In 1798, het Vierde jaar der Bataafse vrijheid, trekken de heren Van Eys, Van Stirum, Temminck, Van der Goes en Reinhardt van Marle naar Noordwijkerhout. Zij zijn als superintendenten aangesteld door het bestuur van de Bataafse Republiek om de toestand van de Hollandse duinen in kaart te brengen en voorstellen voor beleid en beheer te doen. Misschien beklommen zij de verdwenen Boekhorsterberg ten noorden van de huidige voetbalvelden, waar zij een ruim uitzicht zullen hebben gehad over de wijde omgeving en bij helder weer Haarlem konden zien liggen. De heren spreken in een uitgebreid rapport hun verbazing uit over het geringe gebruik van de landbouwmogelijkheden die met name de Noordwijkerhoutse duinen boden.
Hetzelfde land dat in Gouden Eeuw gold als de sterkste en machtigste natie ter wereld verkeerde aan het einde van de achttiende eeuw in een economisch troosteloze toestand, was op sterven na dood. De door terugkerende verstuivingen geteisterde binnenduinen waren in dit opzicht symbolisch te noemen. De commissieleden pleiten voor meer landbouw in het gebied maar de daarvoor benodigde afzanding en cultivering van het binnenduin komt pas vanaf circa 1850 voorzichtig op gang. En dat betreft dan voornamelijk het zuidelijk deel van het dorp Noordwijkerhout, het noordelijk deel waar ook het meeste duingebied ligt zal tot het begin van de twintigste eeuw nagenoeg ongerept blijven. Pas als een Hillegomse steenfabriek de Oosterduinen aankoopt voor zandwinning wordt dit duin bruikbaar voor de bollenteelt. En het noordelijk deel van het Kerkeduin dat nu bebouwd wordt als “landgoed in den Houte” was tot de komst van het psychiatrisch ziekenhuis Sint Bavo in 1913 niet meer dan een dik veertig hectare tellend woest duin waar naast wat schapen vooral koning konijn de scepter zwaaide.
Het Noordwijkerhouts binnenduin, te weinig, te laat.
Dat de bollenteelt in Hillegom, Lisse en Sassenheim veel eerder op gang komt dan in Noordwijkerhout is mede het gevolg van de grootschalige afzanding van binnenduin die in deze drie dorpen al vanaf eind zestiende eeuw plaatsvond. Het grote Keukenduin tussen Sassenheim en Hillegom is daar het beste voorbeeld van. Dat wordt door particulieren van het gewest Holland in eeuwige erfpacht overgenomen in 1604. Zij ontwikkelen initiatieven om hun gebied geschikt te maken voor de landbouw en het zijn met name die percelen die in de negentiende eeuw optimaal geschikt blijken te zijn voor bollenteelt. Maar ook voor deze dorpen geldt dat als de economische motor van de Gouden Eeuw begint te sputteren na het Rampjaar 1672 verdere afzanding gestaakt of slechts kleinschalig voortgezet wordt.
In Noordwijkerhout werd vanaf circa 1550 op beperkte schaal duinzand gebruikt voor het ophogen van laag gelegen veengronden, zoals in De Zilk waar delen van het Kleine en Grote Zilker duin zijn afgezand. Een voorbeeld vormen percelen veengrond aan de Ruigenhoek waar eerder turf gedolven was en die daardoor zo laag kwamen te liggen dat deze regelmatig onder water stonden. Maar ook elders in de Lage en Hogeveense polders probeerden Noordwijkerhouters hun boerenbedrijf te verbeteren met het ophogen van weiland. Dat verbeteren van de kwaliteit had wel een financiële consequentie: men moest meer belasting betalen want bestuurders maakten onderscheid in kwaliteit van de grond. Hoe bruikbaarder de grond was voor de landbouw, hoe hoger het belastingtarief.
Dat onderscheid in tarieven werpt de vraag op in hoeverre dorps- en gewestbestuurders een economische visie op landbouw en veeteelt ontwikkelden. In dorpen bestonden de besturen in de regel uit boeren en grootgrondbezitters. Zij zullen toch een balans gezocht hebben tussen het innen van belasting en het stimuleren van grondverbetering maar welke afwegingen zij daarbij maakten is zelden terug te lezen in archieven. Bovendien hadden zij nauwelijks bestuurlijke bevoegdheden in duingebied van de graven van Holland of “graaffelijkheid”. Dat grafelijk duin, in Noordwijkerhout een kleine helft van het totale dorpsoppervlak, viel onder gewestelijk bestuur en rechtspraak met rentmeesters en houtvesters als uitvoerenden. In Noordwijkerhout is die situatie tot circa 1723 onveranderd gebleven. De verkoop van het overgrote deel van het grafelijke duin in dat jaar leverde ook niet direct een omwenteling op want de nieuwe, vaak particuliere eigenaren zagen hun aankoop vooral als een investering en statussymbool. Zij verpachtten het terrein en gebruikten het voor de plezierjacht.
Duinschoten als uitzondering.
Binnen het uitgebreide binnenduin is één gebied aan te wijzen dat zich onderscheidt in historische ontwikkeling waarover de heren van de Bataafse Republiek zich zo verbaasden eind 19e eeuw. Dat wordt gevormd door het Duinschoten, waarbij direct aangetekend dat deze naam eeuwen geleden voor een groter gebied werd gebruikt dan we kennen van kaarten en documenten na het jaar 1600. Het hier besproken Duinschoten blijft beperkt tot gebied in het Langeveld rond de grens tussen de dorpen Noordwijk en Noordwijkerhout. Wat “Duin” in de naam betekent zal duidelijk zijn, maar voor het deel “schoten” is meerdere uitleg mogelijk. Er zijn genoeg dorpen met dit woorddeel, denk aan Voorschoten en Bunschoten, waarvoor meestal wordt aangenomen dat het gaat om gebied dat ooit bebost is geweest. Het zou afgeleid zijn van het Germaanse woord “skauta’, dat gebruikt werd voor hoger gelegen bebost gebied. Dat klinkt logisch en zou in het geval van Duinschoten ook kloppen, maar we voegen er hier nog een uitleg aan toe en dat gaat uit van schoten als verwijzing naar het schot als oude vorm van belastingheffing. In Noordwijkerhout kennen we ook de Arentschoten, dat betrof percelen in de Hoogeveense Polder. Voor zover bekend was dat landbouwgrond en geen bos. De ambachtsheren Van Duivenvoorden, waaronder menig famielid met de voornaam Arent, hadden eeuwenlang recht op een uitkering uit het schotgeld of belasting dat voor deze percelen betaald moest worden. En in theorie zijn beide vormen van uitleg ook te combineren, want misschien moest voor bebost gebied een specifiek tarief schotgeld betaald worden. Op zichzelf niet vreemd want het hak- of brandhout uit bossen was kostbaar.
Het bos op het Duinschoten was een restant van wat eens een enorm bos geweest moet zijn, het Haarlemmerhout. Een veel aangehaalde historische tekst spreekt over een woud waarvan de bomen zo dicht op elkaar stonden dat je over de boomtoppen moeiteloos van Haarlem naar het jachtslot Teijlingen op de grens van Voorhout en Sassenheim zou kunnen lopen. Ook Hillegom had aan de noordwestzijde nog lang een uitloper van dit woud op het ’s-Gravenberger duin. In het geval van het Duinschoten is het bos aan het einde van de zestiende eeuw nagenoeg verdwenen. Betrouwbare gegevens over dit beboste gebied voor het jaar 1500 zijn schaars. Maar uit de opgravingen die enkele jaren geleden op het voormalige Sanctaterrein zijn uitgevoerd weten we dat dit deel van het Langeveld drieduizend jaar geleden al bewoond werd. De archeologen van SOB Research deden verrassend oude vondsten, waaronder de “Sancta-emmer”, een gebruiksvoorwerp van 2.500 tot 2.800 jaar oud. De oudste teksten die tijdens het onderzoek voor dit verhaal over het Duinschoten gevonden zijn dateren echter van een veel latere periode, uit dertiende en veertiende eeuw.
