Je bekijkt nu De prinses en de student
Boekhorstwapen van Nicolaas de Stoppelaar links. Zijn familiewapen rechts

De prinses en de student

De trieste twist rond Heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst 1772-1785

De uitdaging bij historisch onderzoek is om zo dicht mogelijk bij de mens achter beschreven gebeurtenissen te komen. Zo dicht mogelijk, want geschiedschrijving blijft vooral een kwestie van interpretatie van gebeurtenissen. Een muur gebouwd met feiten als bouwstenen is niets waard als het cement ontbreekt. Mensen vormen dat cement, ondoorgrondelijk en onberekenbaar als zij vaak zijn. Zoals Nicolaas Cornelius de Stoppelaar, misschien de meest interessante inwoner van Noordwijkerhout uit haar lange geschiedenis. In honderden bladzijden archief komen we hem tegen. Een turbulent leven en een karakter dat maar moeilijk in woorden te vangen is. Hij blijft je verrassen.

Nauwelijks droog achter de oren kruist het pad van deze Leidse student dat van een jonge, rijke Vlaamse prinses bij de verkoop van de Heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst in september 1772. Juist de man die de ruïne van het kasteel en de heerlijkheid haar oude luister terug had kunnen geven leidde haar definitieve einde in. Met dat idee als uitgangspunt voor dit verhaal moeten we eerst terug naar een eerder kantelpunt in de geschiedenis van het kasteel. De dood van jonkvrouw Anna van Woerden van Vliet in 1624 vormde de afsluiting van een halve eeuw waarin kasteel en heerlijkheid de Boekhorst tot volle bloei kwam. Met haar man Andries van Bronckhorst genoot zij van het kasteelleven aan de Langevelderweg in Noordwijkerhout. Het onroerend goed werd door dit echtpaar uitgebreid en het kasteel verbeterd en van een nieuwe toegangspoort voorzien.

De broer van Andries, Willem van Bronckhorst ontvangt als enig erfgenaam het kasteel en heerlijkheid van zijn schoonzuster Anna. Willem werd hiermee in één klap een vermogend man met bezit in Holland en Vlaanderen. Maar belangrijke verandering voor het kasteel is dat het niet langer bewoond werd vanaf deze nieuwe eigenaar. Daarmee werd een periode van ruim 100 jaar aan langzaam verval ingezet, ondanks het beheer door een kastelein, waaronder meerdere Noordwijkerhouters.

Willem van Bronckhorst trouwt een Vlaamse dame, Maria van Warlusel. Het echtpaar krijgt twee dochters die na de dood van hun ouders het Boekhorstbezit verdelen. Maria Anna wordt met haar man Charles van Bourgogne eigenaar van het kasteel en de heerlijkheden de Hooge en Laage Boekhorst. Haar zus Adriana Francoise van Bronckhorst krijgt in Holland en Vlaanderen gelegen goederen uit haar ouders nalatenschap. Hoe het eigendom van het kasteel, de heerlijkheidsrechten en overige onroerende goederen in Holland, Zeeland en Vlaanderen precies vererven onder de erfgenamen van deze twee zussen is nog in onderzoek. Eerdere publicaties zoals de leenregisters vertonen hiaten, maar reeds gevonden aanwijzingen leiden hopelijk naar een compleet beeld dat later op deze website wordt toegelicht.

Tekening van het praalgraf of grafmonument van Willem van Bronckhorst en Maria van Warlusel, ovl. resp. 1635 en 1636

Feit is dat het kasteel en de heerlijkheden de Hooge en Laage Boekhorst vanaf 1712 in handen komen van een Vlaamse erfgenaam in de persoon van Maria Anna Scholastica van den Tymple, prinses van Rubempré. Niettemin liep vanaf circa 1707 al een proces over Vlaamse erfgoederen op initiatief van Schelto Willem van Bronckhorst. Hij woonde in Sassenheim korte tijd op het huis Sassigt, nu het Oude Koningshuis. Die Vlaamse onderdelen maakten oorspronkelijk deel uit van de erfenis van Willem van Bronckhorst en Maria van Warlusel.

Schelto, een ver familielid van Willem en Maria maakt het voortzetten van dit proces onderdeel van zijn testament uit 1727 waarin drie leden van zijn Fries/Groningse familie de enige erfgenamen worden maar zijn verre nicht Wilhelmina van der Laen een groot legaat krijgt toebedeeld. Schelto heeft hiertoe een ingewikkelde constructie bedacht die zijn nicht Wilhelmina zekerheid moet bieden. Zelf is zij in het jaar van zijn dood nog maar zeven jaar oud. Het naleven van het testament van Schelto Willem van Bronckhorst vormt de basis voor een conflict dat nog zo’n 40 jaar binnen de familie zal woeden. De juridische strijd tussen Vlaamse, Fries/Groningse en Hollandse partijen wordt op meerdere fronten gevoerd in langdurige processen. Die eindigen rond 1765 met herschikking van eigendom en betaling van afkoopsommen.

Dat zo’n strijd de betrokkenen anders leert denken over de waarde van de betwiste onroerende goederen ligt voor de hand al kunnen we persoonlijke gedachten hierover niet op papier terugvinden. Toch zijn er concrete aanwijzingen dat het Vlaamse deel van de familie van haar bezit in Holland af wilden. Kort na het begraven van de strijdbijl, in december 1764 worden op de Burcht in Leiden twee boerderijen verkocht door Barnabé Emanuel Joseph de Villegas en zijn echtgenote Wilhelmina Theresia van der Laen, de nicht van Schelto van Bronckhorst. Zij was in 1751 getrouwd met de Vlaming Barnabé.

Nu behoorden zij niet tot de tak van de Vlaamse familie die eigenaar was van het kasteel. Hun boerderij Sprockelenburg dat ten zuiden van het kasteel stond werd door Willem van Bronckhorst in 1614 gekocht en levert deze erfgenamen precies 150 jaar later 1000 gulden op. Kijkduin aan de Duinweg in Noordwijk, aangekocht in 1589, krijgt voor 2080 gulden een nieuwe eigenaar. Het echtpaar Villegas was daarnaast nog eigenaar van vele weilanden en akkers in Noordwijk en Noordwijkerhout, vooral rond de Boekhorst. Als reden van verkoop wordt onder andere genoemd dat de kosten de baten overschreden. En de markt voor agrarisch onroerend goed vertoonde al tijdenlang een dalende trend.

Naast de langdurige twist rond de nalatenschap van haar verwanten en lage opbrengsten zijn er mogelijk andere omstandigheden geweest die de prinses de Rubempré in 1772 deed besluiten haar kasteel en heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst te verkopen. We kunnen het hier niet nalaten om even te laten zien hoe men omging met haar karrevracht aan titels die in documenten worden genoemd:

“… de hoogedele, welgeboore vrouwe Maria Josepha, gravinne van Merode ende van het heilige Roomse rijk, geboore Princesse van Rubempré ende van Evensberg, marquise van Westerloo ende van Trelon, gravinne van Vertaing,Vertin, Vestinoeul et Aubigne etc etc…”. De toevoeging etc, etc is veelzeggend, men had weinig zin in de ellenlange titels en struikelde nogal eens over de schrijfwijze van de diverse namen. We zullen haar hier blijven benoemen als “de prinses” of “prinses de Rubempré”, zoals zij afgekort staat vermeld in documenten.

De prinses trouwde nog geen 16 jaar oud in 1759 met Philippus Maximilianus graaf van Merode en van het heilige Roomse Rijck (etc, etc….). Zij kreeg met hem vier kinderen, maar nog geen 30 jaar oud is zij al weduwe, want Philippus overlijdt in januari 1773. Een maand later verliest de jonge prinses haar vader Maximilliaan. Beiden zijn binnen drie maanden na de verkoop van de beide Boekhorsten overleden, dus mogelijk dat een voorziene dood van haar echtgenoot of haar vader een rol gespeeld heeft bij het besluit tot onderhandse verkoop.

Een andere invloedsfactor is de staat van onderhoud en waarde van het kasteel. Uit een belastingoverzicht van 1732 weten we dat het kasteel door het dorpsbestuur van Noordwijkerhout als onbewoonbaar was afgeschreven. Daardoor viel de belasting op de huurwaarde van het gebouw nagenoeg weg, maar voor de landerijen moest jaarlijks toch de nodige belasting afgedragen worden. Acht jaar later zouden volgens een onbekende historische bron kisten met documenten, wapenborden en zwaarden uit een kelderruimte naar Brussel afgevoerd zijn. Hoewel het kasteel nog lang nadat het verlaten was in 1625 beheerd werd door een kastelein mogen we een stevige kanttekening bij dit verhaal plaatsen, vooral als het gaat om de kisten met documenten. Het is moeilijk voor te stellen dat waardevolle documenten onbeheerd in een tot ruïne vervallend kasteel waren achtergebleven.

De eigendomsrechten van de Boekhorstgoederen zijn bij nalatenschappen overgedragen aan verschillende takken van de familie. Zo worden in de inventaris van de overleden Schelto Willem van Bronckhorst uit 1728 zeven documenten gevonden met betrekking tot leenrechten in Holland, afkomstig van Maria van Warlusel, de in 1636 in Gent overleden weduwe van Willem van Bronkhorst. Helaas staat er niet bij op welke goederen de brieven betrekking hadden. Maar het toont aan dat eigendomspapieren bij vererving of verkoop overgedragen werden aan de nieuwe eigenaar.

1728 uit de inventaris van de nalatenschap van Schelto Willem van Bronckhorst; 7 oude leenbrieven van Maria van Warlusel

Ondanks twijfel die we mogen hebben over de aanwezigheid van documenten in het kasteel de Boekhorst in 1740 valt op dat in de processen over de nalatenschap van Schelto van Bronckhorst enkele keren sprake is van de overdracht van meubelen uit de huize van Boekhorst. Dat zou dan weer wel passen in het verhaal van het leeghalen van het kasteel. Die meubelen zouden dan mogelijk ruim 100 jaar na de dood van Anna van Woerden van Vliet nog altijd in het kasteel de Boekhorst gestaan hebben. Vlak voor de afbraak zouden zij dan weggehaald zijn. In 1743 wordt immers door dorpsbestuurders aangetekend dat het kasteel “geamoveerd” is, hetgeen duidt op afbraak van het gebouw of in ieder geval de start van de sloop, want zo’n imposant gebouw met metersdikke muren breek je niet zomaar af. Je moet bijvoorbeeld afnemers zien te vinden voor de vrijgekomen materialen, die zeker restwaarde gehad zullen hebben.

De kans is groot dat de prinses de Rubempré haar kasteel en heerlijkheid de Boekhorst zelf nooit bezocht heeft. In financieel opzicht leverde het kasteel weinig op; het bijbehorende land betrof vooral duin en “wildernis” die verpacht werden voor de konijnenjacht. Alleen de verhuur van twee boerderijen, “de Wraa” en “de Hooge Boekhorst” leverden honderden guldens per jaar op. Hier tegenover stonden lasten zoals belastingen en erfpachten met tarieven die in de 18e eeuw flink gestegen waren. Per saldo praten we over winsten ruim beneden de 1000 gulden per jaar, voor deze rijke Vlaamse familie niet bepaald een reden om enthousiast te blijven over het Hollandse bezit.

