Het verbod op de openlijke uitoefening van de katholieke eredienst in 1573 leidde het einde in van het klooster Leeuwenhorst aan de Leeweg in Noordwijkerhout. Aanvankelijk werd het kloosterbezit “geannoteerd” door de nieuwe Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en afhankelijk van de politieke of religieuze voorkeur van de Hollanders van de zeventiende eeuw was dat uit te leggen als op naam gesteld, overgenomen of geconfisqueerd. Maar de Ridderschap Holland, waarvan aangesloten families eeuwenlang het klooster hadden ondersteund met giften wist het eigendom van het omvangrijke onroerend goed van het klooster na zo’n zeven jaar discussie toch veilig te stellen. Dat was kantje boord en vooral te danken aan de verdiensten van leden van deze Ridderschap tijdens de Opstand tegen de Spaanse koning Philips de Tweede. Aanvankelijk werden de inkomsten uit het kloosterbezit door de Ridderschap nog toegekend aan de laatste nonnen van het klooster die in Leiden woonde. Maar vanaf circa 1576 werden ook al uitkeringen verstrekt aan ongetrouwde dochters uit de aangesloten families. In feite was dit een voortzetting van de middeleeuwse gewoonte om de adellijke juffers in het klooster met een goede opleiding voor te bereiden op een huwelijk. Mochten ouders geen geschikte kandidaat weten te vinden, dan bleven de dames in het klooster “opgeborgen”. Om toerbeurt mochten Ridderschapsfamilies een ongetrouwde dochter aandragen, hetgeen uiteindelijk leidde tot lange lijsten van vergoedingen of “alimentaties”, een systeem dat twee eeuwen stand heeft gehouden. Het uitkeren van deze zogenaamde proven of prebenden aan de jonkvrouwen vormde de belangrijkste post in de financiele administratie. Overigens lieten ook de beherende of besturende Ridderschapsleden zich vorstelijk betalen. Begin 19e eeuw wordt het kloosterbezit op veilingen aangeboden en wordt een lange lijst weilanden en akkers tegen de spotprijzen van die tijd verkocht.
Van de naam Leeuwenhorst wordt breed aangenomen dat deze niets met de koning der dieren te maken heeft maar verbonden is met de Lee, een middeleeuws riviertje, slootje of wetering. Eigenlijk zouden we deze historische vergissing eenvoudig kunnen herstellen, maar misschien is het leuker om de naam juist te handhaven als “quilty pleasure”, iets waarvan je juist kan genieten omdat je weet dat het zo fout is. Leeuwenhorst is niet het enig voorbeeld van een regionale naam, die aanleiding vormt voor vragen. Zo zijn er geen afdoende verklaringen te vinden voor de namen De Zilk, Gooweg, Puikendam, Duinschoten, Paardenkerkhof en Ter Lucht. In het geval van Leeuwenhorst levert het Nationaal Archief ons een interessante discussie uit de 18e eeuw over de naam. Advocaat Drijfhout is gevraagd onderzoek te doen naar de oorspronkelijke schrijfwijze van de naam. Hij heeft in 1777 zijn opdracht serieus opgepakt en er flink werk van gemaakt. Hij stelt een lijst op van de oudste vermeldingen van de naam in de kloosterarchieven. Deze oudste charters of akten van de graven van Holland en het klooster Leeuwenhorst waren toen niet zo mooi centraal opgeslagen als nu het geval is, dus maakte hij gebruik van oude inventarisaties van die archieven die al in boekvorm waren verschenen. Dat zijn bewerkingen en daar moeten we voor uitkijken want de samenstellers daarvan kunnen originele teksten anders gelezen hebben dan we tegenwoordig zouden doen. Vandaar dat we de vondsten van Drijfhout geverifieerd hebben aan de hand van de originele charters uit het Nationaal Archief.