De “mist” van de Middeleeuwen trekt op.
Waar mensen zich organiseren ontstaat belasting en waar belasting geheven wordt ontstaat administratie die vervolgens bewaard wordt in archieven. De oudst gevonden vermeldingen van het Duinschoten betreffen dan ook betaalde pachten, belasting en zogenaamde tiendrechten. Met in de hoofdrol de rentmeesters van het grafelijk gezag en de abdij van Egmond. We kunnen zelfs verder terug in de tijd dan de mogelijkheden die het archief van het klooster Leeuwenhorst ons zo vaak biedt, want dat begint als het gaat om de gewone burger of boer pas vanaf circa 1400. Hier starten we met een lijstje van inwoners die “in den houte’ en het Langeveld wonen, opgenomen in de eerste jaarrekening van de rentmeester van de graaffelijkheids rekeningen over het boekjaar 1316/17. Zij duiken als het ware op uit de mist situatie die de Middeleeuwen vormen als het gaat om de niet bemiddelde burger. In de eeuwen ervoor wordt de gewone man zelden genoemd.

Uit de veertiende eeuw zijn in de jaarrekeningen van de rentmeesters van het grafelijk bestuur meer lijsten van inwoners van Noordwijkerhout te vinden en uit 1358 dateert zelfs een mogelijk compleet dorpsoverzicht met 78 belasting betalende “noerticherhouters”. Dat is dan zonder inwoners van het Langeveld dat in sociaal geografisch opzicht altijd sterke historische banden met Noordwijkerhout heeft gehad. Heel veel meer dan namen en betaalde belasting leveren dergelijke lijsten helaas niet op. En het overgrote deel van de namen bestaat uit een voornaam en patroniem (vaderverwijzing), slechts zelden wordt een achternaam of bijnaam genoemd. Dat maakt het moeilijk om de genoemde mensen als voorouders aan huidige families te koppelen, waardoor deze mensen gevoelsmatig dichterbij komen.
Voor percelen grond of gebieden hebben we wat meer houvast en kunnen we zelfs terug naar de dertiende eeuw en eerder. Het Langeveld is een zeer oude naam, maar dat geldt ook voor het Absveen, dat we kennen als straatnaam in de wijk Zeeburg. Een naam die onder andere al in 1248 genoemd wordt en verwijst naar schenking van grond aan een abt van het klooster in Egmond. De kerken van Voorhout, Sassenheim en Noordwijk vielen organisatorisch onder dat klooster. De abt had onder meer de bevoegdheid de pastoors voor deze dorpen te benoemen. In Noordwijkerhout stond weliswaar een kerkgebouw (“capel”) maar in de dertiende eeuw was de dienende pastoor mogelijk nog verbonden aan de kerk in Noordwijk. Het klooster in Egmond was belangrijk of beter gezegd: machtig. In de Bollenstreek was men net als de kloosters Leeuwenhorst en Rijnsburg eigenaar van percelen grond maar Egmond bezat ook vele tiendrechten. Dat betrof het recht op tien procent van de oogstwaarde van alle percelen in nauwkeurig omschreven gebieden, dus ook van percelen waar het klooster zelf geen eigenaar van was. In 1248 schenkt rooms-koning Willem het klooster vele tienden in de Bollenstreek. Het zijn novale tienden, wat zou inhouden dat deze tienden nieuw gevestigd waren op gebieden die kort daarvoor aan de natuur onttrokken waren. Bekend voorbeeld betreft de Alkemadese Tienden. Dat betrof het tiendrecht op percelen land tussen het huidige Westeinde, de Schulpweg en de Duinsloot in Noordwijkerhout. Andere voorbeeld zijn de Molentienden tussen Westeinde en Kerkstraat. De Duintienden, Zuidwijntienden en de Rottienden van Egmond lagen in het Langeveld, waaronder in het Duinschoten.

Een deel van de verhuur van de percelen waarop tiendrechten rustten is in het archief van het klooster Egmond bewaard gebleven. Daardoor vinden we ook in dat archief namen terug van boeren uit de Bollenstreek. 1383: Jan Boen (Boon) is rentmeester, Gijsbrecht Groenvelt en Willem Smit zijn boeren. Rechts de Absveenen aan de Crayelaan en Duindam/Schulpweg. Onder boerderij De Keukendel
Bij de Reformatie is via de Annotatieregeling het overgrote deel van de roomse goederen op naam gesteld van het gewest Holland. Het enorme bezit van de abdij Egmond werd ook eigendom van de staat en is vanaf 1577 gebruikt om de twee jaar eerder opgerichte universiteit van Leiden te financieren. De achterneven Jan en Jacob van der Does uit een Noordwijkse familie speelden bij die oprichting een belangrijke rol. Opmerkelijk is dat dezelfde heren ook belangrijk waren voor het klooster in Rijnsburg en Leeuwenhorst in Noordwijkerhout. Die kloosters leken aanvankelijk ook te worden geannoteerd maar dat bezit werd in 1582 toegekend aan de Ridderschap Holland, waar de beide heren dan ook weer deel van uitmaakten. De heren speelden dus een opmerkelijke rol in het politieke spel waarbij het ene klooster kaal geplukt werd door de Staten van Holland en twee andere buiten schot bleven. Zie ook elders op deze website het verhaal over afbraak en ontmanteling van het klooster Leeuwenhorst. Het tiendenrecht heeft de universiteit eeuwenlang behouden op percelen in het Langeveld. Saillant detail is dat de bestuurders en professoren van de universiteit ook recht hadden op de jaarlijkse levering van een x-aantal konijnen uit de binnenduinen, een voorrecht waar deze heren zeer aan hechtten en desnoods voor naar de rechter stapten!
De opbrengsten van het tiendrecht zijn tot in de twintigste eeuw als een bijzondere vorm van belasting in de staatskas gestort. De bedragen waren aantrekkelijk genoeg om het systeem te handhaven! Jaarlijks werden de tienden op openbare veilingen aan boeren aangeboden. De belangstelling was afhankelijk van de stand van de economie, in moeilijke tijden voor de agrische sector zoals de achttiende eeuw was er soms weinig animo voor. Pas medio 1918 is het tiendensysteem bij wet afgeschaft. Als voorbeeld pakken we hier de verkoop van maar liefst 76 tiendenperceel uit het jaar 1819. De veiling bracht ruim 4.000 gulden op, allemaal opgebracht door boeren, voornamelijk uit Noordwijk en Noordwijkerhout. De Rottienden van het Langeveld worden dat jaar gekocht door Willem Duivenvoorde van boerderij de Kokmeeuw. Hij koopt het grootste deel van de tienden in Noordwijkerhout. Arij Ruigrok en Jacob van der Hulst staan borg voor hem. De veilingen worden hierna nog een eeuw lang gehouden.