Misschien dat de prinses bij de beslissing tot verkoop van de Boekhorst ook nog een emotionele horde moest nemen omdat haar overgrootmoeder Anna Maria Scholastica van den Tymple, ook prinses van Rubempré, in haar testament van 1707 nog wel zo nadrukkelijk had bedongen dat haar familie alle bezit zoveel mogelijk moest conserveren (bijeenhouden) en dat het haar intentie was dat “haare goederen tot in eeuwigen daage in mijne famille en aan mijne descedenten verblijven”. Een voorbeeld van het naleven van deze intentie is dat onze jonge prinses de Rubempré in 1769 nog altijd een oude mannenhuis in Alkmaar ondersteunde, het “Huis van Zessen”. Dat was een initiatief van Anna van Woerden van Vliet in haar testament van 1624 met als wens dat haar erfgenamen de financiële hulp zouden voortzetten. En die hulp bestond ten tijde van Anna ook al tientallen jaren.

Onduidelijkheid rond eigendommen.

Maar wat wilde en kon de prinses de Rubempré nu eigenlijk verkopen? Tijdens het onderzoek naar de verkoop van 1772 ontstond de indruk dat het voor alle betrokken partijen misschien niet even duidelijk was wat wel en niet onderdeel van de koop was. Naast het eigendom van akkers, weilanden en gebouwen betrof dit uit de Middeleeuwen stammende leengoederen en heerlijkheidsrechten.

In het verre verleden kon een landsheer, in dit geval de Graaf van Holland, zijn trouwe vazallen belonen met het eigendom of gebruik van percelen land of met het recht om in een bepaald gebied verregaande bevoegdheden uit te oefenen in bepaalde zaken. Belangrijk was de rol als deelnemer of rechtspreker in processen, zowel zakelijk als tegen personen aangespannen. Maar ook het benoemen van mensen in openbare functies gaf de houder van het heerlijkheidsrecht status en wat inkomsten. Te denken valt aan baljuw, schout, predikant, koster en schoolmeester. Met betrekking tot hun rechtsgebied, de heerlijkheid, werd nog onderscheid gemaakt tussen hoge en lage heerlijkheden, naarmate het oordeel van de heer (of vrouwe) een zwaardere of doorslaggevende rol had bij het berechten van criminelen of bij het aanstellen van functionarissen.

Voor dit verhaal is van belang dat de Heerlijkheid van de Hooge en Laage Boekhorst twee uiteen liggende gebieden betrof en dat het een zogenaamde “vrije” of allodiale heerlijkheid was. Dit houdt in dat het onroerend goed dat aan het heerlijkheidsrecht verbonden was ook daadwerkelijk eigendom was van de heer of vrouwe, die er vrijelijk over kon beschikken. Daarnaast kon men rechten claimen op onroerend goed binnen de heerlijkheid die geen eigendom waren, de zogenaamde achterlenen. Dit waren min of meer ceremoniële rechten met wat inkomsten of “hulde” als zij overgedragen werden.

De Hooge Boekhorst rond het kasteel in Noordwijkerhout en de Laage Boekhorst in het gebied ten oosten van Warmond vormden een hoge heerlijkheid. Met betrekking tot de Laage Boekhorst zijn de omschrijvingen vrij helder. Het heerlijkheidsrecht was gevestigd op circa 50 morgen of ruim 42 hectare aan weiland en bos waarbinnen 6 woningen en 8 landerijen als achterleen geboekt stonden. De gebruikers daarvan waren eigenaar van hun perceel maar dienden bij overdracht van het achterleen aan een nieuwe leenheer een klein bedrag te betalen. Meer hield dat achterleen niet in. In de Laage Boekhorst stond slechts één boerderij met ruim 17 hectare of 21 morgen aan landerijen waarvan het eigendom direct onder het allodiaal heerlijkheidsrecht viel. Die boerderij speelt nog een belangrijke rol in dit verhaal. Bij de Hooge Boekhorst was de situatie aanmerkelijk ingewikkelder. De allodiale heerlijkheidsrechten hadden betrekking op het kasteelterrein en een viertal percelen. Dit alles zou met elkaar slechts zo’n 10 morgen en 400 Rijnlandse Roeden groot zijn ofwel ruim 9 hectare. De beschrijving uit het Repertorium op de Grafelijke lenen in Rijnland luidt globaal:

Het land Hoge Boekhorst met woning, toren hofstede, boomgaarden, keuken, poorthuis, bijhuizen, nederhof, singels, lanen en grachten. Ten westen eertijds Gerard die Bloot, ten oosten de wetering, ten zuiden de scheiding van de wildernis van Haarlem, heer Dirk Bertout en de kinderen van Dirk van Kerkwerve en ten noorden het land, genaamd Made. Met vier stukken land daaraan genaamd Hoge Varincharst, het Lage land, de Hoge Weide en een perceel ten westen van de poort van het huis.

Daarnaast behoorden er de nodige landerijen rond het kasteel tot het oorspronkelijk eigendom van de familie Van Bronckhorst/Van Woerden van Vliet. In de advertentie voor de onderhandse verkoop van de Boekhorst in september 1772 valt in de eerste plaats op dat de Laage Boekhorst wel als heerlijkheid wordt genoemd terwijl voor het bezit in Noordwijkerhout alleen sprake is van “de hofstede of woning De Wraa, anders den Huize Te Boekhorst ende zijn toebehoren alsmede de leenboeke van deze huize”. Ook de rest van de advertentietekst werpt vragen op. Zo wordt “een kapitaale wooninge van het Huys Te Boekhorst” genoemd, bestaande “uit een woon – en bouwhuijzinge, stallinge, schuur, wagenhuijs, hooijbargen, boomgaard, bepootinge en beplantinge, met diverse weij- hooij- en teellanden, met den anderen groot ruim zes dertig morgen…”. Hier wordt dus het kasteel beschreven maar vraag is welke “bouwhuijzinge” of boerderij hier dan bedoeld werd. Boerderij de Wraa was al genoemd en daarmee lijkt het alsof boerderij de Hooge Boekhorst onder de koop zou vallen. Die boerderij is echter nooit verkocht maar tot 1834 bezit gebleven van de Vlaamse familie.

Verkoopadvertentie De Boekhorst september 1772, de tekst wijkt af van latere documenten

Deze advertentietekst wijkt ook duidelijk af van de inhoud van het voorlopig koopcontract dat wordt opgesteld in dezelfde maand september, daarin wordt de Hooge Boekhorst wel degelijk een heerlijkheid genoemd. Toch blinkt ook die notarisakte niet uit door nauwkeurige weergave van de verkochte percelen en daarop berustende rechten. Probleem is dat naast de allodiale goederen uit de grafelijke registers er in het gebied ook leenrechten waren die de (voormalige) abdij van Egmond toebehoorden of de hofstede van IJsselsteijn. Bovendien liep de grens tussen Noordwijk en Noordwijkerhout dwars door dit gebied. Geen heldere situatie en dat zal op de achtergrond een rol spelen bij de officiële overdracht. Maar voor het zover was hadden beide dorpen al een stevige kennismaking met Nicolaas de Stoppelaar achter de rug.

Het voorlopig koopcontract uit september 1772 bevat slechts drie geschreven bladzijden, 1 blz is nodig om alle titels van Vlaamse prinses en haar man te beschrijven, 1 blz voor de Laage Boekhorst 1 voor de Hooge Boekhorst, hier weergegeven. Een summiere weergave van het Noordwijkerhouts bezit, dat ook nog eens aanleiding geeft tot verwarring: wat was wat?

Een wervelende intrede in het dorp Noordwijkerhout.

Zou Nicolaas de Stoppelaar anno 2021 zijn C.V. hebben moeten schrijven dan was dat ongetwijfeld een uitgebreid verhaal geworden, want in bescheidenheid blonk hij niet uit. Hij werd als oudste kind van Antonius de Stoppelaar en Anna Rijcken geboren in april 1747. Zijn vader was kerkgeleerde en predikant in de kleine gereformeerde gemeenschap van Oudenbosch, een dorp dat net als de rest van Brabant overwegend katholiek was. De verbondenheid met Noordwijkerhout en Bollenstreek is terug te voeren op de familie van zijn oma, Johanna Christiaensdochter Mens. De familie Mens leverde schouten en secretarissen voor de dorpen Hillegom, Noordwijkerhout en Bennebroek. Maar ook Quirijn van der Maes, baljuw van vier Bollenstreekdorpen is verwant aan deze familie.

Van het grote gezin waarin Nicolaas opgroeide zouden slechts vier van de tien kinderen volwassen worden. En van die vier stierven Nicolaas en Geertruid op middelbare leeftijd. Met een familiestamboom waarin veel meesters in de rechten en predikanten voorkomen is het niet vreemd dat oudste zoon Nicolaas een juridische opleiding gaat volgen in Leiden en zijn broer Joan studeert om predikant te worden. Naast zijn opleiding was het voor Nicolaas al op jonge leeftijd mogelijk een aanvraag in te dienen bij de Staten van Holland en West-Friesland om als notaris in dit gewest toegelaten te worden. Hiervoor doet hij onder andere als klerk ervaring op bij Paulus Hoijnck van Brakel, procureur bij het Hof van Holland en Hoge Raad. In december 1768 volgt zijn aanstelling. Een maand later schrijft hij zijn eerste akte uit als notaris in zijn woonplaats Den Haag. Hij is dan nog altijd onvolwassen, slechts 22 jaar oud. Twee jaar later wordt hij vervroegd volwassen verklaard middels een “venia-aetatis”-verklaring.

Voor onze begrippen is het opmerkelijk dat iemand de verantwoordelijke positie van notaris mag invullen op zo’n jonge leeftijd. Nog verwonderlijker is het dat dezelfde jongeling in Noordwijkerhout en omgeving op grote schaal onroerend goed aan kan kopen, waarbij hij soms vermeld wordt als student aan de Leidse universiteit. Bij een onvolwassen, nog studerende persoon zou je van verkopers en bestuurders verwachten dat zij uit voorzichtigheid om een borgstelling bij aankopen hadden gevraagd, maar die zijn niet te vinden in akten. Waarschijnlijk betaalde Nicolaas contant en ontsloeg dat de bestuurders van het dorp van de verantwoordelijkheid om een borg te vragen.

Vanaf 1768 werkt Nicolaas de Stoppelaar aan de opbouw van een flink bezit aan onroerend goed, te beginnen met de aankoop van boerderij de Kokmeeuw aan de Herenweg. Hierna volgen hofstede de Vier Schoorstenen, het Rechthuis van Noordwijkerhout en tientallen hectaren aan weilandpercelen. Eind 1770 heeft hij bij elkaar voor ruim 10.000 gulden uitgegeven. Voornamelijk uit eigen middelen want uit die jaren kunnen we slechts één geldlening terugvinden. Alida van Banchem, weduwe van een Leidse burgemeester, leent hem 2.000 gulden met als onderpand zijn vaste goederen in Noordwijkerhout. Zijn ouders waren beslist niet onbemiddeld, niettemin spreken we over een flink bedrag dat uit eigen zak moest komen. Ook de inwoners van Noordwijkerhout zullen zich afgevraagd hebben hoe “zo’n snotneus” zo makkelijk geld kon spenderen.