Die charters rond het klooster Leeuwenhorst dateren vanaf de jaren 1259/1261. De broers Van Alkemade uit Sassenheim schenken grond in Noordwijkerhout met de bedoeling daar een klooster te kunnen bouwen voor de orde van cisterciënerinnen nonnen. De werkelijke bouw vindt overigens pas plaats na 1274. In dat jaar is nog sprake van de “novelle plantationis lewenhorst”. Novelle plantationis valt te vertalen als nieuwe stichting, plantage of bouwgebied. Twee jaar daarvoor was bepaald dat de bouw binnen zes jaar moest zijn voltooid. We mogen er dus vanuit gaan dat de bouw pas na 1574 voltooid is, maar opvallend is dat het “w-tje” in de vermeldingen Lewenhorst ons al vanaf het begin van het klooster op het spoor zet van de koning der dieren, de leeuw.

Omdat vóór het voltooien van de bouw van het klooster al sprake is van de naam Lewenhorst kunnen en mogen we niet uitsluiten dat het stuk grond waar het klooster op gebouwd is al eerder de naam Lewenhorst droeg. In de jaren na 1275 is vaak sprake van het gebouw als “convente”.Terwijl uit de eerste charters blijkt dat al vanaf het begin de naam “lewenhorst” gebruikt wordt, is er tegelijkertijd ook sprake van “ter lee”, “der lee” en “in le”. Met name de nonnen of abdis worden vaak aangeduid met deze drie “lee”-termen, pas in later eeuwen worden zij met de naam Leeuwenhorst genoemd. Er zijn ook nog enkele varianten in schrijfwijzen, zoals met toevoeging van de letter “y”. Waar men die y dan vandaan haalt is onduidelijk maar zo’n toevoeging zou vergelijkbaar kunnen zijn me het w-tje dat gebruikt wordt. Het is vooral deze letter w die in het woord leeuw voorkomt die verwarring zaait. Vanuit taalgevoel geredeneerd zou die letter w toegevoegd kunnen zijn om de uitspraak van Leehorst makkelijker te maken, zoals wij nu nog vaak in woordverbindingen een s toevoegen. Het gebruik van die verbinding-ss-en in onze huidige taal is niet aan strakke eisen verbonden. Zo schrijven we bijvoorbeeld “rechtbank” naast “rechtsstaat”, waar “rechtstaat” logischer lijkt om verwarring tussen recht en rechts te voorkomen. Een staat is immers niet per definitie rechts. Bij veel verbasterde woorden of termen doen die niet direct denken aan het oorspronkelijke woord. Mooi voorbeeld is de eerste predikant van Noordwijkerhout, dat was Johannes van der Schelling. Die kwam van? Juist ja, Terschelling. Deze eilandnaam werd een paar eeuwen geleden niet gebruikt. Men kwam van of woonde op Schelling.
Het gedeelte “horst” is goed te verklaren. Het klooster stond net als boerderijen en kastelen uit die tijd op een wat hoger gelegen stuk grond om droge voetjes voor de nonnen te garanderen maar ook weer niet te ver verwijderd van het water van de Maandagse Wetering en de Swet, de voorganger van de Trekvaart. Naast horst komen we in onze regio ook namen met “krocht of kroft” tegen, eveneens een aanduiding voor hoger gelegen gebied. En er zijn ook “bergen”, al moet de gemiddelde Zwitser daar hard om lachen. Conclusie: het is dus zeker niet zo dat de plaatsaanduiding “ter lee” later aangepast is naar “lewenhorst” en vervolgens nog eens verder verbasterd tot “leeuwenhorst”.Ter Lee, In Lee en Lewenhorst kwamen naast elkaar in dezelfde periode voor. De naam Leeuwenhorst lijkt logisch geredeneerd niet meer dan een verbastering van de oorspronkelijke plaatsaanduiding Leehorst. Want laten we eerlijk zijn: hoeveel leeuwen liepen er nu rond aan de Leeweg in het jaar 1261?

April 2026 Jan Duivenvoorden