Infrastructuur
Het klooster in Egmond had haar belangrijke positie in het gewest Holland mede te danken aan haar rol bij verbetering van de Hollandse infrastructuur. De monniken werkten hard aan waterbeheer en aanleg van wegen. Net als het Absveen of Abbesveen dat al in het jaar 1248 wordt genoemd verwijzen meer gebiedsnamen naar religieuze instellingen of personen. Zoals de Allardesrode in het Haarlemmerhout, mogelijk vernoemd naar de Egmondse abt Allardus maar ook het weiland “de paepelicke prove” in het Langeveld. Dat weiland werd door de eigenaren van kasteel de Hooge Boekhorst aan de pastoor van de kerk van Noordwijkerhout geschonken. Ook boeren ontwikkelden initiatieven om woeste duingronden geschikt te maken voor de landbouw. Het Langeveld, Sasbergen, het Paardenkerkhof en het Vogelenveld zijn oeroude landbouwgebieden op strandvlakten, maar de Schravenmade (’s-Graven made) en het Haesvelt in hetzelfde Langevelder duin zijn pas veel later in cultuur gebracht door boeren of rentmeesters van het gewest. Voor Schravenmade gebeurde dat aan het einde van de vijftiende eeuw, rond het jaar 1497. Het gebied werd eerst afgebakend met een wal of heining, mede bedoeld voor het weren van de duinkonijnen. Er werden sloten gegraven, het perceel werd opgemeten en er is ook een “barg” (hooiberg) gebouwd waarvoor sparrenhout en latten uit Haarlem zijn gehaald. Timmerman Pouwel Wouterszoon uit Noordwijk bouwde de barg. Riet voor het dak werd geleverd en gelegd door rietdekker Adriaen Floriszoon uit Lisse. Ook andere mannen uit dat dorp worden ingeschakeld, net als Langevelder Jacob Betten. Hij was actief betrokken bij het graven van de sloten, die later nog eens uitgediept zijn door hem. En hij was mogelijk de eerste gebruiker van het duinperceel want we komen zijn naam vaker tegen in het gebied. Er zijn echter geen aanwijzingen dat er naast de hooiberg een huis voor hem is gebouwd, wel is er sprake van de barg als plek waar de “wilde beesten en grof wild” uit het duin opgevangen of bijgevoerd konden worden in de winter, dat zou toen al een oude gewoonte zijn.
Het bos van Duinschoten
In een eerdere aflevering uit de serie over de geschiedenis van de binnenduinen op deze website kwam al aan bod dat Maria van Bourgondiën, gravin van Holland, met haar man Maximiliaan van Oostenrijk in 1477 het beleid rond grafelijk bezit stevig aangepakt hebben. De opeenvolgende houtvesters waren in de eeuw daarvoor fors nalatig in hun onderhoudstaak van dit grafelijke bezit en het Haarlemmerhout wordt specifiek genoemd. Later is zelfs sprake van een aparte houtvester voor dit bosgebied naast een houtvester voor geheel Noord-Holland, waaronder in die tijd ook een groot deel van het huidige Zuid-Holland viel. Overigens werden beide functies meestal door dezelfde persoon ingevuld. De verantwoordelijkheid voor natuur- en cultuurgronden wordt vanaf dat jaar 1477 neergelegd bij de stadhouders van Holland, de uitvoering bij luitenant-houtvesters. Er zijn geen kaarten of gedetailleerde beschrijvingen van het Haarlemmerhout uit die periode, we kunnen wel informatie halen uit de kosten- en inkomstenposten in de jaarrekeningen van de grafelijkheid. Het bos was vooral vanwege het kostbare hakhout belangrijk. Dat valt bijvoorbeeld af te leiden van het feit dat bij veiling het hakhout verkocht werd per boom en per tak, waarbij ook nog eens onderscheid werd gemaakt in groene of dorre bomen en windval of afgezaagde takken. Niet elk jaar werd hout verkocht en kap van groene of levende bomen lijkt, voor zover na te gaan, zoveel mogelijk beperkt te worden.Vanwege de hoge prijzen werd illegale kap dan ook zwaar bestraft, net als illegaal weghalen van zand uit het duin.

Details over houtverkopen vinden we voor de vijftiende en zestiende eeuw terug in de rekeningen van de rentmeesters van de “Wildernisse”. Openbare veilingen werden vaak gehouden in Tetrode, Heemstede, Hillegom en Duinschoten. Daarbij worden alleen namen van kopers genoemd en de verkoopprijzen van bomen en takken. Kapitaalkrachtige figuren kunnen stammen kopen, voor lieden met een dunnere portemonnee was de aankoop van takken haalbaar. De frequentie en omvang van de veilingen is wisselend. Zonder harde conclusies te durven trekken geven de overzichten van de openbare veilingen uit de bossen van de Haarlemmerhout de indruk dat naarmate de eeuw vorderde het aanbod kleiner in omvang werd. Er wordt meestal dor hout verkocht en vooral betreft dit takken dus het aantal complete bomen blijft beperkt. Het beeld van de verkopen sluit aan bij het schets van de slechte toestand van de grafelijke bossen die gravin Maria en haar man Maximiliaan al in 1477 schetsten. Het sterk gewijzigde beleid dat zij doorvoeren is waarschijnlijk de reden dat we vanaf het begin van de zestiende eeuw in de rekeningen van de Wildernisse kosten terugvinden voor herstel of verbetering van het bos op het Duinschoten. De functie en het karakter van het resterende Haarlemmerhout wordt nog nadrukkelijker dat van een productiebos dat geld moet opbrengen voor het gewest Holland.
Luitenant-houtvester Cornelis Croesink 1453-1520.
Het bosherstel op het Duinschoten valt niet toevallig samen met de aanstelling van Cornelis Croesin(c)k als luitenant-houtvester van Holland in het jaar 1478. Hij diende onder het houtvesterschap of opperduinmeierschap van stadhouders Wolfert van Borsselen en Jan van Egmond. Cornelis droeg de riddertitel en daarnaast nog de nodige andere want hij stamde uit een aanzienlijk geslacht waarin we ook regionale adellijke families als Van der Does en Van Alkemade tegenkomen. Als uitvoerend houtvester was Cornelis tevens kastelein van het jachtslot Teijlingen in de noordoostpunt van Voorhout, waar de houtvesterij officieel gevestigd was. Het onderhoud van dat slot viel onder zijn verantwoordelijkheden. Jaarlijks werden daar kosten voor gemaakt en ambachtslieden uit met name Noordwijk en Sassenheim profiteerden daarvan.
Maar Cornelis Croesink had ook andere banden met de regio en zeker met het dorp Noordwijkerhout. Hij wordt in 1510 aangesteld als baljuw van het dorp, maar laat de dagelijkse uitvoering over aan ene Joost van Sandvoort. In de jaren van zijn houtvesterschap lijkt hij veel tijd en aandacht te geven aan het Noordwijkerhoutse binnenduin, waaronder het Duinschoten. Hij wordt ook eigenaar van onroerend goed in de omgeving. In april 1501 koopt hij van Roelof Janszoon de Bastaert van de Bouckhorst de hofstede Erffoort aan de Herenweg met weilanden in de Hoogeveense Polder. De verkoop wordt voor Cornelis geregeld door Jan Claeszoon Duijcker, de man die dat jaar als pachter op Erffoort woonde en houtvester Cornelis ook bij zal staan als bosbewaarder van het Duinschoten. Twee jaar eerder had Jan Duijcker al een perceel van bijna vier hectare grond aan het Duinschoter Rennewater aan Cornelis verkocht, dat Jan zelf in 1477 in bezit had gekregen. Cornelis Croesink wordt ook eigenaar van het Kerkeduin van het dorp, dat is in die periode zo’n honderd hectare groot, inclusief het dorpscentrum met Witte Kerk. Het duin was eerder eigendom van Jan van Noortich. De aankoop van de Erffoort hofstede, de vier hectare landbouwgrond bij het Rennewater en het grote Kerkeduin hoeft niet te betekenen dat Cornelis permanent in het dorp gewoond heeft. Daarvoor had de man teveel belangen in andere plaatsen en een te brede functie. Hij zal de hofstede als uitvalsbasis voor zijn brede takenpakket gebruikt hebben. Cornelis overlijdt in december 1520 waarna zijn weduwe en tweede echtgenote Hillegond Jansdochter van der Woude van Alkemade en haar erfgenamen het Noordwijkerhouts bezit nog lang aangehouden hebben. Misschien heeft Hillegond met haar gezin zelf wel geruime tijd op Erffoort gewoond.
