Je bekijkt nu Verkoop van kasteel de Boekhorst 1787
Reconstructie de Boekhorst door Martini Priveverzameling

Verkoop van kasteel de Boekhorst 1787

Hoe de vos Nicolaas de Stoppelaar zijn streken maar niet af wil leren.

In het verhaal De Prinses en de Student is op deze website uitgebreid ingegaan op de ruzie tussen de Vlaamse prinses de Rubempré en Hagenaar Nicolaas de Stoppelaar over de betaling van de aankoop van de Heerlijkheid van de Hooge en Laage Boekhorst in 1772. De Stoppelaar wilde pas betalen als de leenbrieven van de heerlijkheid aan hem overgedragen waren zodat hij zich officieel Heer van de Boekhorst kon noemen. Iets wat hij overigens in al zijn onbescheidenheid toch gewoon deed. Maar de Vlaamse prinses en haar adviseurs hadden echt wel in de gaten wat voor vlees zij in de kuip hadden met de Haagse jurist en notaris, een kat in het nauw met een berg schulden, maar ook een sluwe vos met rare streken.

Die schulden zijn hieronder nog eens op een rijtje gezet in een financieel overzicht. Weergegeven op chronologische volgorde per onderdeel: aan- en verkoop van onroerend goed,  de hiervoor aangegane leningen en de opeenvolgende fasen in de sanering van de schuldenberg. We kunnen hier een soort lopende rekening van maken waarbij per datum een (negatief) saldo wordt weergegeven maar hoewel we veel informatie kunnen vinden zijn er vraagtekens overgebleven die niet met bronmateriaal beantwoord kunnen worden.  Zo zijn bijvoorbeeld de kosten van de bouw van de buitenplaats Duin en Dal onbekend, al weten we dan weer wel welke bedragen allerlei ambachtslieden nog tegoed hadden. Die bedragen zijn opgenomen in het overzicht. We weten ook nauwelijks iets over De Stoppelaars inkomsten als notaris en jurist. De indruk is dat deze bescheiden zullen zijn geweest omdat Nicolaas tot circa 1776  veel tijd kwijt was aan zijn ambitieuze projecten en daaruit vloeiende problemen. Ondanks dat het overzicht niet volledig is geeft het een aardig inkijkje in de situatie waarin deze jonge Haagse vrijgezel terecht gekomen was.

Investeringen onroerend goed, schuldenopbouw en schuldsanering van Nicolaas de Stoppelaar 1768-1788

Kern van het probleem wordt gevormd in het jaar 1772. De Stoppelaar koopt heerlijkheid de Boekhorst, neemt voor een groot bedrag een procureurschap over en koopt daarbij ook nog eens het Keukenduin in Voorhout. Dit alles binnen enkele maanden en voor tienduizenden guldens. Geld dat hij niet had want zijn eigen spaarpot had hij in de jaren daarvoor waarschijnlijk al aangewend voor de aankoop van Noordwijkerhoutse boerderijen, weilanden en het Rechthuis. Dat boerenbezit had hij in verhouding tot de grote bedragen uit het overzicht tamelijk goedkoop verworven.

De genoemde grote aankopen lijken een impulsief karakter te hebben. Immers, de mogelijkheid een heerlijkheid te bezitten deed zich onverwachts voor door het verkoopbesluit van een prinses in het verre Vlaanderen. En het procureurschap kwam vrij na de plotselinge dood van procureur Ploos van Amstel, toevallig net de man bij wie Nicolaas praktijkervaring had opgedaan voor zijn notariële studie, hij had dus een streepje voor. Twee mogelijkheden die niet te voorzien waren. Ook aankoop van het Keukenduin was een buitenkans die hij niet kon laten liggen, mede omdat die aankoop goed aansloot op het bezit van het Kerkeduin van Noordwijkerhout dat eigendom was van zijn oma Johanna Mens en hem min of meer was toegezegd.

