Je bekijkt nu 80-jarige oorlog, de lotgevallen van Hendrick van der Laen
De woning van de familie Van der Laen achter de Voorhoutse kerk

80-jarige oorlog, de lotgevallen van Hendrick van der Laen

In 2024 vierde Leiden de 450-ste herdenking van het Ontzet van de stad tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Het leverde een stroom nieuwe publicaties op over het beleg van de stad door Spaanse troepen. Journalist en archeoloog Ruurd Kok las op deze website de verhalen over de desastreuze gevolgen die vijf jaren strijd rond de Hollandse steden Alkmaar, Haarlem en Leiden had voor de regio Bollenstreek en Noordwijkerhout in het bijzonder. Stelling achter deze verhalen is dat de gevolgen voor de regio minimaal vergelijkbaar waren met die voor de stadsbewoners en ook langer impact hadden op hun leven. Het is samengevat in de titel van één van der verhalen: “Vijf jaren hel”. Als onderzoeker ben je natuurlijk altijd blij met interesse voor je werk maar in dit geval leverde het ook nog wat extra’s op want Ruurd heeft de achtergrond en motivatie voor het schrijven van deze verhalen opgepikt en meegenomen in de publicatie van zijn boek “Sporen van Drie Oktober”. Van zijn onderzoek is door hem ook een fraaie video gemaakt waarin hij onder andere vanaf de Leeweg stil staat bij de gevolgen voor de Bollenstreek. En in het Leids Dagblad schreef hij uitgebreid over de achtergrond van de naam Spanjaardskrocht, net als het Spanjaardsbos verwijst naar de aanwezigheid van Spaanse troepen in de omgeving.. De historische locaties die bij deze namen horen zijn het huidige terrein van de Boekhorstruiters en speeltuin aan de Zeestraat in Noordwijkerhout.

Voor de video van Ruurd Kok zie volgende link (of zoek de titel op Youtube). Passage over Leeweg begint na ruim zes minuten.

Sporen van Drie Oktober – Documentaire 2024

Bij de uitreiking van zijn boek voor het drie-oktober-comité besteedde Ruurd specifiek aandacht aan de gevolgen voor de regio rond de stad Leiden, waaronder de Bollenstreek maar ook de dorpen uit het Groene Hart.  Dat opende de ogen van aanwezigen, die bijvoorbeeld niet wisten dat ten zuiden van de stad de polders nog jaren onder water hebben gestaan, met alle gevolgen voor de inwoners van dat gebied. Ruurd noemde ook de term Vijf jaren hel, die aan één van de verhalen op deze website gegeven is. Missie geslaagd mag je dan concluderen. Maar de geschiedschrijving van Nederland is nooit af en ook voor deze website vinden we af en toe documenten die een inkijkje geven in het leven van voorouders tijdens de Troubelen, de term die in die periode zelf gebruikt werd voor de vijf jaar ellende tijdens de stadsbelegeringen. Recent is als voorbeeld op de website een verhaal geplaatst over de afbraak van de in brand gestoken abdij Leeuwenhorst en de ontmanteling van de kloosterorde als gevolg van de Reformatie. En mogelijk gaan we het op dit forum nog een keer hebben over andere gebeurtenissen zoals de ontbossing van de Haarlemmerhout of het ineenstorten van de inkomstenbronnen van het gewest Holland tijdens dezelfde Troubelen.