Dat het bos van Duinschoten een omvang van enige betekenis had kunnen we afleiden van de aanstelling van bosbewaarders zoals Jan Claeszoon Duijcker. Maar ook Pouwel Claeszoon, boer aan de Langevelderweg, was naast schout van Noordwijkerhout enige tijd bosbewaarder. En dat geldt ook voor een andere bekende naam uit stambomen, Steven Stevenszoon. In de Croesinkperiode hebben deze mannen bijgedragen aan het herstel of herbebossing van het Duinschoten. Het belang van het bos voor het gewest Holland staat ook letterlijk vermeld in de jaarrekening van de rentmeester van de Wildernisse. Op 10 november 1507 begeleidt houtvester Cornelis Croesink twee mannen die namens het gewestelijk bestuur een “auditie” uitvoeren naar de toestand van het bos. Een citaat in gewone spelling: “…zijn meester Lucas van Teijlingen en Vincent Corneliszoon, auditeurs van de Kamer van de Rekeningen uit Den Haag in opdracht van deze kamer gereisd naar de Wildernisse met de houtvester de heer Cornelis Croesink en Jan van Beveren, ontvanger (rentmeester) van dezelfde Wildernisse, en dat in Duijnschoten om alles te besteden en te sluiten en af te heinen hetzelfde bos van Duijnschoten, dat een van de principale bossen en Wildernisse is alhier in Holland…”
Het Duinschoter bos en gebied werd volgens dit document dus tot de belangrijkste of principale bossen van het gewest Holland gerekend. Maar de auditeurs constateren dat het bos zeer “vergaen” is. Het is niet meer compact beplant, via de open plekken komen dieren uit het aanliggende duin het bos binnen en vreten daar de jonge aanplant of scheuten op. Ook elders in de Haarlemmerhout kampt men met dit probleem dat in het vervolg van dezelfde eeuw nog zal leiden tot inperking en beëindiging van het verpachten van duin voor het weiden van dieren, de zogenaamde grashuur. Maar zover is het nog lang niet en de auditeurs bepalen dat het hele bosgebied afgebakend moet worden met een wal, aan de onderzijde vier tot zeven voeten breed, beplant met slagzoden en opgebouwd uit zand en speetzoden. Rond de gehele wal moet aan de buitenzijde een drie voet of kleine meter brede en diepe greppel komen met op de walzijde aanplant van rijshout. Er volgen nog wat details en vervolgens wordt aan bosbewaarder Jan Claeszoon Duijcker opdracht gegeven dit werk uit te voeren. Leuk is de vermelding dat Jan de enige is die het werk voor de voorgestelde prijs wilde doen.
In de wal komen vervolgens nog enkele toegangs- of klaphekken. Gebruik van de hekken was vrij maar op het open laten staan stonden stevige straffen. Hekken verschijnen aan de belangrijkste knooppunten: aan de zogenaamde Jan Mathijslaan, op de Delft(weg), bij de Zasberg en op de Wilgendam. Op de Espel(laan) komt een laatste hek of draaiboom. Het hout van de hekken mag uit het bos gehaald worden, mits het dorre bomen betreft. Tot slot concluderen de heren auditeurs dat op het westeinde van het “Besloten Duijnschoten” een grote plek ligt, “ledig van houte”, dat afgesloten zal moeten worden met een wal waarna men daar beesten zal mogen laten grazen. Met dit laatste gebied dat ook wel het “Cleijne Besloten Duijnschoten” wordt genoemd hebben we het over het deel van het Duinschoten aan de zuidzijde van de Langevelderweg, het latere Sanctaterrein. Een jaar later komen dezelfde heren het werk inspecteren en constateren onder meer dat de de wal of dijk te laag is. Bosbewaarder Jan Claeszoon Duijck beweert dat door droogte de dijk is ingeklonken, maar moet voor de volgende zomer toch de gevraagde hoogte leveren. Er worden aan Jan nog wat aanvullende opdrachten gegeven zoals om de doorgang van de “scilpwagens” bij het Rennewater te verbeteren. Dit detail levert historisch bewijs dat ook in Noordwijkerhout begin 16e eeuw schelpenvissers actief waren. Naast Jan Claeszoon Duijcker wordt Steven Stevenszoon aangesteld voor het toekomstig onderhoud van het geheel. Vijf jaar later blijkt overigens dat er al weer reparaties nodig zijn die ditmaal door een groep Noordwijkerhouters wordt uitgevoerd. In het verloop van de eeuw komt hekreparatie regelmatig terug.
Uit de omschrijving van de heklocaties valt af te leiden dat het Duinschoten in die periode wat naam betreft een grotere omvang had dan in latere eeuwen het geval blijkt. In 1574 wordt een deel van het grafelijk duin dat bekend zal worden als het Stelduin als een onversterfelijk erfleen overgedragen aan Otto van Treslong, domheer in Utrecht. Zijn vader Huge van Treslong had het duin in 1548 geschonken aan de grafelijkheid maar kreeg het als leengoed weer terug. Het Stelduin staat in de leenakten omschreven als onderdeel van het Duinschoten maar wordt ook wel het Duin van Treslong of Duin van Terlong genoemd. Aan de noordzijde ligt het Twistduin of Tweede deel van het Langevelder duin en aan de zuidzijde het Kerkeduin met de dorpskern.
Al voor het jaar van de auditie was houtvester Croesink aan de slag gegaan. De aanleg van de Schravenmade rond 1497 viel onder zijn supervisie. En de rentmeester van der Wildernisse Jan van Beveren noemt in zijn rekening over de periode van 1505-1509 de grootschalige aanplant van bomen, allemaal elzen. Hij koopt daarvoor tienduizenden stekken in Leiden van vijf verschillende kwekers uit Zoetermeer. Elzenbomen waren eeuwenlang geliefd als brandhout omdat het niet lang hoefde te drogen en de bomen konden snel groeien en waren geschikt voor natte grond. Rond hofsteden en boerderijen stond vaak een bosperceeltje elzen, zodat men verzekerd was van voldoende hout voor de kachel. Voor de aanplant worden door de houtvester tientallen mannen ingeschakeld, die gemiddeld vijf tot acht dagen ingezet worden. Heel veel verdienen zij niet, slechts wat stuivers per dag. Een schipper uit Lisse brengt de stekken naar het Langeveld, waar zij na aanplant nog enige tijd worden bewaakt door Gijsbert Duijcker, want het geweide vee kon veel schade aanrichten. Gijsbert controleert ook of geplante stekken wel recht waren blijven staan na storm. In deze periode wordt opvallend veel dor hout te koop aangeboden, houtvester Croesink heeft het bos dus ook opgeschoond. Over andere bomensoorten wordt niet of nauwelijks gesproken dus het lijkt duidelijk de bedoeling dat de investering met de snelgroeiende elzenbomen snel terugverdiend zal worden. De stekken zelf kostten in die tijd niet meer dan 30 tot 35 stuivers per duizend!