Nicolaas de Stoppelaar liet geen kansen voorbij gaan, dat is wel duidelijk. We kunnen daar met onze kennis van de jaren erna allerlei kwalificaties aan verbinden, zoals domheid, jeugdige overmoed, arrogantie, waaghalzerij, blinde ambitie. Maar dat alles blijft interpretatie van wat zijn persoonlijke motieven zijn geweest. Dat geldt ook voor de conclusie dat gezien de waarde van zijn Noordwijkerhoutse aankopen en de potentiële verhuurinkomsten het toch mogelijk had moeten zijn om die investeringen in 10 tot 15 jaar terugverdiend te hebben. Maar dat was dan ook niet de kern van zijn problemen.

Het gaat mis als hij bij zijn eerste opdracht als procureur fouten maakt die hem een extra schuld van zo’n 11.000 gulden opleveren. Zijn moeder wordt tot borg gesteld en hij leent ook nog eens geld bij haar. Maar dat geld gebruikt hij niet voor het doel waarvoor het gegeven was, namelijk de schuld aflossen en daarmee opheffing van zijn moeders borgstelling realiseren. In december 1772 verliest hij dan ook het vertrouwen van zijn familie. Hij kan niet anders dan zijn dure procureurschap verkopen. Zijn reputatie is daarmee ook buiten zijn familie geschaad. Voor nieuwe leningen betaalt hij meer rente en zo begint het balletje steeds sneller richting afgrond te rollen en volgen de gedwongen verkopen en sanering van schulden elkaar op.

Het Boekhorstbezit blijft daarbij geruime tijd buiten schot. Enerzijds omdat het aanvankelijk niet door De Stoppelaar gebruikt was als onderpand van leningen. Anderzijds omdat hij met de Vlaamse prinses de Rubempré in een patstelling verzeild was geraakt over de formele overdracht. Waarbij Nicolaas het grootste belang had om dat zo lang mogelijk vol te houden want geld om haar te betalen had hij niet. Hij kon slechts hopen dat het financieel tij voor hem zou keren.

Ondanks vele discussies en processen die Nicolaas de Stoppelaar tussen 1775 en 1784 nog moet voeren over zijn schulden en het Boekhorstbezit kunnen we spreken van een relatief rustige periode voor hem. Hij heeft geen vaste woonplaats, wordt in documenten vermeld in Den Haag, Leiden, Noordwijkerhout en Sassenheim maar lijkt het grootste deel van zijn tijd in de Laage Boekhorst door te brengen. Daar heeft hij zichzelf aangesteld als secretaris, schout en baljuw, een benoemingsrecht dat aan het eigendom van deze hoge heerlijkheid verbonden was. Als notaris schrijft hij regelmatig akten uit voor de bewoners van het gebied maar verricht ook werk voor derden als procureur. Hij heeft dus inkomsten maar die zijn bij lange niet genoeg om de vele schulden bij partijen af te kunnen lossen.

Relatieve rust maar nog altijd bijzonder strijdbaar. Als eind 1782 de executeurs van het testament van zijn moeder Anna Rijcken tot afhandeling van haar nalatenschap willen overgaan omdat al de kinderen inmiddels volwassen zijn geworden (of verklaard) gaat dit aanvankelijk buiten Nicolaas om. Hij is door zijn moeder vlak voor haar dood gepasseerd als executeur door benoeming van haar jongere zoon, de predikant Joan de Stoppelaar. Nicolaas krijgt lucht van de afhandeling van het testament en haalt op opmerkelijke wijze uit naar zijn familie. Hij betwist de rechtmatigheid van de afhandeling en plaatst een advertentie in de krant om iedereen die goederen uit de nalatenschap koopt duidelijk te maken dat verkoop zonder zijn toestemming door hem als onwettig wordt beschouwd.