Verhouding met bestuurders en inwoners

Hoe Nicolaas de Stoppelaar in het dorp terecht gekomen is staat niet vast maar er is een belangrijke aanwijzing. Zijn oma Johanna Rijcken-Mens was eigenaresse van het Kerkeduin, een groot duinperceel waar de dorpskern op gebouwd is. Zij heeft dit als erfenis ontvangen van haar oom Wijnant Mens, die het duin in 1722 kocht van de Staten van Holland. Johanna Mens heeft haar kleinzoon Nicolaas opdracht gegeven haar duingebied te beheren. In 1769/70 volgen vier kenmerkende acties van de jonge jurist en notaris. In de eerste plaats klaagt hij de weduwe Philippijntje van Wateringen aan bij het Hof van Holland omdat zij wat brandhout sprokkelde in het Kerkeduin achter haar woning bij de Witte Kerk. De gang naar de rechtbank in Den Haag is gezien de aard van het vergrijp een behoorlijk overdreven actie waar hij geen vrienden mee gemaakt zal hebben in het dorp.

Ook de dorpsbestuurders moeten het ontgelden want zij hebben volgens Nicolaas tientallen jaren lang de afrastering en afsluiting van het Kerkeduin slecht onderhouden. Vanwege het aanwezige wild en het verbod voor derden om in verpacht duin rond te lopen (stropen) werd het binnenduin afgeschermd van openbare terrein. Nicolaas roept getuigen op om te bevestigen dat er “ban”hekken verdwenen zijn. De dorpsbestuurders gaan de strijd aan, die tot in het jaar 1773 zal voortduren. Om verdere kosten en rechtzaken te voorkomen schikken de bestuurders met een bedrag van 420 gulden. Een kleine overwinning voor de jonge jurist en zijn oma.

In lijn met deze discussie besluit Nicolaas om de Groeneweg die dwars door de huidige wijk Zeeburg liep op te heffen. Dit was een eeuwenoude verbinding vanaf de Schulpweg naar de dorpskern. Blijkbaar was het geen weg die officieel onder het ambachtsbestuur viel. De eigenaar van het Kerkeduin kon deze weg door het duin dus zelfstandig opheffen, maar hierdoor raakte de molenaarsfamilie Van Leeuwen de toegangsweg naar hun molen op dat Kerkeduin kwijt. Hiervoor krijgen zij een andere toegang aangewezen door De Stoppelaar. Hij regelt zelfs een leninkje voor hen bij zijn eigen familie. Dit alles wordt netjes bij een colleganotaris vastgelegd. Zo ook het uitpad dat Arij Zwanenburg toebedeeld krijgt, nodig om via het Kerkeduin aan de achterzijde van zijn woning de openbare weg te kunnen bereiken. Uitdrukkelijke voorwaarde van De Stoppelaar is dat de toestemming slechts voor Arij en andere bij naam genoemde personen geldt en dat ’s-avonds de poort aan duinzijde afgesloten moet zijn.

Vier acties waardoor de jonge jurist en het dorp Noordwijkerhout elkaar goed leerden kennen. Zij geven aan dat Nicolaas de Stoppelaar in die periode serieus en gedreven te werk ging en puntjes op de i wilde zetten. De manier waarop zal echter de wenkbrauwen van inwoners en bestuurders hebben doen fronzen. Nicolaas de Stoppelaar had de toon gezet voor de jaren erna.

Duin en Dal en het Rechthuis

Bij de aankoop van de boerderijen de Kokmeeuw en de Vier Schoorstenen aan de Heereweg heeft Nicolaas waarschijnlijk vanaf het begin het idee gehad daar een buitenplaats te bouwen. Vanaf het jaar 1771 wordt er driftig getimmerd. Naast lokale bouwvakkers worden specialisten uit de steden ingehuurd om boerderij de Vier Schoorstenen om te bouwen tot buitenverblijf. Voor het inrichten van het huis wordt het Amsterdams bedrijf Lichtenberg ingeschakeld dat behangsels en stoffen levert. Rond het pand komt een nieuwe afrastering van zo’n 500 meter lengte, er wordt aan de tuin gewerkt en Nicolaas koopt honden voor de jacht op het konijn in zijn (lees: oma’s) Kerkeduin. Maar Duin en Dal is niet het enige bouwproject van onze 24-jarige jurist. Uit latere documenten blijkt dat hij zijn Rechthuis tegenover de Witte Kerk grotendeels herbouwd heeft en nieuwe kaatsbanen heeft aangelegd, waarop in 1771 wedstrijden worden gehouden om de Zilveren en Gouden Kolf.

1771 wedstrijd om de Zilveren Kolf op de overdekte Kolfbaan in het Rechthuis van Noordwijkerhout, bij castelein Elias Wylandt

Verkeerde keuzen

Het is voorjaar 1772, de bomen lijken tot in de hemel te groeien voor Nicolaas de Stoppelaar. Maar met zijn dadendrang en impulsief handelen ligt roekeloosheid op de loer en hij maakt in mei zijn eerste inschattingsfout of verkeerde keuze, zo u wilt. Door het overlijden van Ploos van Amstel, procureur bij het Hof van Holland en Hoge Raad komt een statusrijke plek vrij bij die rechtscolleges. Een buitenkans voor Nicolaas, die de plaats kan overnemen maar daarvoor 24.500 gulden op tafel moet leggen bij de weduwe van Ploos van Amstel, Francoise Jaghers. Hij moet 10.000 gulden contant betalen en mag een schuldverklaring voor de resterende 14.500 gulden uitschrijven. Hiervoor weet hij onder andere bij de weduwe Schoonhoven op de 20e mei een lening af te sluiten voor 8.000 gulden met als onderpand zijn huis in Den Haag. Dat huis stond naast het huis van zijn oma Johanna Mens. En, misschien typerend voor De Stoppelaar, hij weet de weduwe Ploos van Amstel zover te krijgen dat hij niet 10.000 maar 8.000 gulden contant betaalt en de resterende 2.000 mag omzetten in een lening. Hij zoekt de grens op bij onderhandelingen, we zien dat vaak terug.

Overigens valt op dat zijn oma kort daarvoor 10.000 gulden aan obligaties heeft verkocht. Helaas is er geen bewijs dat zij het vrijgekomen geld voor haar kleinzoon bestemd had, voor zijn koopdrift in Noordwijkerhout of procureurschap. De procureursdeal komt rond en de Hoge Raad stemt op 19 mei in met zijn benoeming. De bijbehorende titel wordt onmiddellijk door Nicolaas toegepast en staat al vier dagen later vermeld bij zijn eerste opdracht.

Jonkvrouw Florentina Johanna Pittenius, weduwe van Samuel Gilles geeft Nicolaas de Stoppelaar de verantwoording tot afhandeling van de nalatenschap van haar man. Eerder had zij procureur Ploos van Amstel hiervoor ingeschakeld maar die is overleden en omdat Nicolaas zijn procureursschap heeft overgenomen is zijn aanstelling een logische keuze. Daarvoor had de jonkvrouw Pittenius ene Johannes Scherping moeten ontslaan wegens wanprestatie. Nicolaas dient de zaak over te nemen, een boedelinventaris op te maken, schulden en vorderingen te innen en een eindbalans op te maken. De weduwe is een rijke vrouw, goed voor een vermogen van 123.000 gulden waarvan driekwart afkomstig is uit de nalatenschap van haar moeder. De rijken van die tijd bewaarden hun geld niet in een sjieke sok maar belegden die net als deze weduwe voornamelijk in uitstaande leningen. De inventaris bevat dan ook een lange lijst obligaties waarvan de akten zijn ondergebracht bij De Stoppelaar, net als de boeken en juwelen van de weduwe Pittenius.

Maar de kersverse procureur De Stoppelaar handelt de zaak niet goed af, hij kan bedragen niet verantwoorden of zaken niet afdragen. Zijn taak wordt daarom overgenomen door procureur Kempenaer en die noteert een tekort dat voor rekening komt van Nicolaas De Stoppelaar. Anna Rijcken, de moeder van Nicolaas stelt zich borg voor de betaling van het saldotekort dat haar zoon heeft veroorzaakt. En hoewel er geen direct bewijs voor is en deze borgstelling ook niet meer dan een aanwijzing mogen we voorzichtig de conclusie trekken dat Nicolaas het “verdwenen” geld van de weduwe Pittenius heeft aangewend voor eigen investeringen en uitbesteed werk. Hij moet bij procureur Kempenaer een lening afsluiten van 6.000 gulden, voor het resterende tekort van 4.680 gulden wordt zijn moeder Anna Rijcken als borg aangesproken. En dat ondanks de lening van 11.000 gulden die zijn moeder hem eerder verstrekte om schoon schip te kunnen maken in deze Pitteniuskwestie.

Niet gehinderd door de problemen rond zijn eerste opdracht als procureur had De Stoppelaar een maand voor het vaststellen van zijn schuld aan de weduwe Pittenius in Voorhout het Keukenduin gekocht. Eerst samen met een boer uit dat dorp, maar vanaf eind 1772 is hij enig eigenaar van dit circa 44 hectare grote duin tussen Voorhout en Lisse. Hij betaalde hiervoor zo’n 4.000 gulden. En deze koop volgde slechts een maand nadat hij in Den Haag een voorlopig contract had getekend voor de aankoop van kasteel en heerlijkheden van de Hooge en Laage Boekhorst met een prijskaartje van 16.500 gulden.

Het procureurschap kostte hem 24.500 gulden, de Boekhorsten 16.500, het Keukenduin zo’n 4.000 gulden, de lening bij Kempenaer 6.000 gulden en tenslotte mogen we daar de lening van 11.000 gulden bij zijn moeder Anna Rijcken nog bij optellen. Binnen zeven maanden heeft Nicolaas voor een bedrag van ruim 62.000 gulden aan schulden bijgeschreven in zijn administratieboekje, waarin al zo’n 10.000 gulden aan uitgaven stond genoteerd voor zijn aankopen in Noordwijkerhout.

Dat kan niet goedgaan zou elke zuinige Zeeuw gezegd hebben en zijn omgeving wordt dan ook wakker.

Ruzie in de familie, een eerste schuldsanering.

De wanprestatie van haar zoon moet hard aangekomen zijn bij weduwe Anna de Stoppelaar-Rijcken in Den Haag. In de stad met haar oververtegenwoordiging aan regenten, hoge ambtenaren en oud-geld-families blijft zoiets niet lang geheim. In dat licht moeten we de lening van 11.000 gulden zien die Anna in december aan haar zoon verstrekt, terug te betalen binnen 6 maanden. In Noordwijkerhout laat zij vastleggen dat haar zoon geen goederen mag “veralieneren” (vervreemden) gedurende de looptijd van de lening. Dit alles nadat zij zich al eerder voor de nieuwe zaakwaarnemer van de weduwe Pittenius, de heer Kempenaer, als borg had gesteld voor de schuld van haar zoon. De lening dient om de tekorten in de nalatenschap van weduwe Pittenius af te wikkelen en zo kan Nicolaas zijn moeder Anna Rijcken bevrijden van haar borgstelling. Dit moet binnen 14 dagen na het aangaan van de lening gebeuren, zo niet dan wordt de lening definitief omgezet in een hypotheek met het bezit van Nicolaas in Noordwijkerhout als onderpand.

Nicolaas de Stoppelaar laat na zijn moeder te bevrijden van haar borgstelling. Hij heeft het geld van haar lening een andere bestemming gegeven. Voor betaling van de weduwe Pittenius heeft Nicolaas heeft de lening afgesloten bij Kempenaar voor 6.000 gulden met als onderpand zijn aanstelling bij de Hoge Raad. Moeder Rijcken wordt alsnog aangesproken voor ruim de helft van een resterend bedrag van 4.680 gulden en laat de secretaris van Noordwijkerhout, Pieter Boers, in februari 1773 optekenen dat dit bedrag bij de geleende 11.000 gulden moet worden opgeteld en omgezet in een hypotheek. Zijn Noordwijkerhoutse bezit mag haar zoon Nicolaas dus niet meer verkopen zonder haar toestemming.