In de eerste jaren na 1507 vinden we dit proces van aankoop en aanplant van elzen bijna jaarlijks terug in de rekeningen, zoals in 1512 wanneer het gaat om ruim veertienduizend stekken en in 1519 zelfs veertigduizend, waarvan de helft in Aerdenhout geplant wordt. In de decennia die hierop volgen wordt de aanplant van elzen een jaarlijkse aangelegenheid waarvoor telkens in Zoetermeer stekken aangekocht worden. Men had vaste leveranciers uit dit dorp. Het loopt daarbij op naar aantallen boven de honderdduizend stuks voor de aanplant in het gehele Haarlemmerhout. Die stekken moeten allemaal geplant worden hetgeen heel wat boeren een bijverdienste oplevert. De verkoop van eiken en beukenhout uit het Duinschoten betreft vanaf midden 16e eeuw bijna uitsluitend nog dorre bomen en takken. Op de jaarlijkse veilingen van elzenhout komen grote aantallen mensen af, maar misschien was dat niet alleen vanwege het hout maar ook vanwege het verzetje en het gratis bier dat geschonken wordt. Veilingen voor het Duinschoten worden vaak gehouden bij het huis van bosbewaarder Cornelis Gerritszoon Visscher maar helaas is niet helemaal duidelijk waar dat precies stond. Cornelis is vanaf circa 1525 de belangrijkste bosbewaarder. Zijn taken bestaan uit het onderhoud van de wal of dijk rond het Duinschoten en enkele andere “becrofte velden” in het Langevelder duin en het Kleine Besloten Duinschoten. Maar ook repareert hij de toegangshekken, diept de sloten uit, controleert de aangeplante elzen na storm en regelt het vervoer en aanplant. Cornelis zou ook eikenbomen hebben aangeplant, maar hiervoor is slechts één aanwijzing gevonden, de aankoop van driehonderd jonge eiken in Den Haag in 1528.
Tegenstrijdig beleid?
De auditeurs noteerden in 1507 weliswaar een verklaring van Croesink en de bosbewaarders over de kaalslag die in het bos plaatsvond door grazend vee maar dit leidde niet tot directe maatregelen op het verbod van de zogenaamde grashuur. Ook in de jaren erna kunnen boeren dieren inschrijven voor de zomer- en winterpacht van stukjes duin. In Noordwijkerhout wordt de inschrijving wel eens een jaar overgeslagen en aan het einde van de zestiende eeuw zijn dat meerdere jaren. Toch verdwijnt de grashuur of bestialen zoals het ook genoemd wordt pas na het jaar 1600 door de aanhoudende schade door losgebroken paarden, koeien en schapen. Dieren die in het bos rondliepen konden weliswaar door de “schutter” van het dorp in het schuthok gebracht worden maar in het grote gebied dagelijks toezicht houden zal niet eenvoudig geweest zijn. De eigenaar kon zijn beesten bij het schuthok ophalen tegen betaling van een boete. Deze schutregeling en de aanleg van de wal of dijk rond het Duinschoter bos zou voldoende zijn, zo zal men lang gedacht hebben tegen de achtergrond van de leuke verhuurinkomsten. Maar in de loop van de zestiende eeuw verandert het beleid, want de kaalslag blijft plaatsvinden en het gebied krijgt een andere agrarische functie.
Vergelijkbaar probleem hebben de beheerders van de binnenduinen met het zwervend gedrag van konijnen. Deze diertjes laten zich niet eenvoudig door wallen, heiningen en sloten tegenhouden en konden de nodige schade aanrichten op akkers. De konijnen voorzagen in de behoefte aan goedkoop vlees. De jacht stond niet het gehele jaar open maar vlees kon ingezouten worden en was zo lang beschikbaar. Vanwege het belang van goedkoop vlees hadden konijnen een beschermde status maar de vraatzucht van te grote populaties kon in het duin tot verstuivingen leiden. Het kaalgevreten duin werd bestreden met de jaarlijkse aanplant van helm, vaak een verplichting voor de duinmeiers als gebruikers van percelen, maar ook van dorpsbesturen. En het schutten van zwervend vee was misschien wel een effectieve maatregel maar leidde ook tot spanningen tussen boeren en het lokale of gewestelijke gezag. Het gewest Holland had geld nodig, exploiteerde het bos van Duinschoten en de overige binnenduinen maar had tegelijkertijd inkomsten uit de verhuur van duin voor het grazen van vee of het houden van konijnen, terwijl die dieren voor schade en problemen zorgden. De tegenstrijdige belangen van huurders en verhuurders zullen uiteindelijk leiden tot het stoppen van de verhuur van duin voor grazend vee en krijgt in de zeventiende eeuw een vervolg met het ontvolken (depopulatie) van de konijnenstand in de duinen. Dit laatste komt in een volgend verhaal over de binnenduinen nog terug.
De Troubelen 1572-1577
Vanaf 1565 wordt door de Houtvester van Holland en zijn Meesterknapen het misbruik van het grafelijk duinengebied fors aangepakt. De Houtvester van Holland krijgt een eigen administratie, daarvoor werd die bijgehouden door de rentmeester van de Wildernisse. In die periode bleven veel zaken op de plank liggen, soms meer dan tien jaar. Het is een eerste stap in de omvorming van de bezittingen van de graaf van Holland die meer inkomsten moeten gaan genereren voor het gewestelijk bestuur in Den Haag. Tijdens het beleg van Alkmaar, Haarlem en Leiden door Spaanse troepen in de heftige periode van de 80-jarige oorlog die bekend staat als de Troubelen, verdwijnt het restant van het eens zo grote Haarlemmerhout. Dat weten we uit een aantekening in de jaarrekeningen van het grafelijk gezag die nog tientallen jaren standaard zal worden herhaald onder de vaste post: “Andere Ontvangsten, van dorre staende hout ende boomen in de Wildernisse van Holland”. De aantekening van de rentmeester onder deze post is kort: “…alsoo het resterende staende hout in de voorlede Troublen ende in het belegh van Haarlem meestendeels geruineert is ende niet vercoght sulcks dattergeen dorre ofte groene eiken rest te vercoopen daeromme hier niet…”. Dat laatste woordje “niet” betekent dat de rentmeester geen inkomsten uit houtverkoop heeft ontvangen. Tegenstrijdig aan dit bericht is een enkele houtverkoop die nog op het Duinschoten plaatsvindt na 1577 en het feit dat Huibert Jacobszoon Roo in 1600 nog altijd betaald wordt als bosbewaarder. En na hem volgen nog Adriaen Jacobszoon en Wouter Willemszoon, die bewaarder van het Duinschoter bos worden genoemd, de laatst zelfs nog na 1630. We weten niet precies waar het resterende bos dat zij onder beheer hadden precies lag of hoe groot dat nog was. Dat neemt niet weg dat het Duinschoten in het Langeveld in het laatste kwart van de 16e eeuw grote veranderingen ondergaat.
Omvorming en erfpacht
Aan de zuidzijde van de Langevelderweg was het Duinsloten begin van de zestiende eeuw “ledigh” van bos en de auditeurs die hierboven genoemd zijn hadden dit deel vrijgegeven voor het weiden van schapen, koeien en paarden. We vinden hier tientallen jaren de namen van boeren die in dit met een wal omgeven gebied dieren mochten laten grazen. Nadat de Spaanse troepen definitief uit het gebied zijn weggetrokken wordt dit deel van het Duinschoten ingezet voor de landbouw, er worden akkers aangelegd die aan de zuidzijde begrensd worden door het jachtterrein of Warande van kasteel de Hooge Boekhorst. Tegelijkertijd wordt besloten het noordelijk deel van het Duinschoten waar het bos is verdwenen te verpachten aan boeren uit de omgeving. In 1587 wordt door een landmeter dit gebied in kaart gebracht en onderverdeeld in negen pachtpercelen. Naast de kaart vinden we in de archieven ook het resultaat van de veiling van deze negen percelen terug, met de namen van de pachters en het contract dat zij in 1588 met de rentmeester van de grafelijkheid sloten. De kaart is niet de meest nauwkeurige onder zijn gelijken maar geeft wel interessante namen van mensen uit het Langeveld die we ook in andere archieven vinden.