Aanleiding voor dit verhaal is de vondst van een document in Leidse gerechtsboeken. Het beschrijft de zaak van een knecht van jonkheer Hendrick van der Laen. Hij klaagt bij de stadsbestuurders van Leiden over een achterstallige betaling door zijn broodheer, kort voor het beleg van dezelfde stad. De gebeurtenis is ook een mooie gelegenheid om stil te staan bij de stevige banden die de van oorsprong Haarlemse familie Van der Laen (Laan) heeft met de Bollenstreek. Het Zilker binnenduin, Ter Specke, Keukenhof, het Keukenduin, het Huis Ter Lugt met het Espelduin, Erffoort, Bergendael en het klooster Leeuwenhorst. De rij bekende locaties waaraan de familie Van der Laen historisch verbonden is geweest is nog veel langer. Ook bestuurlijk speelden zij in het gewest Holland een nuttige rol al was dit niet op het hoogste niveau en had dit geen politieke achtergrond. De verbinding met de Bollenstreek ontstaat vanaf het einde van de vijftiende eeuw en met name door een huwelijk met de dochter van Voorhouter Eeuwout Willem Bartoenszoon. Eeuwout en zijn vader Willem Bartoen waren rentmeesters van het klooster Leeuwenhorst en tevens schout van Voorhout. Eeuwout had als echtgenote jonkvrouw Maria van Belois (Bloys), het echtpaar woonde in een grote hofstede achter de kerk van Voorhout. Zij zijn respectievelijk circa 1496 en 1508 overleden. Het echtpaar heeft geen zonen en het is hun dochter Dieuwer Ewoutsdochter die hun nalatenchap erft en ook de adellijke titel van haar moeder overneemt.

Dieuwer leefde van 1471 tot 1513/14 en trouwt in eerste huwelijk met Jan van Alphen en rond 1509 in tweede huwelijk met Gerrit van der Laen (circa 1480-1565). Zij erft niet alleen de hofstede in Voorhout maar ook het nodige onroerend goed van haar ouders in Noordwijkerhout, waaronder het Huis Ter Lugt aan de Delfweg. Heel lang heeft haar huwelijk met Gerrit niet geduurd, slechts zo’n vijf jaar. Hij is haar enig erfgenaam en was net als zijn schoonvader betrokken bij het klooster Leeuwenhorst. Ook was hij al op jonge leeftijd raadsheer aan het Hof van Holland, waar hij overigens ook menig maal als beklaagde of verweerder in de rechtbank staat. Via zijn tweede huwelijk met Adriana van Alckemade wordt Gerrit van der Laen eigenaar van het huis Endepoel in Warmond. Hij weet het bezit van het echtpaar nog flink uit te breiden, maar komt uit de talrijke vermeldingen van zijn persoon niet over als een gemakkelijk heerschap. Met Dieuwer had Gerrit geen kinderen maar met Adriana heeft hij onder andere twee zonen, Claes en Hendrick. Als Claes (Nicolaes) van der Laen, echtgenoot van Catharina van Wassenhove overlijdt in 1575 wordt zijn broer Hendrick uitvoerder van zijn testament en in die rol komen we hem veelvuldig tegen want de verkoop en verdeling van de onroerende goederen uit de nalatenschap, waaronder het Huis Ter Lugt, heeft heel wat obstakels gekend en kostte twee decennia aan tijd.

Hendrick is de hoofdpersoon uit dit verhaal en naast de juridische aanvaring met zijn knecht zijn er nog enkele andere gebeurtenissen uit de eerste jaren van de 80-jarige oorlog die een beeld geven van de impact van die periode op het leven van een individueel burger. Hendrick trouwde Maria Suys en krijgt met haar drie kinderen, maar die overlijden op jonge leeftijd. Het echtpaar woonde ten tijde van dit verhaal, 1565/78 in de hofstede van de familie Van der Laen in Voorhout, maar ook tijdelijk in Leiden. De Voorhoutse woning had hij van zijn vader Gerrit geërfd, net als een boerderij aan de Leeweg in Noordwijkerhout, het terrein waar later de buitenplaats Schravendam op gebouwd zal worden. En Hendrick was eigenaar van de woning “de Poup”, in Noordwijkerhout nog altijd bekend als volkse naam voor het gebied aan de Leeweg.

De nalatenschap van vader Gerrit is de eerste keer waarbij Hendrick, dan nog met zijn broer Claes, negatieve ervaring zal opdoen met het optreden van Geuzen. In 1565 verenigen katholieke en calvinistische edelen zich in het Eedverbond der Edelen en via hun Smeekschriften een jaar later proberen zij de Spaanse koning Philips de Tweede over te halen het hardvochtige beleid op geloofsgebied in de Lage Landen te verzachten. Onder hen ook Hendrick de Tweede van Brederode, één van de voormannen uit de gelederen van de edelen. Omdat de Spaanse koning met zwakke beloften reageert op het smeekschrift en de vervolging van gereformeerde inwoners aanhoudt radicaliseert een deel van de edelen. Hendrick van Brederode wordt één van hun aanvoerders en staat bekend als de Grote Geus. Zijn soldaten gaan vanaf 1566 moordend en rovend rond in de Hollandse steden en bedreigen het gezag in het gewest.