De ruzie tussen moeder en zoon bereikt een triest dieptepunt als Nicolaas vervolgens een notaris opdracht geeft de juwelen die door zijn moeder als onderpand waren veilig gesteld bij een vertrouwenspersoon terug te halen. Mogelijk gaat het hier om juwelen die Nicolaas van zijn in 1770 overleden vader geërfd had.

Dat is niet het enige probleem binnen de familie. Johanna Mens had naast Nicolaas nog een andere kleinzoon met problemen, Johannes Adrianus Rijcke, de schout van Princenhage. Zij wilde zijn legitieme portie in de nalatenschap van haar overleden man Cornelis Rijcken en dochter Josina afkopen met een bedrag van 30.000 gulden maar haar kleinzoon wil aanvankelijk niet meewerken. Hij moet namelijk afzien van alle verdere aanspraken op nalatenschappen. Uiteindelijk wordt dit proces afgerond en verankerd in een nieuw testament van Johanna Mens, waarbij zij het Kerkeduin van Noordwijkerhout als legaat reserveert voor haar kleinzoon Nicolaas de Stoppelaar. Dit legaat zal een rol spelen bij de sanering van schulden van Nicolaas, want als het duin formeel aan hem wordt overgedragen is hij de gulle gift van oma enkele maanden al weer kwijt aan schuldeisers.

Moeder en dochter Mens-Rijcke willen de ruzie met Nicolaas oplossen en stellen voor zijn schulden te saneren. Daarvoor dient hij het eigendom van twee huizen in Den Haag over te dragen aan zijn oma Johanna Mens en 9000 gulden in contanten aan haar uit te betalen. Zijn moeder wil de door haar betaalde borg in de zaak van de weduwe Pittenius terug hebben. Ook wil zij een bedrag van circa 6000 gulden ontvangen verdeeld over contanten en leningen. Hier tegenover stellen zij de schuld van 11.000 gulden van Nicolaas bij zijn moeder te zullen schrappen en twee van zijn leningen bij derden over te zullen nemen. Het lijstje schulden van Nicolaas is daarmee flink opgeschoond maar hij moet wel zo’n 17.000 gulden ophoesten om de ruzie met zijn familie te kunnen beëindigen.

In de overeenkomst die door beide partijen gesloten wordt en ook daadwerkelijk leidt tot schuldsanering valt nog één detail op. Nicolaas heeft blijkbaar ook een schuld gemaakt bij zijn 7-jarige broer Antonius Wijnand de Stoppelaar. Zijn moeder wil dat geld terug. Dat doet vermoeden dat Nicolaas als voogd van zijn broertje optrad na het overlijden van hun beider vader. Hij heeft het vertrouwen van zijn moeder geschaad en dat speelt een rol als Anna van Rijcken vijf jaar later een nieuw testament laat opmaken.

De sanering van schulden van Nicolaas de Stoppelaar aan zijn familie is daarmee afgerond al moet Nicolaas nog wel de afgesproken 17.000 gulden aan hen betalen.

Eigen schuldsanering.

In de voor hem zo hectische wintermaanden 1772/1773 moet bij Nicolaas het inzicht gegroeid zijn dat hij teveel hooi op de vork had genomen. Althans, het lijkt alsof hij iets aan zijn schuldenlast wil doen. Aan de verkoop van enkele weilanden in het voorjaar 1773 houdt hij 750 gulden over. Zijn vasthoudendheid in de aanpak van het dorpsbestuur van Noordwijkerhout vanwege slecht onderhoud van de banhekken levert hem 420 gulden op. En als op Duin en Dal wat geld te verdienen valt met de verkoop van bouwmaterialen, vee of brandhout laat hij dat geld niet liggen. Zo worden bijvoorbeeld koeien, een zwart paard en chalais (“sjees” of koets) in een advertentie te koop aangeboden, naast een jaarlijkse verkoop van brandhout.

Een echte vermindering van zijn problemen ontstaat met het opgeven van zijn procureurschap bij het Hof van Holland en Hoge Raad. Een flink gezichtsverlies dat hem zwaar gevallen moet zijn. Hij draagt zijn plaats over aan Sijmon Cahais die daarvoor een lening van 14.500 gulden op zijn naam overschrijft, eerder door Nicolaas afgesloten bij de weduwe Ploos van Amstel. De 10.000 gulden die contant betaald was aan de weduwe zal Cahais aan De Stoppelaar hebben uitgekeerd.

In het register van ingeschreven procureurs bij de Hoge Raad (Nat. archief) vinden we het korte procureurschap van Nicolaas de Stoppelaar terug. Zijn opvolger is Isaac Simon Cahais.

Nicolaas de Stoppelaar was al met al slechts 8 maanden procureur bij de Haagse hogere rechtbanken. Veel inkomsten heeft hij er niet mee binnengehaald, we kennen slechts een enkele opdracht die hij als procureur van de Hoge Raad heeft afgemaakt. En de twintig akten die hij tot dan toe in Den Haag als notaris heeft opgemaakt hebben ook niet veel opgeleverd. De jonge man was zo vaak op pad voor andere bezigheden dat hij er ook niet veel tijd voor gehad zal hebben. Bovendien was de spoeling in Den Haag erg dun, want het wemelde er van de notarissen. De verhuur van zijn boerderijen en weilanden in Noordwijkerhout was in die periode waarschijnlijk de belangrijkste inkomstenbron van Nicolaas de Stoppelaar.

Verstand komt met de jaren luidt het gezegde. Geldt dat ook voor de inmiddels 25-jarige hoofdpersoon in dit verhaal? Deze persoonlijke sanering van schulden haalde de druk immer een beetje van de ketel; zou je kunnen concluderen. Maar Nicolaas handelde tegengesteld.

Een bijzondere nieuwe schuld.

De schuldenregeling met zijn moeder en oma was afgesloten onder de nadrukkelijke voorwaarde dat Nicolaas binnen 5 dagen na het opmaken van de akte zo’n 17.000 gulden op tafel legt. Genoemde vijf dagen later wordt duidelijk waar hij dat geld vandaan heeft weten te halen. En waarschijnlijk wisten zijn moeder en oma dat ook. Het is zelfs niet uit te sluiten dat zij een belangrijke rol hebben gespeeld bij het beschikbaar komen van het geld. Op 14 april 1773 leent de douairière Jacobina Josina van Wassenaar, geboren van Wijlre tot Echteld, Vrouwe van beide Catwijcken, maar liefst 30.000 gulden aan Nicolaas. De hypotheek rust op al zijn goederen in Noordwijkerhout en Voorhout, “niets ter wereld uitgezonderd”. Daarbij moeten we aantekenen dat er drie akten bewaard zijn gebleven rond deze geldlening. De originele notarisakte uit Den Haag, een verslag van de goedkeuring van de lening door de Hoge Raad en de inschrijving van de lening in het Rechterlijk Archief van Noordwijkerhout door schout en schepenen van het dorp. Deze drie akten wijken onderling af wat betreft het beschreven hypothecaire onderpand. Dat is toch wel opmerkelijk. Alleen de inschrijving door schout Pieter Boers lijkt te passen in het verdere verloop van de gebeurtenissen. Hij noteert dat het onderpand rust op alle goederen in Noordwijkerhout en Voorhout met als uitzondering de recent aangekochte heerlijkheid de Boekhorst “en toebehoren” en het Keukenduin in Voorhout. In de Haagse notarisakte is tussen de regels en in de kantlijn wat “extra” onderpand bijgeschreven, duidelijk op een andere datum.

De Stoppelaars bezit diende eerder nog als onderpand voor de lening bij zijn moeder, maar met de nieuwe regeling met haar was dit geschrapt. Jacobina, weduwe van Frederik van Wassenaar, heeft stevige voorwaarden wat de aflossing van de 30.000 gulden betreft. En Nicolaas moet maar liefst 5 ½ procent rente betalen, dat was zo’n 1 ½ tot 2 procent meer dan gebruikelijk. Gezien de hoogte van de rente moet de weduwe Van Wassenaar of haar adviseur geweten hebben dat het uitlenen aan Nicolaas niet zonder risico was. Voor de zekerheid laat zij de inhoud van de hypotheektekst beoordelen door de Hoge Raad, die akkoord gaat. Het onderpand biedt haar voldoende houvast maar een taxatie van de waarde van dat onderpand ontbreekt. De praktijk zal leren dat die waarde in geen verhouding stond tot de hoogte van het uitgeleende bedrag.

Terug naar de verkoop van de Boekhorst

Met het ruime bedrag van 30.000 gulden kan Nicolaas de afspraken met zijn familie nakomen en heeft dan nog minstens 13.000 gulden in kas om andere schuldeisers te betalen. Ook zal hij nog zo’n 10.000 gulden contant hebben ontvangen met de verkoop van zijn procureurschap. Tot de schuldeisers behoort de Vlaamse prinses de Rubempré, die hem inmiddels het kasteel en heerlijkheid van de Hooge en Laage Boekhorst had verkocht in december via een definitief koopcontract. Op 28 december 1772 was de overdracht van het onroerend goed ingeschreven door de bestuurders van de twee betrokken dorpen. In de beschrijving valt op dat het allodiaal leen in Noordwijkerhout, zijnde het kasteeltterrein met de daarbij behorende vier percelen geestland, niet specifiek benoemd worden. Het enige huis of woning waarvan sprake is betreft het Huis Te Wraa. Er wordt nog weleens gedacht dat dit een andere naam voor het kasteel was, maar er zijn voldoende bewijzen dat hiermee een huis aan de Langevelderweg bedoeld wordt. Dat stond ter hoogte van de ingang van het huidige Sancta-terrein.

Waarschijnlijk werden allodiale goederen alleen overgeschreven in officiële leenregisters, op zichzelf logisch omdat heerlijkheden zelfstandige rechtsgebieden waren. In Rechterlijke Archieven werd alleen fysiek onroerend goed vermeld, dus geen leenrechten die erop rustten. Het verklaart waarom in het Rechterlijk Archief van de Laage Boekhorst de overdracht van eind december geheel ontbreekt. (Dat wil zeggen: niet gevonden JD) Daar ontving De Stoppelaar alleen allodiale goederen en de bijbehorende 14 achterlenen maakten hem niet tot eigenaar van percelen. Met de achterlenen bezat hij geen fysieke woningen of landerijen, alleen bepaalde rechten daarop. In het Rechterlijk Archief van Noordwijkerhout is wel sprake van de overdracht van allodiale goederen maar nergens wordt duidelijk welk van de genoemde percelen daaronder vielen. De allodiale goederen hadden een naam zoals de Varinckhorst en de Hoge en Lage Weide, maar die worden in de akte van eind december 1772 niet gebruikt. Alleen een omschrijving van de ligging van percelen en hun grootte.