De kaart en veilinggegevens uit het Nationaal Archief
| Pachter | Woonlocatie pachter in de huidige situatie | Betaalt per jaar In pond en schellingen | |||||
| 1 | Mees Janszoon van Langevelt | Jeugdherberg Stayokay | 24 pond | ||||
| 2 | Jacob Gerritszoon Roo | De Duinpoort | 24 pond, 16 sch. | ||||
| 3 | Jacob Gerritszoon Roo | De Duinpoort | 24 pond, 24 sch. | ||||
| 4 | Jacob Gerritszoon Roo | De Duinpoort | 24 pond, 4 sch. | ||||
| 5 | Cornelis Gerritszoon Roo | “Aan het Duinschoten” | 20 pond | ||||
| 6 | Quirijn Jacobszoon Roo | De Duinpoort | 20 pond, 8 sch. | ||||
| 7 | Cornelis Gerritszoon Roo | “Aan het Duinschoten” | 16 pond, 60 sch. | ||||
| 8 | Mees Janszoon van Langevelt | Jeugdherberg Stayokay | 16 pond, 4 sch. | ||||
| 9 | Jacob Claeszoon Foppenszoon | Bocht Langevelderweg | 12 pond, 60 sch. | ||||
| NB. Gerekend werd met Vlaamse ponden, hier is 1 pond Vlaams = 6 guldens = 20 schellingen. De percelen werden in grootte vergelijkbaar geacht, circa 4 morgen, is 2400 Rijnlandse Roe of 3 ½ hectare. Op de kaart lijken de percelen niet even groot. Dat verschil in grootte werd mogelijk via de prijs gecorrigeerd. | |||||||
Bewerkte kaart duinpacht 1587 (Nat. Archief)

Links de Warande van de Boekhorst, dat gescheiden wordt van het Kleine Besloten Duinschoten door een wal of heining. Er loopt een pad langs, waardoor men vanaf het kasteelterrein richting de kapel in het Langeveld kon komen. Aan weerszijden van de Langevelderweg of –laan bevinden zich akkers. Aan de bovenkant of noordwestzijde van deze akkers stond het huis van Claes van Oosten, dat kort na het maken van deze kaart afgebrand is. Leentje, de vrouw van Claes van Oosten was een zus van Sijtje Pietersdochter die midden onder genoemd worden. Sijtje of Cijtje is voor genealogen een bekende naam, haar testament vormt voor hen een gouden bron. Deze ongetrouwde kleindochter van schout Pouwel Claeszoon had bij testament namelijk de opbrengst van het ingetekende land toebedacht aan een grote schare familieleden waardoor we via haar erfenis de stamboom van de familie grotendeels kunnen reconstrueren. Haar land is in de huidige situatie het zuidelijk deel van het bungalowpark Solassi. Veel namen op de kaart zijn verbonden aan het Langeveld. De boven haar genoemde Pouwel Pieterszoon is Cijtjes broer.
In het groene gedeelte op de kaart vinden we de negen verpachte percelen uit de openbare veiling van duinpacht in 1588 met enkele namen van pachters, allemaal bewoners van het Langeveld. De kaart is met zekerheid ten behoeve van de verpachting van dat jaar gemaakt en voor komende periodes. Rechts de Willigendam, in feite het verlengde van de Cluijslaan. Die laan voerde vanaf de Herenweg door het Stelduin naar de Cluijs, een jachtterrein dat ook bekend staat als de Cattenhorst (zie elders op deze website). Hier werd in de vijftiende eeuw nog gejaagd op valken. Bij de auditie waarover eerder gesproken is wordt het Cluijshek genoemd dat het Duinschoten afsloot aan de noordoostzijde maar ook is er sprake van een Cattendijck. Dat zou het dijkgedeelte bij de Cattenhorst kunnen zijn, maar is ook de naam van een familie die in die periode wordt genoemd. Niet uitgesloten is dat naam van de dijk en familie samenhangen. Tenslotte is rechts nog het land van Sasbergen (Zasberg) genoemd. In 1587 woonde IJsbrant Pieterszoon “van Sasbergen” op deze oude boerenhoeve. Ook hij was een broer van erflaatster Sijtje Pietersdochter. Maar tijdens de Troubelen pachtte hij de boerderij van het huis Ter Does in Leiderdorp, zie elders op deze website.
Uit hetzelfde jaar waarin de kaart gemaakt is dateert een akte waarin de curatoren van de universiteit Leiden en de burgemeesters van die stad nog eens laten vastleggen dat zij recht hebben op de opbrengst van de rottienden van het Langeveld. Zij richten hun brief aan de Hoge Raad. Het geclaimde recht was op naam van de universiteit gesteld na de Annotatie van de goederen van het klooster Egmond. Letterlijk staat er in moderne spelling: “…dat onder jurisdictie van Noordwijk gelegen is een lang groot blok, genaamde de gehele rottienden tot Langeveld en is in het zelfde blok begrepen een lang deel van omtrent 60 morgen (50 ha) duinachtig land, genaamd de Besloten Duijnschoten…..en alzo de voornoemde universiteit gerechtigd is tot het koren-, raapvlas- ,hennep- en smaltienden van alle tienden onder de jurisdictie van Noordwijk, zo heeft dezelfde universiteit van de tijd af dat de Besloten Duinschoten tot korenland gemaakt is in de laatste zes, zeven, acht en meer jaren, de tienden van het gewas van de Besloten Duinschoten verkocht of verpacht…”.
Vervolgens stellen de heren dat zij in 1586 het gehele blok tienden hebben verpacht aan Huibert Jacobszoon Roo, maar dat ene Mees Janszoon met de rentmeester van de Camer van de Rekeningen (lees: het gewest) heeft onderhandeld over de pacht van dezelfde tienden. Dit alles zonder kennis of toestemming van de curatoren van de universiteit. De brief laat zien dat in de roerige laatste vijfentwintig jaar van die eeuw de overheidsorganen hun administratie nog niet volledig op elkaar afgestemd hadden. Voor ons is vooral de informatie over het geschikt maken van het Duinschoten voor de teelt van graansoorten van belang. Het bevestigt dat het bos grotendeels uit het gebied verdwenen is en voor landbouw wordt ingezet.
Duinschoten: weinig tot geen bebouwing.
Het Duinschoten of Besloten Duinschoten zoals het ook vaak wordt genoemd zal nog eeuwen verpacht worden aan boeren uit de omgeving. Dat is voor zowel de konijnenteelt als voor akkerbouw. De term Besloten is terug te voeren op de aanleg van de omringende wal of dijk. Er verschijnen echter niet of nauwelijks huizen in het verpachte gebied. De boerderijen van het Langeveld staan nagenoeg allemaal tegen het zeeduin of in de Langevelder Pan, nu vinden we daar het campingterrein aan de Kapelleboslaan. De huizen en bedrijven die we anno 2026 vinden in het Duinschoten dateren allemaal van na de ruilverkaveling uit de jaren vijftig van de twintigste eeuw. Tot diep in de negentiende eeuw zijn er uit archieven maar een paar huizen aan te wijzen met een lange geschiedenis van bewoning in het Duinschoten. Dat zijn de Boekhorster Wraa, een huis dat eigenlijk tot het kasteelbezit de Hooge Boekhorst behoorde en aan de rand van het Kleine Besloten Duinschoten stond op de grens van de dorpen Noordwijk en Noordwijkerhout. En daarnaast is er nog de schelpenvisserswoning van Jan van Schagen, een huis dat dateert uit het eerste kwart van de achttiende eeuw. Die woonlocatie kent menigeen beter van de in 1918 op dat perceel gebouwde Bondshoeve of “Geitenfok” van Toop van den Berg, aan de oostzijde van de weg de Boender, gemeente Noordwijk. Terwijl er de nodige foto’s zijn van het gebouw waarin Toop “Van Na” met zijn vrouw Mitzi woonde rond de 2e Wereldoorlog, wordt zelden aangetekend dat het huis van de beheerder van de Bondshoeve pal tegen de woning van Jan van Schagen gebouwd werd. Drie eeuwen lang woonden op deze locatie schelpenvissers, waaronder de families van Jacob Bogaards, Machiel Smit en Cornelis van der Zwet. Deze woonlocatie stond waarschijnlijk net buiten de oorspronkelijke grafelijke grens van het Duinschoten. In de negentiende eeuw is overigens sprake van twee woonhuizen, hetgeen aansluit bij de foto hieronder.