Dit is precies de periode waarin Claes en Hendrick van der Laen de nalatenschap van hun vader moeten regelen en daarvoor door Claude de Glargos, secretaris bij het Hof van Holland, een lijst hebben laten opmaken van alle eigendomspapieren van hun vader. Een gerucht over de “invasie van de knechten en het rapalje van Van Brederode die voor Vianen lagen” kort na Pasen 1567 is voor de broers zo bedreigend dat zij besluiten de documenten te verbergen in de veilig geachte familiewoning in Voorhout, waar Hendrick de “brusselse koffer” in de boomgaard begraaft. Een opmerkelijke actie maar het begraven van waardevolle zaken is een bekend fenomeen uit de Troubelenjaren. Vergelijkbaar zijn in Noordwijkerhout begin twintigste eeuw twee muntvondsten gedaan uit dezelfde periode. Door een hoge waterstand komt er echter water in Hendricks koffer met documenten waardoor “de brieven seer bedorven” waren geraakt. Het waterprobleem is hem ontgaan of hij heeft niet in kunnen grijpen. Daarmee is het niet onwaarschijnlijk dat Hendrick tijdelijk de woning verlaten heeft. Enkele jaren volgt door dreiging opnieuw zo’n vertrek. Secretaris De Glargos en raadsheer Hoffslach bevestigen op verzoek van de broers de authenticiteit van de bedorven documenten, een verklaring die zij kunnen gebruiken bij verkoop van onroerend goed. Het heeft de verdeling van de nalatenschap van vader Gerrit van der Laen niet eenvoudiger gemaakt.

Een tweede gevolg van de Troubelen voor Hendrick zou volgens onderzoekers zijn positie in het bestuur van het Hoogheemraadschap Rijnland zijn geweest. Hij zou die kwijt geraakt zijn in 1572 omdat hij trouw zou zijn gebleven aan de Spaanse koning. Helaas ontbreekt bij dit onderzoeksresultaat de bron waaruit men dit afgeleid heeft. Dat hij het Smeekschrift niet ondertekend zou hebben kan een reden zijn, maar er zullen meer edelen geweest zijn die dat niet gedaan hebben, al was het maar om praktische redenen. En Hendrick zou volgens andere onderzoekers wel degelijk deel uitgemaakt hebben van het Eedverbond der Edelen. Wellicht ligt hier een aanwijzing in de aanstelling van Hendrick als Meesterknaap van Holland, een functie of titel uit de Houtvesterij. De Meesterknapen speelden een rol in het gerecht van de Houtvester van Holland, die zijn rechtbank hield op het jachtslot Teijlingen in Voorhout. Hendrick wordt in 1568 benoemd als vervanger van Lodewijk van Binckhorst, die door “absentie en zijn uitwijk” zijn plaats als Meesterknaap was kwijtgeraakt. Lodewijk, Loys of Louis zoals hij ook vermeld staat behoorde tot de belangrijkste Geuzen en was het land uit gevlucht toen de hertog van Alva vanaf najaar 1567 jacht maakte op de ondertekenaars van de Smeekschriften en geweldplegers tijdens de Beeldenstorm in de voorgaande jaren. In de “Sententien” van Alva van juni 1568 is Lodewijk terug te vinden, hij wordt bij verstek veroordeeld. De meeste verdachten werden veroordeeld tot verbanning uit het land, verlies van aanstellingen en titels en ook verbeurd verklaring van hun bezittingen. De functie van Lodewijk als Meesterknaap van Holland kwam daardoor vrij. In de bewaard gebleven aanstellingsbrief van Hendrick van der Laen benoemt de Spaanse koning hem na een positief advies van de hertog van Alva te hebben ontvangen en dit detail geeft te denken. Want Alva zal met zijn “Bloedraad” in dat jaar 1568 minimaal de persoon van Hendrick doorgelicht hebben en blijkbaar kwam hij door de screening van de wrede hertog.