Ondanks deze onduidelijkheid over de allodiale goederen in de akten uit het Rechterlijk Archief van Noordwijkerhout wordt de volledige aankoopprijs van 16.500 genoemd als het door Nicolaas de Stoppelaar te betalen bedrag. Het moet een onprettige verrassing geweest zijn voor de vertegenwoordiger van de prinses de Rubempré dat Nicolaas de Stoppelaar geen geld had meegenomen voor hem maar alleen een wisselbrief met daarin de belofte binnen drie maanden te zullen betalen. Maar verrassend of niet, het leidt niet direct tot een slechte verhouding tussen verkoopster en koper. Nicolaas wordt kort daarna zelfs ingeschakeld door Franciscus Cools als last hebbende van de prinses om te regelen dat de pachtprijs voor haar boerderij in Wassenaar alleen nog betaald mocht worden aan Franciscus. Het conflict tussen de prinses en Nicolaas de Stoppelaar is dan ook pas na maart 1773 ontstaan, na het verstrijken van de betaaltermijn van de wisselbrief. Maar ook omdat toen duidelijk werd dat Nicolaas de koopprijs pas wilde betalen als hij de verlijbrieven, behorend bij de overdracht van de aangekochte allodiale goederen, had ontvangen. Er ontstaat een jarenlange patstelling tussen de twee partijen. De één wil geld zien, de ander eerst verlijbrieven als bewijs.

Een andere kant van de medaille

De ontstane patstelling is een mooi moment in dit verhaal om naast de vele “munt” of geldproblemen van Nicolaas nog even de “kopse” of persoonskant van zijn medaille te laten zien. Die kant betreft de vele initiatieven die De Stoppelaar genomen heeft om tot verbetering van zijn bezit te komen. Nieuwe hekken en afrastering voor het Kerkeduin, het opheffen van de Groeneweg door dat duin en een nieuwe weg naar de korenmolen, de bouw van het buitenverblijf Duin en Dal en de metamorfose van het Rechthuis noemden we al. Vergelijkbare projecten waren het uitdiepen en daarmee weer bevaarbaar maken van een zandvaart door het Keukenduin in Voorhout en de bouw van een nieuwe woning in Sassenheim. In de Laage Boekhorst werd de Boekhorstvaart uitgediept en over de vaart een draaiplank in werking gesteld, waarmee het gebied alleen toegankelijk werd voor personen die er daadwerkelijk wat te zoeken hadden. Dat De Stoppelaar bij de draaiplank over de vaart een tol instelde getuigt van een zakelijke instelling. In latere jaren schrijft hij in de Laage Boekhorst ook menige notariele akte uit voor de inwoners in de vorm van huwelijkse voorwaarden en testamenten. Voor zijn plannen is niet iedereen even enthousiast, hij ondervindt tegenstand en moet zelfs processen voeren.

Naast tegenstanders en vijanden die hij maakte met zijn gedurfde initiatieven waren er genoeg anderen die zijn persoon konden waarderen. In Noordwijkerhout deed hij veel zaken met Hendrick Mens, beschermde zijn pachter Willem Bruikman tegen de grillen van dorpsbestuurders en verdedigde Dirck Duijvenvoorden in een rechtzaak tegen zijn pachtheren.

De andere kant van de persoon Nicolaas de Stoppelaar mogen we ook afleiden uit het feit dat hij temidden van al zijn financiële problemen toch Geertje Akersloot, weduwe van Cornelis van Schagen 100 gulden uitleent, in vier jaar af te betalen. Dat moet contant geld zijn geweest. En als in het najaar van 1773 zijn jonge broertje Antonius overlijdt, slechts 7 jaar oud, laat Nicolaas het lichaam van de jongen bijzetten in zijn grafkelder in de Witte Kerk.

1774 de onder schulden buigende Nicolaas de Stoppelaar leent toch nog 100 gulden uit aan Geertje Akersloot, detail uit akte

Nieuwe schuldproblemen

Ondanks de ruimte die ontstond door de ruime lening bij Jacobina van Wassenaar doemen binnen enkele maanden nieuwe problemen op. Nicolaas sluit met ogenschijnlijk gemak een lening van 8.000 gulden af bij de Haagse familie Wolf met het Keukenduin als onderpand. In verhouding tot de aankoopprijs van zo’n 4.000 gulden lag de lening dus dubbel zo hoog. Ook hier doen opmerkelijk genoeg de betrokken bestuurders of de uitlenende partij geen check op de waarde van het onderpand.

In november 1773 melden nieuwe schuldeisers zich aan, kennissen uit zijn geboorteplaats Oudenbosch. Zij hebben hout en tuinmateriaal geleverd voor buitenplaats Duin en Dal en willen hun rekening van 2.400 gulden betaald zien. Nicolaas weet hen met hulp van zijn broer Joan de Stoppelaar zover te krijgen de rekening om te zetten in een lening. Een maand later wil Barend van de Bogaard uit Valkenburg het restant van zijn rekening, ruim 360 gulden per direct ontvangen. Barend heeft het uitdiepen van de Zandvaart door het Keukenduin afgerond maar zou al halverwege het werk 2/3e deel van zijn geld gehad moeten hebben. De zaak wordt voor de Noordwijkerhoutse rechtbank gebracht en daar door De Stoppelaar geschikt.

Wat gunstige ontwikkelingen zijn er ook. Johanna Mens laat in januari 1774 het eigendom van het Kerkeduin formeel overdragen aan Nicolaas via een akte bij de schout en schepenen van Noordwijkerhout. Voor de verschuldigde overdrachtsbelasting wordt de waarde van het duin getaxeerd op 3.000 gulden. Het onderpand van bestaande leningen wordt hiermee verstevigd. Een maand later weet Nicolaas zelf een aardig bedrag binnen te halen door de verkoop van zo’n acht hectare weiland in de Noordzijder polder aan Jan Oostdam, die nog minderjarig is en daarom wordt bijgestaan door zijn vader Hendrick. Dit land ligt rond de Boekhorst en levert 1.750 gulden op.

Voor het Noordwijkerhouts gerecht is inmiddels de weduwe Van Banchem een zaak gestart tegen Nicolaas wegens wanbetaling op de lening van 2.000 gulden die zij hem in 1770 verstrekte. Dit signaal is echter voor hem geen reden om de aankoop van een woning in de Molesteeg (Zeestraat) in Noordwijkerhout af te blazen. Voor 160 gulden wordt hij eigenaar. Hendrik Mens en de pachter van het Rechthuis Elias Wijland staan borg voor hem. En terwijl de zaak tegen de baggeraar Barend van de Bogaard nog niet eens is afgerond adverteert Nicolaas alvast in de krant dat er weer grote schuiten door de Voorhoutse vaart kunnen varen. Het uitdiepen van de vaart levert hem ook nog eens een klacht bij het Hoogheemraadschap op omdat hij zich niet aan de voorwaarden van de verleende vergunning zou hebben gehouden.

De Haagse procureur Cornelis Hoijnc van Papendrecht wil een lening van 900 gulden die hij in 1772 had verstrekt aan De Stoppelaar vernieuwen, mogelijk omdat hij meer zekerheid over betaling wil door een onderpand aan de lening te verbinden. De vernieuwing kent strakke voorwaarden over rente en aflossing binnen 18 maanden. Als onderpand verbindt Nicolaas “zijn persoon en zijn goederen”, waarmee met betrekking tot de Voorhoutse goederen opnieuw een hypotheek gevestigd wordt naast die van de familie Wolf.

Vijf dagen later wordt ook de grote lening bij de hoogedele vrouwe Jacobina van Wassenaar gewijzigd. De oorspronkelijke lening wordt uitgebreid naar een bedrag van 39.000 gulden. Het extra bedrag is nodig omdat de schuld van 2.000 gulden bij de weduwe Van Banchem is overgenomen door Van Wassenaar met daarbij opgeteld kosten en niet betaalde rente. Ook had Nicolaas aan de weduwe Van Wassenaar al 1.575 gulden rente op haar grote lening moeten betalen en is hij aan het ambacht Noordwijkerhout nog 1.212 gulden belasting schuldig. Per saldo ontvangt hij zelf maar 3.731 van de 9.000 gulden.

De weduwe Jacoba van Wassenaar heeft zo zijn schulden verder gesaneerd maar loopt een behoorlijk riscio met deze grote lening, dat nu afgedekt wordt door uitbreiding van het onderpand met de heerlijkheidsrechten, de Boekhorstpercelen, het Kerkeduin en het Keukenduin in Voorhout. Allemaal goederen die niet tot onderpand waren gesteld bij de oorspronkelijke lening van 30.000 gulden. En in het geval van het Keukenduin dient dit zelfs voor de derde keer als hypothecair onderpand.

De drijfveren van Jacobina van Wassenaar blijven onduidelijk. Zij moet met haar adviseurs toch onderhand geweten hebben wat voor vlees zij met Nicolaas de Stoppelaar in de kuip hadden. Het rentepercentage dat bijgesteld was van 5 ½ naar 5 procent ligt nog altijd hoog. Is de lening een vorm van durfkapitaal of een foute inschatting van de situatie? Een jaar later moet Jacobina zelf een lening afsluiten van 14.000 gulden en gebruikt daarvoor als onderpand haar lening aan Nicolaas de Stoppelaar en de daaraan verbonden goederen.

Intussen heeft men in Brussel ongetwijfeld met toenemend argwaan de situatie in Holland gevolgd. De patstelling wil de prinses de Rubempré doorbreken. De Hoge Raad wordt om een advies gevraagd met de verkoopakten uit 1772 als uitgangspunt. In juli 1774 besluit de Hoge Raad dat beide partijen de inhoud van de akte gestand moeten doen, dus zich aan de afspraken moeten houden. Een oordeel en advies waar beide partijen niet veel aan hebben.

De rand van de afgrond

Eind 1774 is het geduld van schuldeisers op. De Amsterdamse firma La Campaigne en Lichtenberg eist betaling voor materialen geleverd bij de bouw van de buitenplaats Duin en Dal. Het gerecht van Amsterdam bevestigt de legitimiteit van de eis en de zaak wordt overgedragen aan het gerecht van Noordwijkerhout. Een kettingreachtie wordt in gang gezet, de bal rolt stuurloos richting afgrond.

Op 3 januari 1775 wordt via een advertentie in diverse kranten aangekondigd dat de onroerende goederen van Nicolaas in Voorhout conform een uitspraak van het Hof van Holland verkocht zullen gaan worden. Hagenaar Hoijnck van Papendrecht heeft onmiddelijke terugbetaling van zijn lening van 900 gulden geeist en het Hof van Holland stemt in. De deurwaarder meldt zich op 22 februari op buitenverblijf Duin en Dal om De Stoppelaar te sommeren de lening terug te betalen binnen 24 uur. Een week eerder had Gerrit Santen uit Noordwijkerhout bij het dorpsgerecht geëist dat zijn loon van 288 gulden voor arbeid op Duin en Dal betaald moest worden. Hij is niet de enige die nog geld tegoed heeft. Nicolaas de Stoppelaar kan een gedwongen verkoop van zijn Noordwijkerhoutse bezit, uitgezonderd de Boekhorst goederen, niet meer afwenden.