Regionale kranten december 1782; familieruzie De Stoppelaar komt tot een kookpunt

De advertentie kenmerkt de persoon van Nicolaas de Stoppelaar in deze fase van zijn leven. Zouden we over zijn jongere jaren nog kunnen spreken van een overdreven rechtlijnig denkend en handelend persoon nu lijken zijn stoppen doorgeslagen te zijn. Dat hij onder dezelfde advertentie nog een tweede plaatst om verhuur van het Rechthuis van de Laage Boekhorst aan te kondigen maakt het bizar. Zou hij nu echt gedacht hebben dat hij huurders aan kon trekken na in de advertentie erboven te hebben laten zien hoe rancuneus hij kon zijn ten opzichte van dierbaren? Kort hierop, in de winter van 1783 reageert hij op vergelijkbare wijze naar de vertegenwoordiger van de prinses de Rubempré, die moedwillig in de krant had aangekondigd dat de Boekhorst verkocht zou gaan worden. De reactie van Nicolaas in de krant is die van een straatvechter, hard en gemeen. Hij brengt de man voor het gerecht omdat sprake was van een voorbarige en onterechte aankondiging van de verkoop, waarvoor de man dan ook bestraft zal worden.

De executeurs van het testament van zijn moeder leggen een tussentijds verslag voor aan Nicolaas en verklaren hierover later dat hij “verscheidene zeer ongefundeerde remarques en reflexien” (opmerkingen en overwegingen) heeft geplaatst met name over de “imputatie” (kwade bepalingen) rond zijn erfaandeel. Nicolaas brengt de zaak voor het Hof van Holland maar die verwerpt op 23 juli 1783 grotendeels zijn bezwaren. Ondanks zijn weerstand wordt de boedelverdeling in 1783 conform het testament afgerond en lijkt er geen enkele sprake van bevoordeling van de overige erfgenamen. Nicolaas ontvangt zijn rechtmatige aandeel, bij elkaar een ruime 12.000 gulden. Hierop worden enkele openstaande geldleningen binnen zijn familie in mindering gebracht. Globaal houdt hij zo’n 1.500 gulden over en een waardeloos geworden obligatie.

In hetzelfde jaar wordt ook de nalatenschap van zijn zus Geertruida de Stoppelaar geregeld door haar weduwnaar, de predikant Jan Pieterszoon Wolters. Mogelijk dat Nicolaas ook van haar nog wat geld geërfd heeft. Met zijn erfdeel lijkt het gat naar de door de prinses de Rubempré gevraagde 7.500 gulden in ieder geval een stuk kleiner geworden. Of hij in het najaar van 1783 de prinses precies dat bedrag heeft betaald is niet bekend, maar feit is dat op 24 december 1783 het heerlijkheidsrecht over de Hooge en Laage Boekhorst in de registers wordt overgedragen. Nicolaas is na elf jaar discussie en processen dan eindelijk eigenaar van niet alleen het onroerend goed maar ook van de daarop rustende rechten.

De overdracht van de heerlijkheidsbrieven levert nog een opmerkelijk feit op. Vermeld wordt dat er sprake zou zijn van een hypotheekbrief op naam van ene Jan Pieterszoon Wolters. Dit is de zwager van Nicolaas. Bovendien blijkt deze zwager niet de enige hypotheekverstrekker. Met Jan Pieterszoon stellen ook Joan en Ida de Stoppelaar hun broer een bedrag ter beschikking van maar liefst 10.500 gulden. Als onderpand verbindt Nicolaas de leenbrieven die hij diezelfde dag in handen gekregen heeft. De lening kent twee belangrijke voorwaarden. De aflossing van de hypotheek is per halfjaar opeisbaar, mits drie maanden tevoren aangekondigd. En blijft Nicolaas in gebreke dan heeft zijn familie het recht om het Boekhorstbezit per openbare veiling te verkopen.