Detail uit Sententies van Alva 1568

Stond Hendrick inderdaad bekend als  trouw vazal van de Spaanse koning dan had hij van Geuzen zoals Hendrick van Brederode het nodige te vrezen en speelde dit mogelijk al een rol in de kofferkwestie, die zich twee jaar eerder afspeelde. Dat Hendrick vervolgens in 1572 zijn aanstelling in het Hoogheemraadschap, maar ook de Houtvesterij kwijt geraakt zou zijn kan ook een neutrale reden gehad hebben. In dat jaar vindt de omwenteling plaats binnen het bestuur van het gewest Holland en neemt men officieus afstand van het gezag van de Spaanse koning. Gevluchte of veroordeelden worden in hun oude rechten, titels en benoemingen hersteld. Onder hen Lodewijk van Binckhorst die in 1573 terugkeerde. Als Hendrick van der Laen de plaats van gevluchte edelen zoals Lodewijk had ingenomen dan kan hij die ook kwijt geraakt zijn door de regeling rond terug gekeerde Hollandse republikeinen, die in hun aanstellingen hersteld werden en ook voorrang kregen bij nieuwe of andere benoemingen in het bestuur van het gewest. Dat het verlies van zijn aanstellingen te wijten zouden zijn aan trouw aan het Spaans gezag is zonder bewijs een logische maar ook een wat voorbarige conclusie. In de heftige, chaotische eerste deel van de Opstand en Tachtigjarige Oorlog wist men vaak niet wie vriend of vijand was. De strijd kon nog elke kant uitgaan en niemand had een glazen bol. Maar wie niet wilde kiezen of neutraal wilde blijven kon niettemin ongewild slachtoffer worden van het zwart-wit denken uit die periode. De strijd tegen de “Spanjaard” verbond de binnenlandse partijen die elkaar met zeer uiteenlopende motieven het leven zuur maakten.

In een derde, geheel andere rol tijdens deze periode is Hendrick uitvoerder van het testament van zijn broer Claes. Hij is niet zelf belanghebbende maar verdedigt de ervende kinderen van Claes, waarvan de meeste nog minderjarig zijn. De zaak speelt zich af voor het Hof van Holland vanaf 1577.  Ermpje, de weduwe van de Noordwijkerhoutse schout Willem Jacobszoon van Oringen heeft vanaf 1572 een rente over een lening bij de familie Van der Laen vijf jaar lang niet betaald. Het zijn precies de vijf heftigste jaren uit de strijd om de Hollandse steden en menige inwoner uit de regio was gevlucht of raakte inkomsten en bezittingen kwijt. In 1569 was haar man nog opnieuw benoemd als schout voor drie jaar en het lijkt gezien het jaar van de eerste achterstallige betaling er dan ook op dat hij kort voor 1572 is overleden. Ermpje ziet geen enkele manier om Hendrick van de Laen te betalen. Letterlijk vertelt zij hem: “Ick hebbe inder werelt niet waer mede ick mach betaelen, mijn kinderen hebbe huer noeyt gemoeyt met huer ouders erve, aldus moocht ghij ’t land vercoopen”.

Van haar kinderen komt inderdaad geen steun en Hendrick en deurwaarder IJsbrant Starck zet het proces tot onteigening en verkoop in gang bij het Hof. Ermpje bezit een woning met een paar duizend m2 grond aan het Noordwijkerhoutse Westeinde dat wordt omgeven door landerijen van de erfgenamen Van der Laen. Zelf woont de weduwe dat jaar in Noordwijk, mogelijk was dat bij haar dochter Alijt. De informatie over de aankomende verkoop wordt dan ook afgekondigd in dat dorp tijdens de gebedsdienst en door het ophangen van een biljet bij de Noordwijkse kerk. Dit was mede omdat dit deel van het Westeinde in een andere parochie lag dan de Noordwijkerhoutse Witte kerk. Ook zien we hier opnieuw via een document bevestigd dat de drie wekelijkse afkondigen van een verkoop in die Witte Kerk niet kon plaatsvinden omdat het gebouw grotendeels afgebrand was en er geen diensten werden gehouden, dus ook geen gereformeerde bijeenkomsten. Traditioneel werd ook in Leiden op het stadhuis de verkoop aangekondigd, een veiling die uiteindelijk in herberg “In de Meerminne over de Craen” gehouden wordt.