Op 7 april 1775 wordt de executieverkoop in Noordwijkerhout gehouden. Alle percelen worden verkocht aan Leidenaar Nicolaas Harting behalve het Rechthuis. Dat wordt later via onderhandse verkoop overgedragen aan het ambacht van Noordwijkerhout. De omschrijving van deze koop geeft ons nog een waardevolle beschrijving van deze voor het dorp belangrijke herberg:

Koop 10: een huis en erf met tuin met stalling, koetshuis, vanouds het Rechthuis van Noordwijkerhout, sedert 4 jaar voor het grootste gedeelte nieuw getimmerd, voorzien van een kapitale Rechtkamer, twee spatieuze vertrekken, ruime zolders, keuken, kelder en verdere vereiste commoditeiten, mitsgaders vier fraaie overdekte kolfbanen en verder getimmerte, staande en gelegen in deze dorp, zo de oude schoollaan, no de weduwe Zwanenburg, zw de gemene weg langs het kerkhof. Zijnde in de aanplakbiljetten genummerd met 4 en in de verponding nr 93, doende 2 gulden. Verhuurd aan Elias Wijland tot mei 1777 voor 235 gulden per jaar”

Na aftrek van de Verpondingenbelasting en kosten blijft zo’n 20.000 gulden over voor de schuldeisers. Het dorpsbestuur van Noordwijkerhout roept via advertenties iedereen op zich te melden als men meent aanspraak te kunnen maken op een deel van de opbrengst. Intussen is de douairière Jacobina van Wassenaar financieel in zwaar weer terecht gekomen. Naast een lening van 14.000 gulden uit maart 1775 volgt in april een tweede. Zij leent 20.000 gulden bij de heer Jacob Weijl met als onderpand haar onroerend goed rond de ’s-Gravendijck in Noordwijk. Zij probeert de verkoop van de Voorhoutse goederen van De Stoppelaar tegen te houden of terug te draaien omdat zij meent eerste hypotheekhouder te zijn over zowel de Voorhoutse als Noordwijkerhoutse goederen van De Stoppelaar, maar vangt bot bij het gerecht en mag aansluiten bij de overige schuldeisers.

Gitzwarte maand april 1775

Die maand april 1775 is een gitzwarte periode voor Nicolaas de Stoppelaar. Op de 25e van die maand wordt op basis van een uitspraak van het Hof van Holland via onwillig decreet (gedwongen verplichting) ook het Voorhoutse bezit van Nicolaas de Stoppelaar verkocht in Leiden. Aanvrager van het decreet is de familie Wolf uit Den Haag, die in 1773 een lening van 8.000 gulden verstrekt had. Hun motivatie is duidelijk: het onderpand van hun lening is waardeloos geworden omdat Nicolaas al weer tot gedeeltelijke verkoop was overgegaan. Bovendien had hij hetzelfde onderpand gebruikt voor zijn lening bij de douairière Jacobina van Wassenaar. De geldverstrekkers zien hun geld in een bodemloze put verdwijnen. Naast Nicolaas is ook boer Obdam als medekoper van percelen op het Keukenduin gedagvaard, net als de douairière en vertegenwoordigers van belastinginners. Nicolaas en Obdam verschijnen niet om zich te verzetten tegen de verkoop en daarom mag het Keukenduin per decreet geveild worden. Koopster is de weduwe Dallens van Huize Berg en Daal die slechts 2.000 gulden betaalt. Hierdoor blijft nog een schuld openstaan van 6000 gulden op de Wolflening. Nicolaas had zelf zo’n 4.000 gulden betaald voor het Keukenduin.

Daarmee zijn we nog niet aan het eind van de executieverkopen. Cornelis Hoijnck van Papendrecht die een bedrag van 900 gulden had uitgeleend aan Nicolaas eist in juni bij de Hoge Raad dat het enig overgebleven bezit van Nicolaas in Noordwijkerhout door hem in beslag mag worden genomen en vervolgens verkocht. De Hoge Raad gaat een maand later akkoord en dit betekent dat ook het Kerkeduin van Noordwijkerhout en een huis in de Molesteeg (Zeestraat) mag worden verkocht. Naast Hoijnck van Papendrecht delen ook de familie Wolf en de weduwe Van Wassenaar mee in de opbrengst. Die bedraagt 2.544 gulden.

Nicolaas Harting die al eerder Duin en Dal had gekocht wordt eigenaar van het Kerkeduin. Het huis in de Molesteeg wordt eigendom van Andries Walewijn. Aan deze koop van 44 gulden hangt een vreemd geurtje, het woord corruptie ligt voor op de tong. Het huis dat Nicolaas de Stoppelaar kort daarvoor aankocht voor 160 gulden moet bij opbod geveild worden in Leiden. Na een eerste ronde waarin schout Pieter Boers het belachelijke bedrag van 20 gulden biedt, wordt bij afslag in de tweede ronde 44 gulden geboden door zijn collega, gerechtsbode Walewijn. Het is goed voor te stellen dat deze Noordwijkerhoutse bestuurders weinig sympathie konden opbrengen voor Nicolaas de Stoppelaar en hem op deze manier een loer wilden draaien. Zijn schuld werd nu met slechts 44 gulden verminderd. Met name Walewijn komt echter van een koude kermis thuis. De Stoppelaar heeft het huurcontract voor het huis kort daarvoor verlengd met acht jaar. Walewijn kan huurder Willem Bruikman er niet zomaar uitzetten. Na pesterijen van de gerechtsbode en onzekerheid voor Bruikman doet Walewijn afstand van het huis voor 192 gulden en pakt zo nog altijd ruim vier keer zijn aankoopprijs.

Met de kennis van nu

De bovenbeschreven gebeurtenissen roepen door een moderne bril bekeken veel vragen op. Hoewel dit onderwerp beschreven kan worden aan de hand van een rijk archief aan materiaal blijft interpretatie van de menselijke rol nodig. Gebeurtenissen kunnen met elkaar verbonden worden uitgaande van logische menselijke reacties. En het financieel stelsel van 250 jaar geleden verschilde ook weer niet zoveel van onze tijd. Wat opvalt is de rol van bestuurders en geldverstrekkers. Tweede en derde hypotheken op hetzelfde onderpand die ingeschreven worden zonder veel vragen of meer borgstelling. Een weduwe die een groot kapitaal uitleent terwijl toch duidelijk geworden moet zijn dat de risico’s groot waren. Ook de vage beschrijvingen van de onroerende goederen en Boekhorstrechten maakt dat je begrip krijgt voor de lastige situatie waarin Nicolaas de Stoppelaar terecht was gekomen in zijn patstelling met de prinses de Rubempré. Het pleit hem allerminst vrij maar eenzijdig de schuld neerleggen bij deze jonge man met zijn gemêleerde karakter is onterecht want zo’n conclusie gaat voorbij aan de tekortkomingen van de andere spelers in deze kwestie. Niettemin maakt Nicolaas de cruciale fout in het Boekhorstconflict met de prinses de Rubempré.

Cruciale fout: schaak maar nog altijd geen mat

Terwijl al zijn energie aangewend moet worden om in april 1775 de executieverkopen te kunnen doorstaan maakt Nicolaas al dan niet bewust een cruciale fout. Onder druk van schulden en schuldeisers besluit hij een boerderij met 18 morgen in de Laage Boekhorst te verkopen aan Sassenheimer Ruijsenaars. Hij vangt hier maar liefst 2000 gulden voor. Deze woning was onderdeel van de aankoop van de heerlijkheid de Laage Boekhorst en behoorde tot dat allodiale goed. In tegenstelling tot de woningen en landerijen die onder het achterleen van die heerlijkheid vielen was deze boerderij dus wel zijn eigendom. Maar daarvoor had de overdracht van de heerlijkheid de Hooge en Laage Boekhorst geregeld moeten zijn. Dat was echter nog altijd niet gebeurd door de patstelling met de prinses Rubempré over betaling en afgifte van de verlij- of leenbrieven. Zonder verlijbrief was de heerlijkheid geen eigendom. Bovendien wordt dezelfde boerderij alweer een half jaar later door Ruijssenaar doorverkocht aan Pieter Obdam en vervolgens verpacht aan Jan Schakenbos.

Overigens was bij de Boekhorstverkoop in september en december 1772 nog sprake van een boerderij met 21 morgen en 239 Rijnlandse Roe aan landerijen. Het is onduidelijk waardoor het verschil tussen deze 21 morgen en de 18 morgen bij de verkoop door Nicolaas ontstaan is. De drie morgen zijn door De Stoppelaar zelf buiten de koop gehouden. Uit latere documenten blijkt dat Nicolaas over deze drie morgen wel een verlijbrief had ontvangen. Van wie weten we helaas niet.

We moeten aannemen dat Nicolaas heeft geweten dat deze boerderij onder het allodiaal of heerlijkheidsrecht viel, hoewel het niet duidelijk wordt opgeschreven als hij de boerderij aan Sassenheimer Ruijssenaars verkoopt “…met zodanige voor- en nadelige servituten, vrijdommen en gerechtigheden zoals het verkochte hebbende en lijdende is, zijnde hiervan alleen uitgezonderd zeker bosje, zijnde het Galgenveld, en gehoorende aan dezen heerlijkheid…” Deze passage kan betekenen dat de schepenen van de Laage Boekhorst zelf niet hebben geweten dat naast het Galgenveld ook de boerderij onder de heerlijkheid viel. Maar we mogen zeker niet uitsluiten dat zij door De Stoppelaar zijn geïnstrueerd wat de formulering van bovenstaand citaat uit de overdrachtsakte betreft. Immers, Nicolaas waande zich baljuw, schout en secretaris van de Laage Boekhorst en had veel invloed op wat de bestuurders van de Lage Boekhorst opschreven in hun Rechterlijke Archieven.

Iets wat niet van jou is kan je niet verkopen, ook Nicolaas de Stoppelaar kon dat niet. Formeel waren de verlijbrieven nog niet overgedragen door de prinses de Rubempré en de aankoopprijs niet betaald. Met de ongeoorloofde verkoop van deze allodiale boerderij in de Laage Boekhorst had de prinses nu een troef in handen waarmee zij de patstelling kon doorbreken. Zij wendt zich tot de Hoge Raad om haar gehele oorspronkelijke bezit terug te eisen. In Den Haag hadden de procureurs van de Hoge Raad inmiddels al een aardig dossier rond de persoon van Nicolaas de Stoppelaar opgebouwd. In feite een ex-collega om wiens kortstondige carrière de heren wel eens gegniffeld zullen hebben. De inhoud van de verkoopovereenkomst was al in juli 1774 door hen beoordeeld en het Salomonsoordeel was geveld dat beide partijen zich aan de afspraken moesten houden.

In Noordwijkerhout had Nicolaas in januari 1774 acht hectare weiland rond de Boekhorst verkocht aan Jan Oostdam, door hem aangekocht van de prinses de Rubempré in dezelfde koop van de Boekhorstheerlijkheden. Maar deze weilanden vielen niet onder het allodiaal goed en waren door de schepenen van het dorp correct ingeschreven op 29 december 1772. De prinses kon Nicolaas hiervoor alleen bij de rechter aanklagen wegens het achterwege blijven van de betaling over die weilanden. Echter, de verkoop van de allodiale boerderij in de Laage Boekhorst in 1775 was onrechtmatig en twee jaar later kaart de prinses de kwestie dan ook aan bij het Hof van Holland. Na een lange discussie over en weer roken de kemphanen een vredespijp en sluiten in december 1779 een overeenkomst “…tot afsnijding van alle differenten,moeijelijkheeden en procedures, welke ter saake van de koop en verkoop tusschen hun lieden waaren ontstaan, en om eenmaal alles tusschen hen tot finaale liquiditeit en effenheid te brengen…”.