Door een detail uit deze overdracht van de leenbrieven is ook de originele afspraak uit juli 1783 gevonden die  met Nicolaas gemaakt was. Daaruit blijkt dat de erfgenamen Joan de Stoppelaar, zijn zus Ida en zwager Jan Pieter Wolters behoorlijk water bij de wijn hebben moeten doen om de nalatenschap van Anna de Stoppelaar-Rijcken te kunnen afronden. Nicolaas blijkt de andere erfgenamen flink onder druk gezet te hebben omdat zijn akkoord nodig was om het weeskind van hun overleden zus Cornelia de Stoppelaar een groter erfdeel te kunnen geven. Als tegenprestatie zouden zij de procureur van Nicolaas 9.000 gulden uitkeren, die vervolgens gebruikt moest worden om de prinses de Rubempré uit te betalen en eventuele extra kosten te betalen voor het overdragen van de heerlijkheid. De procureur zou tevens 900 gulden ontvangen voor zijn diensten. Nicolaas zou dit bedrag dan voor einde 1783 terug moeten betalen met de opbrengst van de veiling van de Hooge en Laage Boekhorst, zodra hij dat formeel in bezit had gekregen.

Maar Nicolaas betaalt zijn schuld van 9.900 niet af in december 1783. De overdracht van de heerlijkheid vindt pas op 24 december plaats en De Stoppelaar weet de zaak weer in zijn voordeel om te draaien door de schuldbrief om te zetten in een hypotheek die uiteindelijk nog iets meer, namelijk 10.500 gulden, bedraagt. Die hypotheek wordt vermeld bij de overdracht van de leenbrieven. Van aflossing op een afgesproken datum is geen sprake meer, die eerdere voorwaarde is nu een aflossing die per halfjaar opeisbaar is, mits tijdig aangekondigd.

Dat het Boekhorstbezit als onderpand gebruikt kan worden voor de hypotheek is bijzonder. Immers, nu De Stoppelaar formeel eigenaar was lag daarmee de weg open voor al zijn schuldeisers om tot gedwongen verkoop van dit Boekhorstbezit over te gaan. Met name de douairière Van Wassenaar had een grote lening verstrekt met de Boekhorst als onderpand. Of dit bij zijn familie bekend was weten we niet maar feit is dat zij eind september 1784 een notaris opdracht geven om Nicolaas persoonlijk te gaan vertellen dat hij de hypotheek binnen drie maanden moet aflossen. Maar ook nu strijdt De Stoppelaar koppig door.

Het lukt de schuldeisers in 1784 en 1785 maar  niet om een openbare veiling op de Burcht in Leiden te houden. Zij worden kort voor de geplande datum afgeblazen. Het hoe en waarom weten we helaas niet maar we mogen niet uitsluiten dat Nicolaas zelf weer eens een spaak in het wiel heeft weten te steken. Hoewel hij in het voorjaar van 1785 toch een wervende brochure voor de verkoop van de beide Boekhorsten had uitgebracht. Maar ook in deze door hem samengestelde brochure kan hij het niet laten om nog even een sneer uit te delen naar derden in een speciale bijlage van de brochure.

Opvallende tekst in de verkoopbrochure van 1775

Ook de prinses de Rubempré wordt in een paar zinnen er nog even door hem van beticht dat zij belangrijke documenten die in 1740 uit het kasteel waren weggehaald had achtergehouden. Volgens Nicolaas waren die in 1772 nog in Brussel aanwezig, maar waar hij dat op baseert wordt niet duidelijk.

Dergelijke beweringen en teksten kenmerken de dubieuze methoden en tactieken van de overduidelijk gefrustreerde Nicolaas de Stoppelaar. Een ander voorbeeld is zijn houding bij de gedwongen veiling van een boerderij die onder het heerlijkheidsrecht van de Laage Boekhorst viel.

Op 22 januari 1785 wordt in het Rechthuis van de Laage Boekhorst de gedwongen verkoop gehouden van een boerderij met drie morgen weiland en 100 Rijnlandse Roe houtland uit de failliete boedel van Nicolaas de Stoppelaar. Deurwaarder Jan Pelgrom zal de verkoop leiden, waarvoor ook nog een tweede deurwaarder en een procureur aanwezig zijn. Formeel dient ook het ambacht twee schepenen te leveren als getuigen van de verkoop. Die avond meldt Jan Pelgrom zich bij de herbergier in het Rechthuis en wordt naar de verkoopzaal geleid. Die zaal blijkt echter met dikke rook gevuld waarover het gezelschap oordeelt dat dit kwam omdat “de haard was toegedekt”. Opzet wordt dus vermoed. Pelgrom vraagt om een andere zaal, maar die zijn volgens de herbergier allemaal bezet.