Naast het huis van Jan van Schagen en de Boekhorster Wraa herinneren nog een paar andere namen aan huizen of bewoners van het Duinschoten. Ook die stonden niet midden op het Duinschoten maar aan de randen ervarn. Claes Vrijer was bewoner van een huis dat eind 17e eeuw is afgebroken. En de namen Thijssenwei en Foppenwei verwijzen naar de boeren Mathijs Jacobszoon en Fop Claeszoon. De laatste is een telg uit de familie Duijcker waarvan de nodige leden in het Langeveld gewoond hebben. Het is niet eenvoudig te bewijzen in hoeverre de geringe bebouwing van het Duinschoten het gevolg was van de afwezigheid van water en de natuurlijke gesteldheid van het terrein met haar verschillende hoogteniveaus, waardoor het mogelijk te leiden had onder droogte. Maar feit is dat voor de bouw van een woning toestemming nodig was van het gewestelijk bestuur voor alle gebieden die vanouds grafelijk eigendom waren. En die toestemming kwam er vaak alleen als er ook erfpacht betaald zou gaan worden.
Een vergelijkbare situatie vinden we in Noordwijk aan Zee, dat gebouwd is op het Noordwijker duin, ook eigendom van de graven van Holland. De visserij in dat dorp is veel ouder dan de bebouwing op het zeeduin. Opvallende aanwijzing vinden we in een aantekening van de houtvester Croesink uit het begin van de zestiende eeuw. Hij had onderzocht of er niet wat zeelieden waren die interesse hadden in woningbouw op het Noordwijker duin. Letterlijk: “…of zij niet een huijskijn wilden setten tot verbeteringe en vermeerderinge van de dorpe int gulle sant van noortijck opt zee…”. De uitspraak suggereert dat er tot dat jaar niet of nauwelijks woningen stonden op dit deel van het grafelijke zeeduin. Verbetering en vermeerdering was mede uit het belang van de extra inkomsten die voor het gewest binnen te halen waren door erfpachtheffing. Uit het midden van de zestiende eeuw zijn aanvragen bewaard gebleven van families die in dat Noordwijker duin een huisje wilde bouwen maar daarvoor eerst toestemming van “Den Haag” nodig hebben en vervolgens eeuwige erfpacht moeten gaan betalen. We spreken niet van wilde tarieven, het zijn bedragen die in stuivers worden uitgedrukt, niettemin kwam de betaling elk jaar terug en het vissersvolk behoorde niet tot het rijkste deel der natie. Dit systeem van toestemming en erfpacht verklaren ook waarom in Noordwijkerhout de boerderijen grotendeels aan weerszijden van de oude strandwal gebouwd zijn. Dat had in de eerste plaats een praktische achtergrond want zij staan zo niet ver van beschikbare waterwegen en op wat hoger gelegen grond, zodat de boeren droge voeten hielden. Niettemin geldt dat zij zelden op grafelijke duingrond gebouwd zijn en de heffing van erfpacht of afhankelijkheid van het gewest zou daar wel eens een rol bij gespeeld kunnen hebben.
De Warande van Boekhorst, een sta in de weg
De eigenaren van de Hoge Heerlijkheid de Hooge Boekhorst wilde lange tijd niet dat de inwoners van Noordwijkerhout via een korte route over de weilanden en jachtterrein van het kasteel naar het buurtschap en kapel in het Langeveld konden lopen. Als heren van de Boekhorst hadden zij het recht zelf te bepalen wie het terrein van de heerlijkheid mocht betreden. Het is een verklaring voor de scherpe, bijna haakse bocht in de huidige Langevelderweg. Die weg liep zo pal om de noordoostpunt van de heerlijkheid de Hooge Boekhorst richting het zeeduin. En de middeleeuwse Kraaierslaan (Crayelaan) is tot diep in de 20e eeuw een doodlopende weg geweest, stopte als het ware voor het jachtterrein of Boekhorster Warande. De aparte status van het Boekhorstgebied als hoge heerlijkheid beperkte dus de mogelijkheden voor de inwoners of bezoekers van het buurtschap in het Langeveld met haar kapel en de boerderijen langs de duinrand. Toch liepen er wat zandpaden naar toe maar wie van Noordwijk kwam was overgeleverd aan de goede wil van de kasteeleigenaren. Mocht men langs de Warande dan stak men op de grens met het Kleine Besloten Duinschoten over naar een perceel van ruim zes morgen weiland en kwam via dat perceel op de Langevelder weg terecht. Het gebruik van paden leidde ook in die tijd ongetwijfeld tot het ontstaan van gewoonterecht en dat leverde conflicten op met eigenaren van de Warande en het perceel van zes morgen. In 1633 weert Willem van Bronckhorst, die negen jaar eerder eigenaar van kasteel de Hoge Boekhorst was geworden, alle wandelaars uit zijn Warande. Willem woonde weliswaar in Gent maar recent is ontdekt dat hij tot zijn dood in januari 1635 geruime tijd op de Boekhorst heeft doorgebracht en zo waarschijnlijk het oneigenlijk gebruik van zijn Warande heeft geconstateerd en het aan banden heeft gelegd. De wandelaars doen echter een beroep op het gewoonterecht. De zaak wordt voor de rechter gebracht maar het is nooit tot een uitspraak gekomen door de dood van Willem niet lang na de start van het proces. Een tweede proces speelt dertien jaar later. Nu is het Adriaen Pauw, eigenaar van boerderij de Duinpoort die met andere gebruikers van het pad aan de rechter vraagt om boer Huibert Willemszoon Swil te dwingen toe te staan dat het pad dat over zijn perceel van zes morgen loopt gebruikt wordt door mensen die het Langeveld willen bezoeken. De rechter gaat daarin mee.

Detail uit een kaart uit het Nationaal Archief, 1582
Op een kaart uit 1582 van de Heerlijkheid de Boekhorst zijn de Boekhorster Warande of Wra en het Besloten Duijnschoten fraai terug te zien. De ingekleurde Boekhorstpercelen zijn met een letter weergegeven. Q en R zijn weilanden, S is de Warande, ook wel Wra of Wraa genoemd. Aan de zuidzijde van het jachtterrein wordt de “Paepeliche Prove” genoemd. Het Kleine Besloten Duijnschoten ten zuiden van de Langevelderweg wordt hier “Een stuck van” Besloten Duinschoten genoemd. De kaart geeft ons een waardevolle momentopname want het laat zien dat dit gebied dat in de 16e eeuw nog bebost was in het jaar van het opmaken van deze kaart al grotendeels is omgezet naar akkers in rechte percelen. Behalve een klein stukje aan de Warandezijde, daar worden nog duintopjes ingetekend en twee dijkjes, die gebruikt werden om perceelgrenzen aan te geven. Hier liep het pad dat vervolgens via het grote perceel ten westen (boven) van het Duinschoten aansloot op de Langevelderweg. Vijf jaar later wordt de eerder beschreven kaart voor de duinpachtverhuur gemaakt. Daar heeft het pad een vaste vorm gekregen. Het pad lag er dus al dik vijftig jaar voor de processen gevoerd werden en zal al die tijd gebruikt zijn.