De afspraak is dat de verlijbrieven door de prinses de Rubempré alsnog overgedragen zullen worden behalve de brief van drie morgen weiland in de Zwijlander polder behorend bij de door De Stoppelaar onrechtmatig verkochte boerderij. Die had De Stoppelaar al. En dat geldt ook voor een leenbrief van het perceel de Hooge Varinckhorst in Noordwijkerhout. Deze twee brieven waren dus in het bezit van Nicolaas al weten we niet hoe hij eraan gekomen is. De Stoppelaar moet van zijn kant binnen zes maanden een bedrag van 7.500 gulden betalen. Na betaling wordt de oorspronkelijke wisselbrief van 16.500 kwijtgescholden of “gequiteerd”. Mocht Nicolaas de termijn van 6 maanden niet nakomen dan krijgt de prinses volledige teruggave van al haar goederen die vervolgens tegen de hoogste bieder verkocht zullen worden. Waarna uit de opbrengst dezelfde 7.500 gulden aan de prinses de Rubempré uitgekeerd zullen worden en het meerdere ten voordele van De Stoppelaar of zijn schuldeisers is.

Gezien de inhoud van deze overeenkomst zou je mogen concluderen dat de prinses de Rubempré heel veel water bij de wijn heeft gedaan. Nicolaas kan nu voor 9.000 gulden minder dan de oorspronkelijke aankoopprijs legaal eigenaar worden. De vraag is waarom de prinses voor deze voor haar onvoordelige constructie heeft gekozen. De waarde van het Boekhorstbezit was in die periode niet aantoonbaar afgenomen maar zij zal met haar adviseurs wel ingezien hebben dat van de kale kip De Stoppelaar niet veel te plukken viel als zij hem failliet had laten verklaren. Met de overeenkomst wist zij in ieder geval zeker dat zij nog 7.500 gulden binnen kon halen. Dat was bij een faillissement nog maar de vraag. Dan zouden ook andere schuldeisers zich mogen melden, althans in ieder geval voor de niet-allodiale goederen, want die waren officieel overgedragen in december 1772. En de weduwe Jacobina van Wassenaar die een lening had afgesloten van 39.000 gulden met onder andere de Boekhorstgoederen als onderpand zou zeker vooraan gestaan hebben bij een failliet verklaring. Met de gekozen constructie bleef de prinses buiten schot ten opzichte van de andere schuldeisers, zij ontving haar 7.500 gulden of kreeg haar allodiaal eigendom terug. Liever water bij de wijn dan een leeg glas. De andere schuldeisers konden Nicolaas pas aanspreken als hij officieel eigenaar was van al zijn goederen uit de aankoopakte van 1772. En daarvoor moesten de verlijbrieven worden overgedragen.

Met de 2.000 gulden die hij voor de allodiale boerderij in de Laage Boekhorst had ontvangen en de 1.750 gulden van de weilandverkoop aan Jan Oostdam had Nicolaas eigenlijk al de helft van het bedrag binnen gekregen dat hij aan de prinses moest afdragen. Maar tevreden kan De Stoppelaar nooit geweest zijn, want hij kon op zijn vingers natellen dat bij het afronden van de overdracht de andere schuldeisers klaar zouden staan om verkoop van de Hooge en Laage Boekhorst te eisen. De deal met de prinses ketst dan ook af, Nicolaas heeft niet genoeg geld om haar te betalen. Hij heeft alleen belang bij zo lang mogelijk uitstel. Bovendien blijkt dat hij rond het maken van de afspraken ziek geworden is. In een korte akte die medio Kerstmis 1779 gemaakt moet zijn benoemt Nicolaas de schepenen van de Laage Boekhorst tot waarnemers van zijn belangen mocht hij overlijden en spreekt daarbij ook de wens uit bij zijn broertje in de grafkelder in de Noordwijkerhoutse Kerk begraven te worden. Een vluchtig, paniekerig geschreven document.

De prinses kan niet veel anders dan proberen alsnog haar geld te krijgen maar de standpunten verharden. Nicolaas laat uitstel op uitstel volgen. Bovendien strijkt hij de prinses nog eens flink tegen het adellijk kapsel in want in april 1781 koopt hij op een openbare veiling het Rechthuis van de Laage Boekhorst. De prinses had dit twaalf jaar eerder nog gekocht ten behoeve van het Alkmaarse hofje van Zessen, waar zij patronesse van was. De veiling was openbaar, iedereen mocht die dag het huis met bierstekerij en rechtkamer kopen. Maar koper Nicolaas heeft helemaal geen centen voor de prinses, die groen, geel en paars van ergernis moet zijn geworden in Brussel. Zij had kunnen kiezen voor onderhandse verkoop, maar door de openbare veiling was het bod van De Stoppelaar legaal en na afslag met de hamer was hij op papier eigenaar. Hij heeft echter nooit de koopprijs betaald. Door het achterwege blijven van de betaling zal dit huis pas na de dood van Nicolaas overgeschreven worden op naam van zijn curatoren, die het vervolgens direct verkopen.

Dankzij het mooie onderzoekswerk van Noordwijkerhouters Jan van der Elst en Maud Mommers in Brussel voor hun monografie over het kasteel de Boekhorst is een persoonlijke brief van Nicolaas bekend, uit februari 1782. Hierin laat Nicolaas de prinses de Rubempré weten dat hij ziek is en haar daardoor helaas niet kan bezoeken voor overleg over de afspraak om de kwestie af te kopen voor een bedrag van 7.500 gulden. Daarna volgen drie punten die je uit kan leggen als zijnde gericht op uitstel van het nakomen van afspraken. Hij vertelt dat hij nog niet kan betalen omdat hij nog steeds geen beschikking heeft over zijn moederlijk erfdeel. Vervolgens roept hij twijfels op rond de juridische kennis van de vertegenwoordiger van de prinses, de heer Smolders. En tenslotte stelt hij voor in plaats van het volledige bedrag van 7.500 gulden in één keer te betalen, dat bedrag met 1.000 gulden te verhogen mits dan in termijnen mag worden betaald.

De brief typeert de persoon Nicolaas de Stoppelaar in deze periode van zijn leven. Hij is al tien jaar aan het bakkeleien met de prinses, heeft sinds het “vredespijpakkoord van 7.500 gulden” uit 1779 al weer drie of vier processen tegen haar gevoerd maar benadert haar alsof er niets gebeurd is. Hij liegt niet over zijn chronische ziekte want al eerder had hij een vluchtig testament gemaakt en hij sterft enkele jaren later, nog geen 40 jaar oud. Het voorstel voor een verhoogde betaling, mits in termijnen, laat zien dat deze kat in het nauw zijn creativiteit en brutaliteit nog altijd niet kwijt is. Het enige punt waar hij danst op de grens van waarheid en leugen is de opmerking over het geld dat hij tegoed zou hebben uit de erfenis van zijn moeder.

In november 1774 heeft Anna de Stoppelaar-Rijcken haar testament opgemaakt. Daarin zijn geen verwijzingen te vinden naar de familieruzie met haar zoon uit de voorgaande jaren. In feite wil zij vastleggen dat de dure predikantenopleiding van haar zoon Joan de Stoppelaar niet mag leiden tot een verminderde erfenis van haar dochters. Die krijgen daarom per legaat alvast een deel van haar bezit toegewezen. Ook volgen er aanwijzingen voor de executeur testamentair hoe om te gaan met de kosten voor levensonderhoud van haar kinderen tot het bereiken van de volwassen leeftijd van 25 jaar. Tenslotte is er een belangrijke bepaling ten aanzien van het moment van uitkering van haar nalatenschap mocht zij bij haar dood nog minderjarige kinderen hebben. Uitkering mag pas plaats vinden als alle kinderen meerderjarig zijn.

Al haar kinderen, dus ook Nicolaas, die nergens een specifiek voordeel geniet, voldeden in 1774 aan de wens van Anna Rijcken met het geven van hun akkoord op de inhoud van haar testament. Zij benoemt drie personen uit haar kennissenkring tot voogd over de minderjarigen. Drie jaar later wijzigt zij twee dagen voor haar dood op 10 september 1777 haar testament. Haar zoon Joan vervangt één van de drie voogden onder de voorwaarde dat zijn volwassen verklaring akkoord krijgt, hetgeen gebeurt. Anna geeft hier een duidelijk signaal af dat zij haar oudste zoon Nicolaas op dit voogdijpunt onvoldoende vertrouwt om haar nalatenschap tot een goed en vooral vredig einde te brengen. Zijn hopeloze financiële situatie en het gemak waarmee hij eerdere afspraken negeerde zullen reden genoeg zijn geweest voor deze wijziging. Maar het (waarschijnlijke) misbruik maken van zijn positie als voogd over zijn broertje bij het beheer van de nalatenschap van haar overleden man Anthony de Stoppelaar zal de doorslag voor Anna gegeven hebben.

Ida de Stoppelaar, het jongste in leven zijnde kind van Anna Rijcken werd geboren in 1762. De nalatenschap van haar moeder zou dus pas uitgekeerd worden na haar 25e verjaardag op 19 oktober 1787. Dat is ruim vijf jaar na de brief van Nicolaas aan de prinses, die wist dat hij met zijn zussen en broer voor deze uitkeerdatum 1787 akkoord gegeven had. Op het moment dat hijde brief aan de prinses schreef had hij dus formeel niets te verwachten, althans niet de eerste vijf jaar. Bovendien kon hij ook toen al op zijn vingers natellen dat zijn schulden binnen de familie verrekend zouden gaan worden met zijn erfdeel.

De brief aan de prinses heeft niets uitgehaald, zij zet een procedure tot ongeldig verklaren van de koopovereenkomst uit 1772 door en eist haar bezit terug. De Hoge Raad komt op 7 oktober 1782 met haar uitspraak tot teruggave van alle goederen aan de prinses de Rubempré. Het besluit wordt uitvoerig uitgeschreven. In Brussel kan men een plan opmaken om tot verkoop over te gaan. Maar niets gaat volgens verwachting als Nicolaas de Stoppelaar erbij betrokken is….

Laatste krampachtige capriolen

Terwijl we over de periode 1775 – 1782 niet zonder ironie zouden kunnen stellen dat Nicolaas de Stoppelaar enkele rustige jaren achter de rug had, los van akkefietjes die we hier niet eens kunnen noemen wegens plaatsgebrek, is de man in kwestie bezig met het aanscherpen van zijn strijdbijl. Hij gaat vanaf najaar 1782 nog één keer het gevecht aan met wie dan ook op zijn pad komt. Voor dit verhaal beperken we dat tot de “battle of the Boekhorst’ en haar verrassende einde.

In stukken uit het Nationaal Archief behorend bij de uitspraak van de Hoge Raad komen we eindelijk een goede, uitgebreide beschrijving tegen van de Boekhorstgoederen. De details zijn nuttig omdat zij laten zien hoezeer de overige documenten in de kwestie tussen de prinses Rubempré en Nicolaas de Stoppelaar tekort schoten in duidelijkheid.

1. Dat huis en de hofstede met boomgaard met alle toebehoren van de Boekhorst met vier stukken land daaraan gelegen, dat ene geheten de hooge warminckhorst, dat andere dat laage land, dat derde de hooge weide en dat vierde gelegen aan de westzijde van de poort van den huize van de boekhorst, gelegen in de ambacht van Noordwijkerhout.

– Bestaande hetzelfde in de ruine van de hoogadellijke huize te Boekhrost met de cingelen, dreven en duiventoorn, hebbende het recht van zwanendrift en verdere prominenties, mitsgaders in bossen landen daaraan gehorenden, alles tesamen verongeldende voor 10 morgen en 400 RR, doende in de ordinaire verpondingen 35 gulden en 3 stuivers en zijnde belast met een erfpacht van 7 gulden aankomende het geestelijk kantoor van Delft.