Intussen is de deurwaarder duidelijk geworden dat ook Nicolaas de Stoppelaar zich in het vertrek bevindt. Hij wil dat De Stoppelaar vertrekt, die doet dat na enig aandringen maar keert kort daarop terug, samen met enkele schepenen van het ambacht. De deurwaarder vraagt hierop wie van de aanwezige schepenen wil assisteren bij de openbare veiling. Maar jurist Nicolaas de Stoppelaar, die de spelregels natuurlijk goed kent, geeft aan dat hij als baljuw van de Laage Boekhorst  alle schepenen “demissie” heeft gegeven. Met andere woorden: uit hun functie heeft gezet. De veiling kan nu eigenlijk niet gehouden worden. De deurwaarder probeert De Stoppelaar met vriendelijke woorden nog te overreden maar die wijkt niet. Overleg tussen Jan Pelgrom en zijn medestanders, buiten op het erf, leidt tot het besluit dan maar zelf de aanwezigen in een rookvrij vertrek vragen te vertrekken, maar die weigeren dat en Nicolaas de Stoppelaar legt daar nog een schepje bovenop door te stellen: “Wie donders raadt u zo koen de menschen uit de gemeenen haard te jaagen en dat in mijn eigen huijs (het Rechthuis was zijn eigendom). Vrienden allemaal blijf binnen. En nu wil ik wel eens een blixem zien die er een mensch uitjoeg”.

De deurwaarder wil de veiling alsnog houden, dan maar in de dikke rook en zonder schepenen. Daarvoor dient hij luidkeels de veiling aan te kondigen met de kreet “Conditien en voorwaarden, conditien en voorwaarden” en volgens procedure een kaars aan te steken. Zolang de kaars brandt staat de veiling open, zijn biedingen geldig. De aangestoken kaars, die ook nog eens het enig licht in de ruimte vormde, wordt echter door De Stoppelaar eigenhandig gedoofd. De moedeloos geworden deurwaarder geeft het op, de veiling vindt niet meer plaats. De kwestie krijgt nog een staartje want in december 1785 moet De Stoppelaar zich verantwoorden voor de Hoge Raad voor zijn handelen, een jurist en notaris onwaardig. De uitslag heeft hij door zijn vroege dood mogelijk nooit meer te horen gekregen.

Opvallend aan de kwestie is dat geen van de aanwezige bewoners van de Laage Boekhorst de kant van de deurwaarder lijkt te hebben gekozen. Nicolaas had in de voorgaande jaren krediet bij hen opgebouwd. En zou de al jarenlang met ziekte kampende De Stoppelaar niet kort voor zijn 40e levensjaar gestorven zijn in mei 1786 dan zouden we waarschijnlijk nog wel meer van deze bijzondere verhalen hebben leren kennen want deze sluwe vos wilde zijn streken maar niet afleren.

De Vlaamse prinses de Rubempré heeft dan wel haar geld gehad maar zal aan de kwestie toch een nare bijsmaak overgehouden hebben. Van de 16.500 gulden die zij bij verkoop had moeten ontvangen kreeg haar zaakwaarnemer alleen letterlijk “een schuldbrief in handen gedrukt”. Die bleek vervolgens weinig waard, waarna zij na lange discussie en processen haar verkoopprijs bijstelde naar 7.500 gulden. En dat was misschien nog in de wrange wetenschap dat De Stoppelaar al voor 1.650 gulden aan weilanden had verkocht en slechts 6.000 gulden hoefde bij te leggen om haar te betalen.