Daniël Jacobszoon, een houthandelaar uit Leiden wordt eigenaar op de veiling. Echter is daarmee de verkoop nog niet rond want er melden zich twee schuldeisers. Adriaen Mourijnszoon de Grebber, rentmeester van het klooster Leeuwenhorst heeft nog een flink bedrag tegoed aan rente en landhuur en dat geldt ook voor Maritje Willemsdochter uit Leiden. Beiden hebben over dezelfde vijf jaar geen betaling van Ermpje ontvangen. Het recht voorzag in zulke kwesties dat partijen bij elkaar geroepen werden om een oplossing te bedenken. Het leidt er in dit geval toe dat twee procureurs van Holland eigenaar worden van hetzelfde huis voor een bedrag dat vijf keer hoger lag dan op de veiling door de Leidse houthandelaar was geboden. Deze procureurs waren de vertegenwoordigers van de schuldeisers dus hier lijkt sprake van een onderlinge afspraak om schulden en opbrengst tegen elkaar weg te strepen. Mogelijk was dat met de hoop dat gezamenlijk bezit van de woning en landerijen uiteindelijk meer geld zou kunnen opbrengen als de rust terugkeerde in het land. De woning is inderdaad later verkocht, maar het is niet bekend wanneer precies en voor hoeveel. Deze kwestie is niet de enige zaak waarin Hendrick van der Laen namens de erfgenamen van zijn broer een schuld moet innen bij mensen die het gezien de omstandigheden nooit zouden kunnen betalen

Tenslotte de vierde kwestie uit de periode van de Troubelen waar Hendrick mee te maken kreeg en de directe aanleiding vormde voor het verhaal over deze Voorhoutse jonkheer. Het geeft ons enkele details over de komst van Geuzen naar de regio. Roelant van der Duijn, soldaat onder de heer Van Assendelft geeft bij het gerecht van Leiden aan geld tegoed te hebben van zijn voormalige werkgever Hendrick van der Laen. Op Vastenavond 1571 zou Roelant door Hendrick aangenomen zijn om een jaar lang dienst te doen als knecht. Kort daarna zou Roelant op de donderdag voor Palmpasen hebben gehoord dat een groep Geuzen bij Noordwijk aangekomen was en heeft hiervoor zijn meester Hendrick gewaarschuwd. Hierna heeft hij Hendrick geholpen om wat roerende goederen in te pakken waarna de familie Van der Laen naar Leiden was vertrokken. Hendrick had hem een “springstock” (polsstok) gegeven en gevraagd na te gaan waar de Geuzen zich precies bevonden en waar zij zich mee bezig hielden. De stok was misschien bedoeld om een route via weilanden te kunnen gebruiken en daarvoor sloten over te kunnen steken. Hierna zou hij naar Leiden moeten komen om verslag uit te brengen.