– Ende nog in twee stukken teelland als voren genaamt de hooge warinckhorst ofte varinckkasse ende hebbende laatstelijk nog een achterleen groot drie mogen land leggende in de ban van noordwijk gelegen tussen de warande van de boekhorst en die hoge duinen, die dezelfde warande belegen heeft aan het oosteinde, te verheerwaden met een stoop Rijnse wijn of vier schellingen Hollands, volgens het laatste leenboek van 4 maart 1713 voor de stadhouder van den huize te boekhorst en leenmanner voor het laatst verleijd op Cornelis Jacobszoon van der Speck

Met nog een ambacht geheten die laage boekhorst mette landen ende anders allen zijnen toebehoren zijnde een erfleen relevererende van de edele groot mogende heren staaten van Holland en West Friesland.

– Bestaande hetzelve in de heerlijkheid van de vrije en laage boekhorst gelegen in de zwijlander polder tussen de heerlijkhen van Alkemade en Warmond en de Vrouwevenne hebbende de heer als vanouds het recht van aanstelling van baljuw, schout, schepenen, secretaris stadhouder leenmannen, griffier van de lenen welke aanstonds door den koper kunnen worden aangesteld en de bode mitsgaders het recht van naasting, tienden en hondgeld. Ende voornoemde landerijen in een partij houtland groot of verongelden voor 100 RR genaamd het Galgenveld en in een hoeve of boerenwoning met dezelve erven, huizing en ap- en depentien alsmede de daar bij behorende omtrent 18 morgen land, verhuurd aan Jan Schakenbos ten opzigte van de landerijen tot kersmis 1783 en ten opzichte van de woning en huizing tot mei 1784 voor 300 gulden per jaar, doende in de ordinaire verpondingen 87 gulden 7 stuivers en 4 penningen, mitsgaders in nog een partij weiland groot of verongelden voor 800 RR verhuurd tot kersmis 1783 aan Jan Schakenbos voor 28 gulden

– Ende nog laatstelijk in een partij weiland verongeldende voor 1000 RR verhuurd aan Gerrit van Bijleveld tot kersmis 1783 voor 32 gulden dog welke beide laatstgemelde partijen zijn vrij allodiaal goed

Ende hebben de voornoemde heerlijkheid de Laage Boekhorst voorts nog veertien achterlenen (hier niet uitgewerkt JD)

Niet tot de heerlijkheid behorende goederen:

A. Zes morgen land gemeen met heer Willem Aalmansz erven, in Noordwijk op het westeinde van Duinschoten, achter de Boekhorst en heet de Warande

B. Idem nog anderhalf morgen land, leggende gemeen met Vrank van der Boekhorst strekkende met de noordzijde aan de watering langs en met de zuidzijde strekkende langs aan de boekhorst op de gracht

C. Nog anderhalf morgen land leggende aan de oostzijde van de laan Te Boekhorst ende met de zuidzijde strekkende aan de Heereweg

D. Nog twee kampen land leggende aan de Boekhorst strekkende met de zuidzijde achter aan Willem Wanckers woning en met de westzijde aan de Varinckhorst te Boekhorst, met de noordzijde aan Duinschoten en met de oostzijde aan de nieuwe weg houdende 1400 RR, zijde mede een erfleen en releverende van hoogstgemelde haar edele groot mogende heeren staten van holland en west-Friesland als hebbend de abdij van Egmond bestaande of gehorende tot de voornoemde partijen land een wel gepeupleerd konijnduin met een partij land daaraan gelegen aan de westzijde van de poort van de huize te boekhorst mede met konijnen gepeupleerd met het recht van de wildernisse van de konijnen op de oost en westkroften voor het land de Boekhorst, zich strekkende tot aan de watering doende in de ordinaier verponding 20 gulden, zijnde belend ten zuidoosten het kerkeduin, ten zuidwesten hendrick mens nomine uxoris, ten noordwesten de verkopers principaal en de voorgemelde twee stukken teelland genaamd de Varinckkasse of wel de Varinckhorst, alsook Willem Steenvoorden en ten noordoosten Emerentia van der Elst, weduwe Cornelis Zandvliet

En nog in een huisje met erf en stal en tuintje staande en gelegen ten voorhove van de Langeveldse laan aan de Warande van de huize te Boekhorst vanouds genaamd het Huis Te Wraa, doende in de ordinaire verponding 1 gulden 13 stuivers 10- penningen, belend ten zuid-oosten willem steenvoorden, ten zuidwesten en noordwesten het nagemelde duin en ten noordoosten de langeveldse laan zijnde verhuurd geweest tot mei 1782 voor 30 gulden per jaar maar tegenwoordig onverhuurd.

Nog een extra kapitaal gepeupleerd konijnduin genaamd de Warande van de huize Te Boekhorst of het Wraaduin doende in de ordinaire verponding 47 gulden 6 stuivers en 12 penningen, belend zijnde ten noordoosten de voorgemelde langeveldse laan, de erven van wijlen de heerJan Six en voorts diverse aangelanden hebbende kapitale afweiding en zettinge alsmede het recht van de konijnen over de langeveldse laan die zich zouden populeeren en onthouden in de wallen en lande van het voornoemde gedeelte van de besloten duinschoten tot de buitenkant van de slootdijk of de scheiding van de vier morgen hiervoor genoemd, bevorens gestaan hebbende op naam van Cornelis Heemskerk

En laatstelijk nog het recht om konijnen te vangen in een gedeelte van de besloten duinschoten tot Noordwijkerhout zijnde alle het zelve tesamen aan Willem van Steenvoorden en Cornelia van Zomeren tot 1e februari 1784 voor 228 gulden per jaar

Verkoop de Boekhorst afgelast

Nicolaas de Stoppelaar moet meewerken aan het besluit van de Hoge Raad tot verkoop van bovenbeschreven goederen, maar de vertegenwoordigers van de prinses geven hem zelf een argument in handen om weer eens voor uitstel van de verkoop van de Boekhorst te zorgen . In een advertentie in de regionale kranten in januari 1783 wordt de verkoop aangekondigd door de vertegenwoordiger van de prinses, de heer Smolders. Hij verwijst daarbij naar het besluit van de Hoge Raad en noemt de naam van De Stoppelaar. Ook wordt de achtergrond van het besluit vermeld.

Nicolaas de Stoppelaar moet furieus geweest zijn en in dit geval niet onterecht. De Hoge Raad had hem immers nog 6 maanden gegeven na oktober 1782 om tot betaling van de 7.500 gulden uit het “vredespijpakkoord” van 1779 over te gaan. Hij wint de zaak tegen de heer Smolders over deze vroegtijdige aankondinging van de verkoop en genoemde details, die immers schadelijk voor zijn reputatie zijn. Smolders krijgt een boete en wordt voorwaardelijk verbannen uit Holland voor zes jaar. In een krantenadvertentie reageert De Stoppelaar in niet mis te verstane bewoordingen. Hij maakt duidelijk dat ook de prinses de Rubempré zich heeft te houden aan gemaakte afspraken en sluit af met de zin “dat de krantenlezer zelf mag …oordeelen over de valschheid en kwaadaardigheid der onnutte en niets ter zaake doende advertentie, door zeeker practicijn van J.C. Smolders doen stellen in de Leidsche Courant van den 20e en 22e januari 1783…”

In een tweede advertentie, veel uitgebreider, herhaalt Nicolaas zijn ontzetting over de praktijken van Smolders en geeft aan dat de afspraken met de prinses Rubempré niet meer inhielden dan dat hij binnen gestelde termijn 7.500 gulden zou moeten betalen om de zaak af te kunnen ronden. Vervolgens vraagt hij de lezers om hem een lening te verstrekken van 10 of 11 duizend gulden met als onderpand dezelfde goederen die hij had moeten verkopen. Met als detail dat hij het geld onder eerste hypotheek zou lenen, hetgeen helemaal niet kon omdat er al andere leningen waren met hetzelfde onderpand. Ook deze advertentie wordt afgesloten met een venijnige zin: “…en om eenmaal van de vexatien (de kwelling) van de genoemde prinses af te zijn…”.

1783 maart, advertentie met scherpe bewoordingen van Nicolaas de Stoppelaar versus de prinses de Rubempre.

Het helpt hem allemaal niet. Betalen kan hij niet en in juli wordt in de kranten aangekondigd dat de beide Boekhorsten verkocht zullen gaan worden op een openbare veiling. De veiling op 15 juli 1783 wordt een week uitgesteld naar de 22e, maar uiteindelijk wordt er helemaal geen veiling gehouden. Het waarom is niet duidelijk, maar Nicolaas heeft weer eens uitstel van executie, en blijft balanceren op het randje van de afgrond. Een jaar later wordt een nieuwe poging gedaan, uit een veilingverslag weten we dat er in ieder geval geboden kon worden, maar alle percelen worden tijdens de veiling opgehouden. Opnieuw uitstel.

Toch is er een belangrijk verschil tussen deze twee mislukte openbare veilingen. De advertenties uit juli 1783 vermelden geen verkopende partij, een jaar later blijkt uit het veilingverslag dat Nicolaas de Stoppelaar zelf opdracht tot verkoop heeft gegeven. En het Repertorium (register) van de Graaffelijkheidslenen van Rijnland helpt ons verrassend genoeg aan de oplossing. In december 1783 zijn de heerlijkheden van de Hooge en Laage Boekhorst alsnog ingeschreven op naam van Nicolaas de Stoppelaar. Hij moet dus met de prinses de Rubempré tot afronding van hun conflict zijn gekomen. Voor zijn betaling heeft hij de verlijbrieven ontvangen, de voorwaarde om tot overschrijving in het Repertorium te komen. Met nog een kleine slag om de arm – aanvullend bewijs wordt nog gezocht – kunnen we stellen dat het benodigde geld afkomstig is uit zijn eigen familie. Zijn zus Geertruid de Stoppelaar is een jaar eerder overleden en haar man Jan Pieter Wolters heeft Nicolaas waarschijnlijk een erfdeel toegekend. Daarnaast is zijn zus Ida in 1783 volwassen verklaard en daarmee kan vier jaar eerder dan aanvankelijk het plan was overgegaan worden tot verdeling van de nalatenschap van hun moeder Anna de Stoppelaar-Rijcken. Uit de verdeelstaat blijkt dat de erfenis van Nicolaas is verrekend met zijn schulden binnen de familie, maar uiteindelijk blijft er toch nog een bedrag van zo’n 1.500 gulden voor hem over. Zijn familie heeft hem daarmee bij de rand van de afgrond weggehaald. De ruzie met de prinses lijkt achter hem te liggen, de Boekhorst is eindelijk van De Stoppelaar. Nou ja, voor even dan….

In een volgende aflevering de afloop en details over de Noordwijkerhoutse goederen van De Stoppelaar.

Aanvulling augustus 2021: het aanvullend bewijs dat hierboven genoemd wordt is gevonden en bestaat uit een hypotheek voor een bedrag van 10.500 gulden die door de broer, zus en zwager van Nicolaas de Stoppelaar aan hem verstrekt is om de kwestie met de prinses de Rubempré eindelijk af te ronden. Zie hiervoor het vervolgverhaal: de verkoop van de Boekhorst 1787

Geef een antwoord