De Vlaamse familie behoudt wel hun boerderij de Hooge Boekhorst die aanvankelijk ook deel uit leek te maken van de aangekondigde verkoop in 1772, want er is in een verwarrende tekst sprake van verkoop van 36 morgen aan landerijen en twee boerderijen op het terrein aan de Langevelderweg. Dat zouden dan de Boekhorster Wraa en de Hooge Boekhorst geweest kunnen zijn. Bij de uiteindelijke openbare veiling van de Boekhorst is dit nog maar 19 morgen en worden geen boerderijen meer genoemd. Van de woning of boerderij de Boekhorster Wraa die ter hoogte van de hoofdingang van het Sancta Maria terrein stond, weten we dat deze is afgebroken tussen 1772 en 1785. Boerderij de Hooge Boekhorst blijft eigendom van de Vlamingen en wordt pas in 1834 verkocht aan Klaas van den Burg.

De familie van Nicolaas de Stoppelaar blijft ook met een kater achter want hij is tot zijn dood in mei 1786 eigenaar gebleven van de Hooge en Laage Boekhorst. Zij kunnen voor aflossing van hun hypotheek slechts aansluiten bij de lange rij van andere schuldeisers. De Heer van de Boekhorst wordt begraven in zijn grafkelder in de Witte Kerk, naast zijn jonge broertje Anthony. Dezelfde grafkelder waarin ook Heer en Vrouwe van de Boekhorst Andries van Bronckhorst en Anna van Woerden van Vliet begraven waren, 162 jaar eerder. Zij waren symbool van de hoogtijdagen van kasteel de Boekhorst, De Stoppelaar leidde het definitieve einde van het kasteel in. De personen die deze twee uitersten vertegenwoordigden werden zo verenigd in één graf.

De curatoren van de failliete boedel maakten een lijst op van de vele schuldeisers van De Stoppelaar

De veiling van de beide Boekhorsten ligt nu in handen van de curatoren van de failliete boedel van Nicolaas. Zij hebben met een lange lijst schuldeisers te maken. Daarin vallen de namen op van enkele Noordwijkerhoutse boeren naast de familieleden van Nicolaas de Stoppelaar. Ook de prinses de Rubempré wordt vermeld. Zij had enkele jaren eerder per openbare veiling het Rechthuis van de Laage Boekhorst te koop gezet en heeft waarschijnlijk knarsetandend toe moeten zien dat Nicolaas de Stoppelaar dat Rechthuis aankocht. En vervolgens ook die aankoop niet betaalde…. Tot de grootste verliezers behoort zover we kunnen nagaan de douairière Jacobina Van Wassenaar die van haar lening van 39.000 gulden uiteindelijk maar grofweg de helft heeft terug gezien. Op 15 december 1787 wordt in het Heerenlogement aan de Burcht in Leiden dan eindelijk de openbare verkoping gehouden. De aangeboden percelen zijn gelijk aan de brochure uit 1785. De heerlijkheid van de Hooge en Laage Boekhorst met circa 19 morgen (ruim 16 hectare) aan bijbehorende akkers en weilanden met 14 achterlenen in de Lage Boekhorst en 1 in de Hooge Boekhorst, onder het duin van Noordwijk. Het wordt als één geheel aangekocht door Leidenaar Nicolaas Hartingh. Hij werd eerder eigenaar van de buitenplaats Duin en Dal en het Kerkeduin van Noordwijkerhout, beide uit de boedel van De Stoppelaar. Voor de Boekhorst betaalt Hartingh slechts 4.124 gulden. Ter vergelijk: de verkoop van een resterend perceel weiland in de Laage Boekhorst, slechts een ruime hectare groot, levert kort na deze openbare veiling alleen al 630 gulden op. De verdeelstaat van de geringe veilingopbrengst heeft uiteraard niet tot vrolijke gezichten geleid onder de schuldeisers.

Na de openbare veiling volgden nog wat kleinere verkopen, ook van roerende goederen. In 1789 wordt zelfs een octrooi op een “behangselmachine” verkocht. Blijkbaar had Nicolaas de Stoppelaar grote plannen met deze machine. Maar ja, plannen had hij altijd genoeg………

Geef een antwoord