurlijk niet en met een schop en kruiwagen herstel je niet snel de gevolgen van binnenstromend zeewater. Men erkende de gevaren in die tijd maar er waren geen technische middelen om de gehele Hollandse kust afdoende te bescherming bij storm en springtij.

Rampjaar of rampzalig beleid?

Het Rampjaar 1672 kennen de meeste mensen wel uit de geschiedenislessen op school. Op deze website is in een kort verhaal eerder aandacht besteed aan de specifieke gevolgen die de grote gebeurtenissen uit dat jaar hadden voor de bewoners van de Bollenstreek en in het bijzonder Noordwijkerhout. Met name de duinmeiers die van de konijnenvangst leefden kregen het zwaar te verduren. We laten uit hun gelederen Claes Corneliszoon Schrama van boerderij Wassenaar uit De Zilk aan het woord. Hij legt in 1681 een verklaring af bij de notaris over het leegroven van zijn deel van het gepachte Langevelderduin door het Staatse leger. Zijn woorden zijn licht aangepast voor de leesbaarheid.

“…hoedat hij in den jaren 16-twee en drie en seventig als wanneer doemaels door de ruijters en soldaten dewelcke in die tijt in dienste van den staet deser lande waren veele moetwillige insolentien in sijns deposants gravelijckheijts gehuurde duijnen als namentlijk van ’t delven van conijnen en ’t schieten deser selve gepleegt wiert soodat hij de uijgeloofde huijerpenningen door die oorsaecke niet conde opbrengen. Waervooren hij deposant van de heeren van de graeflijckheijt voor sijne schade dienaengaende in cortinge en in affslag van sijne deposants uitgeloofde huerpenningen nevens (net als) alle andere graeffelijcke duijnmaijers…

Op zee en op land, aan alle kanten werd de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in dat Rampjaar bedreigd. De Fransen dreigden het gewest Holland in te nemen maar konden door het onderlopen van de polders van de Waterlinie geen doorbraak forceren. Bevolking en het Staatse leger leefden van het schaarse voedsel dat voorradig was en de tekorten leidden tot het leegroven van alle Hollandse duinen. Duinmeiers en boeren als Claes Schrama waren een belangrijk deel van hun inkomsten kwijt en konden geen pacht betalen aan de Rekenkamer, ook niet nadat zij een korting hadden gekregen. Hoewel een konijnenpopulatie zich doorgaans snel kon herstellen werden de droge zomers en harde winters die op het Rampjaar volgden de dieren fataal. Het klimaat had in de decennia ervoor de konijnenstand al flink parten gespeeld en nu dus weer. Met name de winter van 1673 op 1674 was bijzonder koud. Een onderzoeker schrijft hierover: “De winter van 1673-1674 was zeer koud en duurde langer dan andere jaren. De zoute Zuiderzee vroor geheel dicht en nog op 16 maart 1674 liepen er mensen van Enkhuizen over het ijs naar Stavoren. Tot 4 april werd er zelfs nog geschaatst op de Haarlemmermeer. Na een kort voorjaar volgde een koele, onbestendige zomer met veel onweersbuien en zware stormen. Grote klap was de zomerstorm van woensdag 1 augustus, (de eerder genoemde storm ‘t schrickelick tempeest JD). De onwaarschijnlijk sterke rukwinden, zware onweersbuien, hevige regens en hagelbuien lieten een spoor van verwoesting achter”.

De konijnenstand in de binnenduinen heeft jaren nodig gehad om te herstellen. Het gewestelijk bestuur reageert met strenge maatregelen. De jacht wordt gedurende vele jaren tijdelijk of geheel verboden en het seizoen wordt ingekort. De verkoop van konijnen buiten de wettelijke termijnen wordt aangepakt. Voor een dorp als Noordwijkerhout maar ook zeker voor de boerengemeenschap in het Langeveld waar veel mensen afhankelijk waren van de konijnenhouderij waren dit catastrofale jaren. Het werpt de vraag op of het depopuleren wel zo’n verstandige maatregel was, wetende dat bij invoering in 1661 de konijnenaantallen al sterk waren teruggelopen en boeren en duinmeiers in armoede vervallen waren. Ook het onderscheid dat men maakte tussen het konijnvrij maken van de zeeduin en binnenduin lijkt met de kennis van de 21e eeuw niet erg effectief. Het konijn liet zich nauwelijks tegenhouden, zoals gebleken is in de drie eeuwen na de depopulatie. De dieren uitroeien in wat toen nog een uitgestrekt, dunbevolkt en nauwelijks te controleren gebied was lijkt een onhaalbare doelstelling. Er waren ook teveel mensen die belang hadden bij behoud van het konijn. Het is alsof we anno 2026 zouden proberen de wolf uitsluitend op de Veluwe toe te laten. Ook dat dier laat zich niet tegenhouden. Ook nu zijn er voor- en tegenstanders. Supporters van de wolf proberen beperkende maatregelen tegen te houden terwijl schapenhouders hek na hek moeten plaatsen en aangevreten dieren moeten opruimen. Honden lopen aan een lijn met aangebonden poepzakjes terwijl vrij rondlopende katten miljoenen vogeltjes afmaken. Het is blijkbaar erg moeilijk voor mensen om als beheerder van Moeder Natuur de juiste balans te vinden.

Ondanks het beperkte succes werd de depopulatie van de konijnenstand vanaf circa 1732 op het gehele Hollandse zeeduin van toepassing. Tien jaar eerder was het overgrote deel van de Hollandse binnenduinen verkocht aan particulieren. Slechts een enkele nieuwe eigenaar is overgegaan tot het depopuleren van zijn binnenduin. Dat gebeurde bijvoorbeeld voor een deel van het Keukenduin tussen Voorhout en Lisse. Men kocht het duin vaak voor het plezier van de jacht. De investering werd terug verdiend door verhuur aan duinmeiers. Dat beroep is blijven bestaan maar in de negentiende eeuw zien we omvorming naar dat van duinopzichter of koddebeier. Door de betere beschikbaarheid van vlees uit de veeteelt is het belang van de konijnenhouderij sterk afgenomen. Voor de minder bedeelde medemens, in de Bollenstreek rijk vertegenwoordigd, bleef een gestroopt konijntje nog tot diep in de twintigste eeuw het enige luxe vlees dat op tafel kwam. Stropers sloegen eeuwenlang hun slag met strikken, klemmen en netten, vaak vergezeld van een hond. Rechters vervingen de Houtvester en Meesterknapen. Zij toonden meer en meer begrip voor de armoe en hielden vanaf einde negentiende eeuw in de strafmaat daar dan ook rekening mee. Groei van de bevolking en afgraven van duingebieden verdreef het konijn maar het diertje is nooit helemaal uitgeroeid. Het is ook niet de mens maar de ziekte myxomatose dat de duinen effectief zal depopuleren als de konijnenstand zich weer eens dreigt te herstellen.

1763. Eén van de talloze plakkaten die rond de depopulatie van het konijn is uitgebracht. In dit plakkaat worden houders van gedepopuleerd duin gewaarschuwd dat indien konijnen op hun terrein worden gevonden, deze zullen worden gevangen en afgevoerd. Hun recht op korting op de verpondingbelasting is daarmee verspeeld.

September 2026 – Jan Duivenvoorden

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.