Bij Noordwijk aangekomen zou Roelant al snel begrepen hebben dat de Geuzen naar Katwijk waren getrokken. Hij was de groep op afstand gevolgd maar toen hij wilde terugkeren was hij door hen “aechterhaelt, overvallen en geapprehendeert”. Vastgehouden door de Geuzen die hem dreigden te doden tenzij zijn meester hen vierhonderd daalders losgeld zouden betalen heeft hij Hendrick dit “schriftelijk” laten weten. Maar betaling blijft achterwege en daarom wordt Roelant in ijzeren boeien geslagen en opnieuw gedreigd opgehangen te worden. Hij had de Geuzen gebeden en gesmeekt hem dan maar mee te nemen naar zee en is hierop op een “vlot” terecht gekomen waarna hij na vele “periculen” (gevaren) doorstaan te hebben vrijgekomen zou zijn uit de gevangenschap bij de Geuzen op Pinksterdag. Hierop zou hij in Engeland nog meerdere keren opgepakt zijn en vervolgens ook nog in Calais en Grevelingen. In Duinkerken zou hij door de Spanjaarden gevangen gehouden zijn en ook nog tussen Nieuwpoort en Brugge. Uiteindelijk zou hij vastgezet zijn in Rijssel, waar hij volgens eigen woorden door “godtshulp” kon ontsnappen en terug kon keren naar zijn broodheer Hendrick van der Laen op 29 juli 1571. Maar Hendrick had intussen iemand anders in dienst genomen en weigerde hem te compenseren voor geleden emotionele schade, reis- en verblijfkosten en achterstallig salaris. Geld voor zijn reis en verblijf had Roelant kunnen lenen van enkel “goede lieden uit Delft”. Hij had hen uit de erfenis van zijn moeder terug betaald. Roelant eist 26 gulden voor deze kosten en 3 Vlaamse ponden werkloon van zijn voormalige broodheer plus nog eens 100 daalders compensatie voor de “dodelicke periculen” die hij doorstaan had.

Hendrick geeft in zijn verweer toe dat hij Roelant in dienst genomen had en deze hem op zekere dag verteld had over de komst van Geuzen naar Noordwijk. Hij had die dag met hem ontbeten en Roelant had zelfs nog een glas bier gevraagd aan de dienstmeid. Er was door Hendrick zeker geen opdracht gegeven om de gangen van de Geuzen na te gaan, dat was iets wat Roelant aangegeven had zelf te willen doen, daarbij aantekenend dat hij niet wist of hij terug zou komen. Hij was vervolgens direct vertrokken en uit berichten had Hendrick later begrepen dat hij met de Geuzen de zee op was gegaan. Bij zijn terugkeer op de 29e juli 1571 had Hendrick hem verteld een andere knecht in dienst te hebben genomen, waarna de twee in goede vriendschap uit elkaar waren gegaan. Het geding tussen de twee kemphanen speelt pas een jaar later. De schepenen van Leiden besluiten na beide verhalen aangehoord te hebben dat Hendrick alleen het bedrag aan achterstallig salaris schuldig was tot aan de dag van het vertrek van Roelant richting Noordwijk, Katwijk en de zee.

De avonturen van Roelant komen ongeloofwaardig over maar hij verdient het voordeel van de twijfel want zo’n detail als de polsstok verzin je toch niet zo snel. Waar of onwaar, het neemt niet weg dat elementen uit zijn verhaal historisch relevant zijn en bevestiging leveren van bijvoorbeeld de landing van Geuzen bij Noordwijk en Katwijk met bijbehorende datums. In andere verhalen op deze website zijn de gevolgen voor burgers en boeren in Noordwijkerhout al eens aan bod gekomen. Hier zien we via Hendrick een man uit een hogere sociale klasse die op zijn beurt op heel verschillende manieren met de gevolgen van de ontworsteling van het land aan het Spaanse gezag te maken krijgt. Je documenten moeten begraven, te maken krijgen met een claim van een knecht met veel fantasie, langs moeten gaan bij een weduwe die het nog veel armer heeft dan jij zelf en belangrijke inkomstenbronnen kwijtraken omdat je verdacht wordt van steun aan de Spaanse koning, terwijl je juist geen partij had willen kiezen. We zullen het karakter van Hendrick van der Laen nooit kunnen doorgronden maar de gebeurtenissen rond zijn persoon maken eens te meer duidelijk dat het voorspel en het begin van de Tachtigjarige Oorlog gekenmerkt werd door grijze en niet door zwart-wit beelden, de interpretatie die er helaas maar al te vaak van deze periode gegeven wordt. Is dat om het eenvoudig te houden?

“You can’t handle the truth” (Jack Nicolson in: A few good men)

Juli 2026 Jan Duivenvoorden

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.