17e en 18e eeuw Economische stilstand leidt tot achteruitgang.
Naast de besturen van de dorpen Noordwijk en Noordwijkerhout hadden ook de eigenaren van de hoge heerlijkheden het Langeveld, het Luchterduin en de Hooge Boekhorst invloed op de ontwikkeling van het Duinschoten, dat nog altijd grafelijk gebied was. Er waren misschien wel teveel heren die bestuurlijk iets in de melk te brokkelen hadden in het Langeveld en dat was voor de economische ontwikkeling geen bevorderende factor. De meeste boeren waren geen eigenaar van hun boerderij maar pachter. De eigenaren kwamen vaak niet uit de regio, zagen mogelijk niet het belang in van ontwikkeling van het gebied en hadden blijkbaar ook geen behoefte om delen van hun bezit te verkopen. Als voorbeeld daarvan noemen we hier de familie Six die vanaf 1686 eigenaar was van boerderij de Duinpoort, waar ook lappen grond in het Duinschoten bij hoorden, die gepacht werden van het gewest Holland. In deze rijke Amsterdamse familie is het echter zoeken naar een exacte beschrijving van dit bezit in het Langeveld in boedelverdelingen of testamenten. Kenmerkend zijn het niet meer dan een paar regels in een lange lijst bezittingen.
Vanaf circa 1650 krimpt de bevolking van het Langeveld snel. Met die krimp werd dit een stil, leeg en slecht ontsloten gebied. Er blijven uiteindelijk maar vijf of zes grote boerderijen over. Het Grote Besloten Duinschoten blijft in gebruik als akker of wordt ingezet voor de konijnenvangst. De percelen worden verpacht aan de boeren op de nabijgelegen boerderijen en veel verschuivingen of veranderingen in samenstelling van het agrarisch bezit dat aan de boerderijen verbonden is kunnen we niet noteren tot begin negentiende eeuw. Slechts een enkel perceel verruilt van eigenaar. Pas na 1800 staakt het gewest de verpachting en worden de percelen van het gewest verkocht, meestal aan de laatste pachters. Als het kadaster in 1813 een kaart tekent van het Noordwijkse deel van het Langeveld en in 1832 de eigenaren van dat jaar optekent is het Grote Besloten Duinschoten onder vijf boeren verdeeld. Cornelis van Elk op het Haasvelt heeft de oostelijke percelen in eigendom. Bancras van Zomeren, pachter van de heer Van der Does op boerderij Plesman, Arie Ruigrok op de Woeste Hoeve en Job Duivenvoorden op de Duinpoort zijn de andere eigenaren of gebruikers.
Het Kleine Besloten Duinschoten heeft een iets andere geschiedenis. Het grote perceel van bijna negentien hectare blijft nog tot diep in de 19e eeuw ongewijzigd. Maar rond het perceel vinden wel veranderingen plaats doordat de heerlijkheid en landerijen van de Hooge Boekhorst vanaf 1785 verkocht wordt. Rond dat jaar wordt ook de oude woning De Boekhorster Wraa afgebroken met boer Huibert Oostdam als laatste pachter. Ook de Warande van de Boekhorst krijgt een andere eigenaar. Laatste pachter van dit gebied is de voorvader van de schrijver van dit verhaal. Jacob Dirckszoon Duivenvoorden was duinmeier op de Warande, het Kleine Besloten Duinschoten en een deel van het Grote Duinschoten.

Verkoopbrochure. In 1785 wordt de heerlijkheid de Hooge Boekhorst met bijbehorende weilanden en jachtterrein te koop aangeboden. Perceel twee, de Warande van den Huize te Boeckhorst of Wraduin wordt aangeprezen als een rijk bevolkt konijnenduin, maar lag dus pal naast de akkers van Duijnschoten, waar de boer liever geen konijnen zag verschijnen.
Het voormalige kasteelbezit of heerlijkheid De Hooge Boekhorst krijgt vanaf 1785 in een relatief korte periode meerdere eigenaren, die ook elders in Noordwijkerhout aankopen doen. Gebieden worden samengevoegd. Belangrijk zijn met name Hendrik Staal en vanaf 1820 zijn weduwe Catharina Kip en vanaf 1858 Gerard Martini. Deze Amsterdammer zal in 1862 op de noordoostpunt van Het Kleine Besloten Duinschoten, dat een oud erf- of tuinperceel betrof, een nieuwe Boekhorster Wraa-woning laten bouwen. Cornelis Koster is de eerste pachter van deze woning. Martini heeft er een boerderij van willen maken, dus ook de bijna 19 hectare van het Besloten Duinschoten en 3 hectare zuidelijk gelegen weilanden worden door Cornelis en zijn gezin gepacht en bewerkt. Het contract wordt in 1868 nog eens voor zes jaar verlengd, eerst tegen 315 gulden pacht per jaar, maar de laatste vier jaar bedraagt de pacht vierhonderd gulden. De verlenging vindt een krap jaar voor het overlijden van Gerard Martini in 1869 plaats. De Amsterdammer heeft nog voor zijn dood het overgrote deel van zijn bezit verkocht.
Boerderij de Boekhorster Wraa wordt eigendom jonkheer Jan Hugo Gevers, die zelf op het Huis Marquette in Heemskerk woont. Ook na de dood van deze jonkheer blijft de boerderij tot 1925 in ongewijzigde vorm en grootte eigendom van zijn familie, die op het landgoed Klein Leeuwenhorst aan de Gooweg in Noordwijkerhout woonde. Zij verkopen in december van dat jaar boerderij de Wra aan de Zusters van Liefde die er enkele jaren later het psychiatrisch ziekenhuis Sancta Maria op zullen bouwen. Het boerderijgebouw naast de hoofdpoort wordt later bekend als het café en slijterij Zomerzorg van de familie Franken. Het ziekenhuis breidt uit aan de oostzijde met percelen die ooit tot de eeuwenoude boerenlocatie Hoogeveen in de bocht van de Langevelderweg behoorden. Hier woonden in de 16e eeuw de voorouders van de hierboven genoemd Cijtje Pietersdochter, waaronder schout Pouwel Claeszoon, die in de stamboom van bijna elke oude Noordwijkerhoutse familie voorkomt.
Inmiddels hebben de gebouwen op het terrein hun functie van psychiatrisch ziekenhuis verloren maar zijn deze wel grotendeels voor afbraak behouden gebleven. Het gebied is nu omgevormd tot het Landgoed Sancta Maria.

1956. Kaart Hoogheemraadschap Rijnland. De gebouwen van Sancta Maria met aan de achterzijde de boerderij op percelen van de Boekhorster Wra.
Met de komst van het psychiatrisch ziekenhuis kreeg het Langeveld een flinke economische impuls, elders had het opkomend toerisme al een zelfde effect gehad. Maar agrarisch is het gebied ten noorden van de Langevelderweg ook toe aan verbetering. Het ondergaat een grote verandering wanneer het door de Heidemaatschappij letterlijk op de schop wordt genomen. Men zoekt daarbij een oplossing voor de flinke hoogteverschillen en verschillende ondergrondlagen in het gebied. Tussen zeeduin en de binnenduinen bevonden zich stroken veengrond. Het ooit zo lege, stille gebied van het Duinschoten en Langeveld is tegenwoordig onherkenbaar. Gelukkig hebben we de foto’s nog….

Jan Duivenvoorden, februari 2026
